Niet het paleis is het probleem, maar de Kamer

home

Hans Goslinga

Archieffoto van Hans van Mierlo. © ANP
Column

Nu de Tweede Kamer de regie van de kabinetsformatie in eigen hand neemt, zal het proces van machtsvorming democratischer en transparanter worden. Dat was althans de motivering van de D66-Kamerleden Schouw en Van der Ham voor hun voorstel de koningin als regisseur van de formatie buitenspel te zetten.

De democratische meerwaarde moet uit de wijziging zelf worden begrepen: de verschuiving van het initiatief van het niet-gekozen staatshoofd naar het gekozen parlement. Of het proces transparanter wordt, zal na 12 september moeten blijken.

Van der Ham zei het afgelopen voorjaar: "Wat tot nu toe achter de gesloten deuren van het paleis gebeurde, zal voortaan in de publieke arena, zichtbaar voor iedereen plaatsvinden." Dat klonk veelbelovend, maar ook een beetje naïef.

Hans van Mierlo, de aartsvader van D66, onderkende die wat argeloze houding van zijn politieke vrienden tegenover het verschijnsel macht. In 2009 struikelde hij, als minister van staat op weg naar een lunch met een buitenlandse president, over de rode loper op het Binnenhof en brak zijn heup. Een dag later grapte hij op het ziekbed tegen een partijgenoot: "Iedere keer als wij de rode loper betreden, gaat het fout."

De kernvraag is hier of machtsvorming zich in een land van politieke minderheden wel met openbaarheid verdraagt. Op basis van de ervaringen is het antwoord ontkennend. Toen Van Mierlo in 1994 zelf in een positie kwam om de kabinetsformatie een beslissende kant op te duwen, conformeerde hij zich zonder enig misbaar aan de mores van zwijgzaamheid. Hij reageerde zelfs korzelig op aanmerkingen daarop. Zo gaat dat nu eenmaal met politici zodra zij de macht ruiken.

Ander voorbeeld: in 2006 sloot informateur Wijffels zich met de fractieleiders van CDA, PvdA en ChristenUnie welbewust op in een buitenverblijf in Friesland, een locatie die zelfs aanvankelijk geheim werd gehouden. De reden was de mislukking van de formatie-onderhandelingen tussen Balkenende en Bos in 2003, mede als gevolg van vele lekkages die de sfeer verziekten. De onderliggende reden was overigens dat het CDA in 2003 niet met de PvdA wilde en in 2006 geen andere keus had. Hoe groter de politieke wil tot samenwerking, hoe sterker de behoefte aan ongestoorde onderhandelingen.

Hieruit volgt logischerwijs een grote mate van scepsis over het streven van de Kamer naar meer openheid. De pappenheimers kennende zal 'het geheim van het Noordeinde' eenvoudigweg transformeren in 'het geheim van het Binnenhof', in weerwil van een openbaar debat over de verkiezingsuitslag en de interpretatie daarvan. Bij die scepsis telt nog op dat een grote minderheid in de Kamer, de VVD en de drie christelijke partijen, een voorkeur heeft behouden voor een formatie-oude stijl.

De kans op een herhaling van de mislukking uit 1971, toen de Kamer ook poogde zelf een formateur aan te wijzen, is dus reëel. Op zich zou het, zeker na een verkiezingsstrijd die het karakter heeft van een strijd om het premierschap, voor de hand liggen dat de aanvoerder van de grootste partij formateur wordt en een poging doet een kabinet te vormen. Maar de campagnelogica is een andere dan de formatielogica. De formatie van 1977 geldt nog altijd als afschrikwekkend voorbeeld van wat er kan gebeuren met een winnaar (Den Uyl) die te gretig is en meteen als formateur aan de slag wil.

Of dat voorbeeld maatgevend moet zijn, is de vraag. De PvdA was toen zo in de ban van het meerderheidsdenken dat zij het zicht op de werkelijke verhoudingen verloor. Dat was de voornaamste oorzaak van de mislukking, niet de vooropgezette wil van het CDA Den Uyl de benen te breken. Integendeel zelfs, een van de grootste socialistenvreters in het CDA, Durk van der Mei, vond het onverstandig dat Den Uyl als formateur van acquit wilde; dat zou niks worden. Behoedzaamheid en beslotenheid zijn sindsdien troef.

Van de wens tot transparantie kan nauwelijks veel worden verwacht, zeker niet meer dan wat er bij 'het geheim van het Noordeinde' al naarbuiten kwam en daardoor controleerbaar was. Op zichzelf levert het daarom geen democratisch surplus op dat de Kamer in plaats van het staatshoofd het voortouw neemt. Het is hooguit een symbolische verplaatsing, die ook nog de verkeerde suggestie wekt dat de koningin nog over politieke macht beschikt. De christen-democraat Hirsch Ballin schrijft in een monografie over het koningschap in deze tijd: 'Het koninklijk gezag is geen politieke factor, maar een politiek mogelijk makende factor.'

Ook wie veronderstelt dat dit niet zo is, moet nog even afwachten of de regie van de Kamer in de formatie niet alleen symbolisch, maar ook voelbaar, een democratisch surplus oplevert. Dat surplus zou moeten blijken uit een grotere mate van publieke verantwoording en controle.

In dat verband is het de laatste jaren opvallend dat nieuwe kabinetten in hun regeringsverklaring niet of nauwelijks nog terugzien op de formatie en dat de Kamer daarvoor ook geen belangstelling meer heeft.

Conclusie: niet de verantwoording staat voorop, maar de toekomstige afrekening, conform het inzicht van de Britse politicoloog en historicus Sammy Finer (1915-1993) dat een regering niet wordt gecontroleerd door de laatste, maar door de volgende verkiezingen.

Deze tendens werkt coalitiemonisme en een snelle opeenvolging van verkiezingen in de hand. Voor een gezond evenwicht tussen een kabinet en de (gehele) Kamer is dat fnuikend. Met de regie in de formatie verzwakt de Kamer eerder haar positie dan dat zij die versterkt.

Lees verder na de advertentie

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie