Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Niet geloven maar flirten met God

home

Koert van der Velde

Opinie

Het geloof in God zijn ze kwijt, maar mensen houden een religieus verlangen. Dat is volgens Koert van der Velde nu hét dilemma. De godsdienstwetenschapper ziet toekomst voor agnost en ietsist: je kunt als 'agelovige' prima religieuze ervaringen opdoen.

De westerse theologie van de laatste eeuw in een notendop: minder, minder, minder. Beeld na beeld werd 'ontmythologiseerd', metaforisch uitgelegd of verworpen. Een bovennatuurlijke God die de wereld beïnvloedde, wonderen die natuurwetten doorbraken en andere 'kinderlijke' beelden sneuvelden.

Deze tendens van steeds minder geloven noem ik 'minimalisme'. Dat wil het geloof van overbodigheden zuiveren: alles wat in het licht van de moderne tijd ongeloofwaardig was. De begin jaren zestig populaire anglicaanse bisschop Robinson zag in deze 'revolutie' de 'enige manier om het christendom te redden'.

Robinson en zijn geestverwanten ontketenden een twintigste-eeuwse beeldenstorm, ook in Nederland. Die schoot zijn doel voorbij. Kerkhistoricus Heiko Oberman zag met lede ogen aan hoe 'de theologen de hemel met zijn bewoners chemisch hebben gereinigd'. "Wat een verarming."

Minimalisme heeft de voorstelling dat er een God is, dat hij - of zij of wat ook - luistert en handelt, uiteindelijk doodverklaard. Het schafte het voor religie zo typerende idee van interactie met een bovenwereld af. daarmee viel de beleving van contact met die bovenwereld stil. De geloofweaardigheid was belangrijker geworden dan het verlangen naar beleving.

Met het ongeloof werd ook het rituele handelen minder. God was machteloos geworden, niet meer alwetend, hij luisterde noch greep hij in. Hooguit 'droeg' hij ons nog - wat niet echt aanmoedigde tot het voltrekken van een religieus ritueel. Het ongeloof maakte passief, en ook daardoor daalde de intensiteit van de beleving. Om uiteindelijk helemaal te verdampen.

Een groot deel van de minimalistisch georiënteerden eindigde passief en postkerkelijk. De christelijke theologie, zelf minimalistisch, droeg daar sterk aan bij. Ooit actieve kerkgangers werden ietsist of agnost. Maar liefst zeven van de tien Nederlanders is dat inmiddels. Bij ietsisten blijft een vaag geloof in 'iets' over, dat verder nauwelijks een geloofwaardige invulling verdraagt; de agnost houdt er helemaal geen geloof meer op na.

Ietsisme en agnosticisme zie ik als populaire vormen van minimalisme. Dat is zo met stip de belangrijkste richting in levensbeschouwelijk Nederland geworden.

Daar is echter weinig van de merken. Levensbeschouwelijk leiden minimalisten een marginaal, onzichtbaar bestaan, nauwelijks nog in staat een actief religieus leven te onderhouden.

Wat rest is een kale levensbeschouwing die niet tegemoetkomt aan het religieuze verlangen dat er nog wel degelijk is - maar het minimalisme ontmoedigt zulke 'kinderlijke' behoeften.

Het klonk logisch: Robinson en velen met hem wilden het christelijk geloof redden door het te ontdoen van ongeloofwaardige ballast. Maar met hun rationalistische instelling zagen ze over het hoofd dat religie niet alleen een theoretisch systeem is. Ze is ook - en vooral - een manier om religieuze beleving te wekken.

Minimalisten hebben zichzelf daarvan afgesneden. Zo ontstond hét religieuze dilemma van deze tijd: niet meer kunnen geloven, maar eigenlijk wel religieus willen zijn. Dat wringt en dat doet pijn.

Religie die het moet doen zonder bovennatuurlijke wereld raakt de rituelen, de beelden, de voorstellingen die naar het hogere verwijzen, kwijt. Dat maakt haar kaal en saai. En krachteloos, want ze kan geen religieuze ervaring meer bewerkstelligen. Terwijl dat is waar het eigenlijk om gaat. De hamvraag is daarom: is er zonder geloof nog toekomst voor een godenwereld, en voor het ervaren van contact hiermee?

Traditioneel zijn mensen met een religieus verlangen ervan overtuigd dat ze zich op religieus gebied kunnen ontwikkelen en zo God naderen. Of ze koesteren de voorstelling van een God die luistert en gebeden verhoort. Of ze laten zich inspireren door 'karma', of door een god die zonden vergeeft, of het vermoeden dat in alledaagse voorvallen aanwijzingen van het goddelijke zijn te vinden. Het religieuze verlangen draait kortom om de beleving aangesproken te worden door iets wat achter de grenzen van het begrip lijkt te liggen. Kun je zoiets ook beleven zonder geloof?

De praktijk bewijst dat het kan. De ontwikkeling van religiositeit zonder geloof is voorzichtig een trend in onze cultuur aan het worden. Een derde van de Nederlanders is 'ongelovig buitenkerkelijk', en ruim een kwart van hen bidt wel eens, blijkt uit de enquête 'God in Nederland' (2007). Voor een deel van hen betekent bidden het 'vragen aan God of een hogere macht om een oplossing voor problemen' (zeventien procent) en 'bidden als manier om contact te hebben met God' (negen procent). Door veel van deze ongelovigen wordt soms ook 'contact met God' beleefd. Twintig procent zegt 'ooit (misschien) wel de aanwezigheid van een God of hogere macht te hebben ervaren'. Acht procent ervoer 'ooit contact met iets heiligs', drie procent zegt dat dit blijvende invloed had.

Je ziet religiositeit zonder geloof langzamerhand ontdekt worden. Kunstenaars flirten van oudsher al met het idee dat een creatieve inval een geschenk van God is, sporters proberen het lot gunstig te stemmen met een ritueel, zieken proberen hun ziekte in een metafysisch verband te duiden en ze gebruiken bijbehorende rituelen voor hun genezing. Dit allemaal zonder nog te geloven in de waarheid van de religieuze beelden die erin meespelen.

Ook kerkgangers flirten zonder te geloven met God. Twaalf procent van hen zou agnost zijn, maar zit tenminste af en toe in de kerk en doet mee, en zal daar ongetwijfeld iets aan beleven - waarschijnlijk ook wel eens iets religieus. Het is een agnosticisme nieuwe stijl dat ondanks haar onvermogen nog te geloven actief blijft, in de hoop iets religieus te beleven.

Zulke religiositeit zonder geloof past in deze tijd en duidt op een fundamentele verandering in onze cultuur. Tot voor kort was je gelovig of ongelovig, en daarmee religieus of niet. Mensen waren vroeger collectief gelovig religieus. Meer smaken waren er niet; 'religieus' en 'gelovig' waren vrijwel synoniem.

In de wetenschappelijke disciplines die religiositeit bestuderen is dit nog steeds zo. Per definitie staat in religie geloof centraal - zonder geloof geen religie.

Oog voor religiositeit-zonder-geloof is er daardoor niet. Als wetenschappers deze al in het vizier krijgen, zien ze er abusievelijk survivals in, resten van nog niet afgestorven sentimenten die in moeilijke tijden bij verzwakte geesten opspelen. Want zonder geloof kán religiositeit gewoon geen vorm krijgen. Om het met de Duitse filosoof Rüdiger Safranski te zeggen: ongeloof is voor religie wat kennis van de bijsluiter is voor het placebomedicijn: vernietigend voor de werking.

Aan geloof ontleende je vroeger zekerheid. Geloof was daarom toen misschien wel de belangrijkste functie van religie. Maar de praktijk is sterk aan het veranderen. Voor veel mensen is het vinden van zekerheid op religieus gebied volstrekt niet meer gewenst. Voor hen geldt dat wie daar iets heeft gevonden, slecht heeft gezocht (Kopland). Juist de sensatie van mysterie is wat hen trekt, en die kan ook zonder geloof worden gewekt.

Veel mensen zijn anders naar religieuze beelden gaan kijken. Geloofwaardigheid bepaalt niet meer of die in hun leven een rol mogen spelen. Ze beschouwen zichzelf niet meer als gelovig of ongelovig. Ik noem ze 'agelovig'.

Religieuze beelden gaan bij hen niet meer langs de meetlat van 'waar' of 'onwaar'. Religieuze voorstellingen en rituelen zijn voor hen smaakkwesties geworden - vind ik ze mooi, heb ik er iets aan? Bepalend is het antwoord op de vraag of een beeld me kan inspireren, of er iets aan te beleven valt. Mensen willen zich aangesproken voelen door iets mysterieus, ook als dat waar het beeld of het ritueel naar zegt te verwijzen (God, bijvoorbeeld) waarschijnlijk helemaal niet bestaat. Door bij hun smaak passende oude of nieuwe beelden te cultiveren proberen agelovigen tegenwoordig een religieus leven te ontwikkelen, waaraan ze iets willen beleven.

Dat is de nieuwe norm: religie wordt beoordeeld op haar bruikbaarheid. Heel pragmatisch. Deze instelling ontmoet forse kritiek van theologen, filosofen en sociale wetenschappers. De gebruiksmotivatie zou afsluiten voor de echte religieuze ervaring die in haar aard onzelfzuchtig is, meenden psychologen als Allport en Maslov.

De minimalistische theoloog Harry Kuitert noemt dit gebruik zelfs 'ongeloof' en 'de ultieme doodsteek voor een serieus te nemen christelijk geloof'. Volgens Safranski "kan God slechts een antropologische functie vervullen zolang hij niet vanuit deze functie begrepen wordt".

Emanuel Levinas zocht een middenweg. Enerzijds had hij het sterk afkeurend over 'de religie van de behoefte die de werkelijkheid naar onze hand wil zetten'. Wie de eigen beleving najaagt, heeft de neiging zichzelf tot middelpunt van de wereld te maken. Anderzijds erkende Levinas dat alleen een behoeftig wezen kan genieten.

Het 'tekort' vormt de grondslag voor het trek hebben in het leven. Het wel toelaatbare verlangen moest wat Levinas betreft wel in het perspectief staan van God die zich in 'het gelaat van de Ander' openbaart. De behoeftige denkt naar het ik toe, maar in verlangen ontmoet je een ander die anders blijft. Zulk genietend gebruik is heel anders dan botte consumptie.

Levinas had, heel interessant, niets tegen het genieten van bewust geschapen illusies. Fantasie en illusionisme waren volgens hem menselijke mogelijkheden die je best mocht benutten. Zolang er maar geen geloof bij kwam kijken. Hij dacht bij die mogelijkheden - vanzelfsprekend - niet aan religiositeit zonder geloof. Dat zou ook een brug te ver zijn geweest. Hij zag niets in 'kinderlijke religie' die zoekt naar bevrediging van behoeften door een vaderlijke God of door extatische belevenissen. Levinas nam een minimalistische theologische positie in; hij legde alle religieuze beelden langs de meetlat van de geloofwaardigheid. Hij verzette zich tegen het idee van een God die met mensen communiceert.

Levinas bood desondanks een smaakvolle levensbeschouwing. God als de Ongrijpbare die is voorbijgegaan en mij met de Ander heeft achtergelaten: mooi toch? Maar deze vorm van levensbeschouwing is vooral filosofie en ethiek. De voor religie zo kenmerkende beleving van interactie met de godenwereld is hier nagenoeg verdwenen; ze bestaat hoogstens nog op abstract niveau.

Ieder zijn smaak. Maar het is onterecht ervanuit te gaan dat iemand die het beeld van een actief ingrijpende God cultiveert, aan egocentrische behoeftebevrediging zou doen, en al helemaal als het zonder geloof gebeurt. Zulke religiositeit is ook met onzelfzuchtige motieven te beoefenen. Ze is niet zelfzuchtiger dan wandelen of luisteren naar muziek.

Wie zonder geloof religieus probeert te zijn, kan dat niet anders doen dan met bestaande middelen. De gelovige aanbidt God omdat hij gelooft dat God luistert, de agelovige kan God ook aanbidden, maar alleen omdat hij graag de beleving van een luisterend oor heeft, en die, wellicht even, een rol wil laten spelen in zijn zielenleven. Oppervlakkig? Niet oppervlakkiger dan de meeste andere dagelijkse activiteiten.

De kritiek hierop van mensen als Kuitert en Safranski is een achterhoedegevecht. Ze hádden gelijk: vroeger was het vreemd, zo'n agelovige religiositeit. Maar steeds duidelijker tekent zich de realiteit af van deze nieuwe religiositeit. Dat de onderzoekers van 'God in Nederland' in 2007 voor het eerst ook naar religieus gedrag en beleving vroegen bij 'ongelovigen', is daarbij een teken aan de wand.

Religiositeit zonder geloof is een bruikbare stormram om de hemel te bestormen. Want we moeten íets. Als wij het zelf zijn die ons een god scheppen, laten we er dan werk van maken en aan het scheppen slaan. Een religieus verlangen - aanvankelijk misschien niet meer dan levensbeschouwelijke interesse - noopt de agelovige zichzelf op religieus gebied te ontwikkelen, en daarmee zijn eigen smaak en ontvankelijkheid, in de hoop dat de beleving rijker wordt.

We moeten iets, want wat een culturele armoede is het als we religiositeit alleen nog ongeloofwaardig en obscuur zouden kunnen vinden. Zelfs al zou ze alleen fictie zijn, dan nog is ze de moeite waard. Vanwege de opkomst van dit inzicht ligt er, heel onvermoed, voor God een tweede jeugd in het verschiet.

Toen Nietzsche uitriep dat God dood is, kon hij niet weten dat God zichzelf zou kunnen heruitvinden, in de nagestreefde verbeelding en fantasie van degenen die het zónder te kaal vinden, maar mét te ongeloofwaardig. Zonder geloof kan God nog heel lang mee, ook religieus.

De rijke wereld van de religies ligt aan de voeten van de agelovige. De oude kathedralen, mooie moskeeën en tempels, de verschillende religieuze tradities, feesten en rituelen liggen klaar om herontdekt te worden. De agelovige kan eruit pikken wat van zijn gading is: van de verschillende soorten religieuze muziek tot het islamitisch gebed, van sjamanistische trancedans tot de hindoeïstische zonnegroet, van een paganistisch zonnewenderitueel tot de katholieke eucharistie. Religies zijn reservoirs vol inspiratie en mogelijkheden.

Het is waar: als je je agelovig inleeft in religieuze tradities, maak je jezelf tot parasiet. Het verschil met echte parasieten is dat agelovigen de traditionele vormen niet leegzuigen. Van zulk geconsumeer worden deze tradities niks minder. Integendeel.

Wie ze agelovig beproeft kan zonder het verstand in te leveren wellicht iets religieus beleven. Hoe intens dit kan zijn, is nog de vraag. Wellicht kun je als agelovige eenentwintigste-eeuwer ook levendige ervaringen opdoen met de in oude tradities uitgebeelde godenwerelden. In ieder geval kunnen minder intense belevingen ook heel waardevol zijn.

Voor de meeste mensen, ook de gelovige, is in de praktijk niet veel meer dan oppervlakkige beleving weggelegd. Religieus leven is nu eenmaal vaak bikkelen in armoede. En dat geldt ook voor het agelovige streven naar religiositeit.

Wie religieus doet zonder te geloven probeert eigenlijk te flirten met God. De sensatie aangesproken te worden door iets ongrijpbaars is het gewenste, maar onverwachte antwoord op de flirt. Er zit een knipoog en een smakelijke waarheid in de klassieker 'God is liefde'.

Oprecht veinzen, soloreligie en jezelf een vlot liegen

In Trouw verzorgde Koert van der Velde vijf jaar de rubriek 'Religieuze belevenissen', met als vaste toelichting: "Zonder religieuze beleving geen religie - misschien is die ervaring wel de kern ervan." In zijn dissertatie 'Flirten met God' verkent de godsdienstwetenschapper religie zonder geloof; het boek bevat onder meer de weerslag van zijn eigen experimenten met deze religiositeit.

Van der Velde noemt zijn studie 'nieuw', want niet eerder is 'agelovige religie' systematisch bestudeerd.

Nederland kent verschillende voorbeelden van religiositeit die verwant zijn aan Van der Velde's variant.

Het bekendste voorbeeld is afkomstig van schrijver Frans Kellendonk. In zijn essay 'Idolen' (1987) schreef hij: "De ironie zegt: 'we doen alsof we weten waarover we het hebben, en we vergeten geen moment dat we maar doen alsof.'" Hij vatte het paradoxaal samen als 'oprecht veinzen'. Dat schreef hij nadat hij ''in het hart van de schepping een leemte' had 'ontdekt, waar God als Hij bestaat, mooi in zou passen'.

Het oprechte veinzen belette Kellendonk om er een religieuze praktijk op na te houden, stelt Van der Velde.

Uitgever en publicist Jan Oegema kondigde in deze krant (met een knipoog naar Vestdijk) in 2005 de 'toekomst der religie aan': die was aan de 'soloreligieuzen'. In Van der Velde's optiek is Oegama een minimalist. Oegema: "Wij zijn niet de bedoeling van de schepping of een schepper, helaas staan onze namen niet in Gods Grote Boek geschreven". Oegema huldigde een 'Kousbroekiaans ongeduld tegenover fantasma's en wonderen'.

Bij zijn afscheid als Kampens hoogleraar zendingswetenschappen zei Pieter Holtrop in 2005 in een vraaggesprek met Trouw dat hij 'eigenlijk niet zoveel geloofde'. "Religie is jezelf een vlot liegen. De fundamentalist zal in eeuwige toorn ontvlammen als je dat zegt. Dat vlot bestaat écht, vindt hij. Ik lieg dat ik op dat vlot klim. Ik lieg dat ik blijf drijven. En het mooie is: dan dríjf je ook. Geloven is jezelf een vlot liegen, dat als je geluk hebt nog blijft drijven ook."

Koert van der Velde werkte tot 2010 als religiejournalist voor Trouw. Hijpromoveert op 10 mei op het proefschrift 'Flirten met God. Religiositeit zonder geloof', dat gelijktijdig verschijnt bij uitgeverij Ten Have (463p. 24,95 euro, ISBN 9789025961381).

Lees verder na de advertentie
© afp

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.