Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nooit werden er meer vragen gesteld

Home

Jan Van Coillie

Is poëzie nog wel voor kinderen van deze tijd? Het antwoord komt uit de gedichten zelf. Een overzicht van de kinderpoëzie van dit moment.

'Dit is de spin Sebastiaan.

Het is niet goed met hem gegaan.'

Haast iedereen weet hoe het de spin van Nederlands beroemdste kinderdichter vergaan is. Maar hoe is het intussen met de gedichten van Annie M.G. Schmidt zelf gegaan? Niet slecht als je de oplage van haar verzamelbundel Ziezo bekijkt. Gekke heertjes en dametjes, stuntelende koningen en eigenzinnige dieren blijven het goed doen. Dat bewijzen ook de recente herdrukken van kinderverzen van Han G. Hoekstra en Hans Andreus of de vijfde druk van Van Aap tot Zet, een dierenalfabet vol curieuze dieren van Mensje van Keulen.

Toch was het tijdperk-Schmidt in de kinderpoëzie al in de jaren zeventig van de vorige eeuw voorbij. De dichters van het Schrijvers collectief deden haar voetstuk wankelen. Voor het tv-programma 'De Stratemaker-op-zee-show' schreven ze teksten waarin op een open manier kinderproblemen aan bod kwamen. Dat was bij de generatie-Schmidt nooit vertoond. Met 'Dat overkomt iedereen wel' trok Willem Wilmink in 1973 de revolutie op gang. Hij schreef over bedwateren, reïncarnatie, driftbuien, verliefdheid en jaloezie. De bedoeling was troostrijk: 'Dus plas je weer eens in je bed, / geef je moeder dan een zoen, / en zeg maar: 'Er zijn er wel meer hoor, moeder, / die dat 's nachts per ongeluk doen.'

In de jaren die volgden, veegden gevoelige en troostrijke kinderverzen de grappige, verhalende gedichten in de traditie van Annie M.G. Schmidt naar het achterplan. Verliefdheid, verlangen, verdriet, woede, spijt, verveling, onzekerheid, er stond geen leeftijd op.

Voor kleuters waren de bundels van Miep Diekmann, 'Wiele Wiele Stap' en 'Stappe Stappe Step' uit 1978 en 1979 van grote betekenis. Ze schreef niet meer zoals vroeger over schattige engeltjes en bengeltjes maar over levendige kleuters, nieuwsgierig en ondernemend. Dat is ook het beeld dat de lezer krijgt in de populaire versjes van Hans en Monique Hagen: 'Mijn papa / wil mijn mama kussen / maar ik dring er lekker tussen / ik hou niet van dat gevrij / want / ze kijken niet naar mij.' (Daar komt de tijger, 1988)

Frank Adam gaat in 'Waarom ik altijd nee zeg' nog verder. De kleuters in zijn versjes vallen even dood, zetten hun haar artistiek in een piek of kraken papa's computer. Ze zijn echter ook kleine filosoofjes, ze vinden denken een 'fulltime job' en ook dat is typisch voor de recente kinderpoëzie. Nooit werden er meer vragen gesteld. In 'Ozo heppie' en andere versjes van Joke van Leeuwen staan vrolijke vragen naast vraagstaart- en piekervragen.

Mama, zegt

hij op een morgen, als

dinosaurussen nooit meer

bestaan, kan het dan ooit

met beren en mensen

ook zo gaan en waar

heb jij mijn kleren klaargelegd?

Ook in gedichten voor tieners duiken filosofische vragen steeds vaker op. Het gedicht 'Zon en schaduw' uit 'Aanhalingstekens' van Edward van de Vendel begint met een onmogelijke veronderstelling: 'Stel, je had geen moeder' en eindigt met indringende vragen: 'Wat is de bedoeling van hun handen op jouw rug? / Waarschuwen of duwen. / Zijn ze het water of de brug?'

Volgende vraag uit 'Oog in oog in oog in oog' van Eva Gerlach is misschien wel de meest wezenlijke voor een puber: 'als ik constant verander en dat gaat door / tot ik sterf wie ben ik dan?'

Een ander opvallend kenmerk van de recente kinderpoëzie is de aandacht voor duistere gevoelens: voor angsten en voor wat onuitspreekbaar is. De titel van Johanna Kruits bundel 'Wie weet nog waar we zijn?' balt de ultieme angst samen. Ze verdicht de angst in het donkere bos, als ouders ruzie maken of dat moeder dood zal gaan. De eerste gedichten uit 'Momme-la-me-los' van Leendert Witvliet spelen zich af in het 'slapeloze bos'. Al even duister zijn de beginregels van volgend kleutergedicht uit 'Kom, zei de kromme weg' van Ed Franck: 'diep in het bos / woont Grote Jakke / haren van mos / tenen van takken / Jakke Jakke / kom me pakken'.

In 'Hee meneer Eland' van Eva Gerlach gaat de afdeling 'Eng' over woede, angst, agressie en afgunst. Die gevoelens legt ze in haar gedichten nooit helemaal bloot, je moet als lezer zelf graven. Daardoor zijn deze gedichten mysterieuzer dan de kinderpoëzie van vroeger en vragen ze meer van de lezer:

Wij gingen lopen in de nacht,

het holle wegje wit van sneeuw, er was

een dame mee, die hield mijn hand soms

vast.

Mijn moeder was het niet,

Die ligt in bed met groot verdriet

Ver bij een raam aan zee

Een dame blinkend als een nieuw scherp mes,

Mijn vader droeg zijn pak met vest, hij floot

O krentenbrood, ze dansten met zijn twee.

Naast duistere gevoelens krijgen ook de donkere kanten van het leven meer aandacht dan vroeger, alhoewel de poëzie voor kinderen en tieners hier veel minder open is dan de rap van jongeren zelf die veel duidelijker de rauwe werkelijkheid binnenlaat.

Ted van Lieshout is zonder twijfel de meest spraakmakende dichter voor jongeren. Zijn gedichten zijn heel intens, of ze nu gaan over de dood van zijn broer of vader of over vrouwenhandel, verkrachting, incest of pedofilie. Opvallend zijn de vele noodkreten in zijn verzen: 'mis mij', 'hou van mij', 'kijk mij aan', 'geloof in mij'. De Vlaming Daniel Billiet valt daarnaast op als de meest geëngageerde jongerendichter. In 'Moenie worry nie' vind je gedichten over Zuid-Afrika, Rwanda, armoede bij ons en de holocaust. De kinderpoëzie heeft zich duidelijk bevrijd uit het reservaat waarin ze zo lang veilig opgesloten zat. Geen taboe blijft overeind.

Wat veel langer overeind bleef, was de traditionele vorm. Toen de poëzie voor volwassenen zich al lang bevrijd had van metrum en rijm, bleven dichters voor kinderen eraan vasthouden. Recent wrikt de kinderpoëzie zich steeds meer los uit de vaste vorm. Illustratief is de evolutie van de Vlaming André Sollie. In zijn eerste bundel 'Soms, dan heb ik flink de pest in' schrijft hij uitsluitend gedichten met vierregelige strofen en een vast metrum en rijmschema. In 'Het ijzelt in juni' rijmt de helft van de gedichten niet en de andere helft veel vrijer. Voor kleuters houden de meeste dichters nog wel vast aan rijm. De versjes van Nannie Kuiper of Marianne Busser en Ron Schröder hebben een strakke vorm en overigens ook een 'klassieke' inhoud. Miep Diekmann hanteert een vrijere vorm en vooral het ritme wordt beweeglijker:

Een twee hop

de roltrap op

allemaal benen

allemaal tenen

allemaal tassen

en nu op passen

een reus van een stap

dag roltrap.

Joke van Leeuwen laat het rijm helemaal los, ze dicht 'ozo heppie' in een taal zoals je die uitspreekt, maar wel vol woordspelingen. De gedichten van Miep Diekmann en Joke van Leeuwen zijn wel nieuwe bakerrijmen genoemd, maar veel duidelijker verwant met deze oude rijmen zijn de gedichten van Ienne Biemans en Geert de Kockere:

Koning, keizer.

klok en wijzer.

Langgeleden, toen de kat

nog fluwelen pootjes had,

kwam je

als een vogel

uit een ei

met de kroon nog op.

'k Was er zelf bij.

(Met mijn rechteroog dicht, mijn linkeroog open)

Isolde

die de zee oprolde,

die de zee optilde,

Isolde wilde

Isolde wou

haar binden met een touw.

(Een straatje zonder eind)

Ingrijpender dan de lossere omgang met metrum en rijm is de introductie van beeldspraak in kinderverzen. Ze brengt de poëzie voor kinderen veel dichter bij die voor volwassenen. De eerste die voluit gebruik maakte van beelden in kinderpoëzie was de Vlaming Armand van Assche, niet toevallig een dichter voor volwassenen. Volgende strofe komt uit 'De zee is een orkest van 1978': 'Doodgaan is voor lang / langer dan achter een gordijn verborgen zijn. Meer zoals / een nagel, blind / in het hout geslagen.'

Eind jaren tachtig schreef ook Wiel Kusters (die ook al voor volwassenen dichtte) verzen vol fascinerende beelden: 'Mijn moeder is een boterham / die wil dat ik haar bijt. / Mijn vader is een strenge klok, / maar komt zelf niet op tijd.' (Het veter-diploma)

De invloed van de poëzie voor volwassenen op die voor kinderen wordt nog sterker in de jaren negentig met bundels van Johanna Kruit, Elma van Haren en vooral Eva Gerlach. Met krachtige metaforen verbeeldt Gerlach emoties:

Er vliegt een draak langs het raam

altijd als ik kwaad of bedroefd lig te huilen

op mijn bed. Vlammen slaan uit zijn

verschrikkelijke muil vol zwarte tanden

Is poëzie nog wel voor kinderen van deze tijd? Het antwoord ligt vervat in de poëzie zelf. Dichters zijn gefascineerd door de tijd. Elk gedicht is een poging om de tijd even stil te zetten. Sommigen, zoals Leendert Witvliet, schilderen met woorden en roepen zo herinneringen vol sfeer op:

die avonden dat witte wijzers

over zeeblauwe plaat schoven

en klokgelui ging golven

over velden en daken

(Misschien heet ze niet Suzan)

Anderen zoals Eva Gerlach of André Sollie proberen te bewaren wat kwijt is. Ze schrijven poëzie om in te verdwalen, tot je geraakt wordt of ontroerd. Op die manier kan poëzie jonge lezers blijven aanspreken:

Nu denk ik bij het woordje kunst aan thuis en

aan verhalen

die opgesloten liggen in een dichtgeslagen boek.

Ik kan er met mijn vingers in verdwalen

En vind er soms een streling in als ik een

streling zoek.

(Ted van Lieshout, Het is een straf als je zo mooi moet zijn als ik)

Deel dit artikel