Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Niet alle vlinders verhuizen

Home

HANS MARIJNISSEN

Het kaasjeskruiddikkopje dringt vanuit het zuiden op en de gehakkelde aurelia verovert Finland. Niet alle vlinders zijn zulke vervliegers. Aaneengesloten natuurgebieden zijn nodig. Of groene stadsdaken.

Michiel Wallis de Vries waarschuwt maar alvast. Via het Maasdal in Limburg dringt het kaasjeskruiddikkopje ons land binnen. En de Finnen moeten ook weten: de gehakkelde aurelia vestigt zich in hun eigen Lapland. Het zijn overigens geen troepenbewegingen waarover we ons zorgen hoeven te maken, integendeel, maar de hoogleraar van de universiteit in Wageningen ziet ze wel als signalen van de klimaatverandering.

Wallis de Vries, die als onderzoeker ook bij de Vlinderstichting werkt, is beslist geen somber mens. Maar het gaat relatief gezien dan ook weer de goede kant op met de vlinders. Van de 71 soorten dagvlinders (de 2400 soorten nachtvlinders even buiten beschouwing gelaten) die hun hele levenscyclus in Nederland doorlopen, zijn er tussen 1950 en 1990 wel zeventien verdwenen. "Maar uit de waarnemingen blijkt dat we het dieptepunt voorbij zijn", zegt Wallis de Vries. "Dat geldt voor het aantal soorten, maar betreft ook het aantal individuen. De achteruitgang is bij sommige populaties afgevlakt, en bij diverse soorten is zelfs een voorzichtige toename te zien. Grosso modo gaat het gewoon beter."

De koninginnepage is zo'n vlinder waarmee het uitstekend gaat. Deze maakt gebruik van voedselrijke gebieden en kan zich goed over behoorlijke afstanden verplaatsen. Een flexibel beestje, zogezegd, maar tegen een reeks van Elfstedentochtwinters kon ie niet op. "Maar nu we een serie zachte winters achter de rug hebben, zie je hem terugkomen." Hij is ook niet kieskeurig. Hij heeft niet eens een nauwkeurig samengesteld graslandje met zeldzame bloemen nodig. Deze vlinder verblijft net zo makkelijk in een moestuin of wegberm. Die komt er wel.

Wallis de Vries heeft ook zorgenkindjes, die in extensief gebruikte landschappen zonder kunstmest willen vertoeven, zoals kalkgraslanden, hoogvenen of heidegebieden. Landschappen die vroeger algemeen voorkwamen, maar nu zeldzaam worden. De veldparelmoervlinder en het gentiaanblauwtje zitten nu als het ware in die reservaatjes gevangen. "Ze worden dubbel gepakt. Hun leefgebied wordt steeds zeldzamer, én omdat hun leefgebied vroeger zo algemeen was, zijn ze er niet op aangepast om grote afstanden af te leggen. Het is een groot misverstand dat vlinders zich wel kunnen verplaatsen naar een gebied waar het beter is. Ja, een trekvlinder als de distelvlinder legt met gemak 3000 kilometer af en vliegt even naar IJsland, maar voor een gentiaanblauwtje is 5 kilometer in zijn hele leven al een enorme afstand."

Wallis de Vries schetst een optimistisch maar kwetsbaar beeld van de Nederlandse vlinder, maar hoe vangen zijn nakomelingen straks de klimaatverandering op, met hogere gemiddelde temperaturen en grillig weer met droogte en heftige regens? "Door de gemiddelde opwarming zullen soorten met de nieuwe temperatuurzones meeschuiven, is de verwachting. Dat zie je nu al aan het kaasjeskruiddikkopje in het Maasdal en de gehakkelde aurelia in Lapland. De atalanta was voorheen alleen als trekvlinder te zien, maar weet nu in Nederland te overwinteren. Zulke verschuivingen ga je steeds meer zien."

Uit een analyse van de posities van de temperatuurzones tussen 1990 en 2010 blijkt volgens de hoogleraar dat die in 20 jaar tijd 125 kilometer zijn opgeschoven. "Dat is ruim 6 kilometer per jaar. Toch bewegen vlinders gemiddeld maar half zo snel als de temperatuurstijging, zo blijkt uit ons onderzoek. De mobiele soorten hebben hier absoluut geen moeite mee, maar de weinig mobiele vlinders - en dat zijn de meeste - kunnen niet meeschuiven."

Toch heeft Wallis de Vries ook voor hen hoop. "Met name de koelere soorten in het hoogveen blijken minder te lijden onder temperatuurveranderingen dan verwacht. Deze soorten gaan de laatste tien jaar niet achteruit en het veenhooibeestje neemt zelfs toe. Dat is te verklaren uit het succes van het natuurbeheer, in het kader waarvan bijvoorbeeld de verdroging van het hoogveen wordt tegengegaan. Die kwaliteitsimpuls compenseert als het ware de voor deze vlinders negatieve klimaatverandering."

Meer gevolgen van de klimaatverandering zijn volgens Wallis de Vries te verwachten op microniveau in microklimaatjes. Op de door stikstof vruchtbaar geworden bodem, begint de grasgroei in de steeds mildere winters al heel vroeg in het voorjaar.

Voor de rupsen van de veldparelmoervlinder, die dan nog hard moeten gaan groeien, is het dan echter nog veel te koud. Die hebben de zonnewarmte nodig. Maar door de vroegere start van de plantengroei is de vegetatie rond hun voedselplanten al snel zo dicht dat de zonnestraling hen niet meer bereikt. "Er is dan een zogenaamde mismatch tussen rups en waardplant. Dat kan desastreus uitpakken."

Ook kunnen de omstandigheden in het landschap door weerextremen veranderen, waardoor de natte heide na een warm voorjaar uitdroogt of de gentianen, waar het gentiaanblauwtje haar eitjes op legt, er tijdens hoosbuien in augustus juist onder water komen te staan. "Het is dus zaak de komende jaren bij de aanleg en het beheer van natuur te zorgen voor een grotere variatie aan vegetaties en structuren, in combinatie met de ecoducten die de reservaten nu al verbinden. Want die 'oversteekplaatsen' zijn er niet alleen voor herten en zwijnen, maar hebben waarschijnlijk ook grote betekenis voor vlinders. Een heideblauwtje dat op een meter hoogte een snelweg moet oversteken, komt zelfs na ontwijking van de eerste auto immers in een turbulente wereld terecht." Zie je daarin maar te handhaven als vlinder.

Toch heeft Wallis de Vries nóg een troef in handen als het gaat om de klimaatadaptatie door vlinders: de nieuwe natuur, op de daken van de stad. Op dit moment wordt er op groene daken vooral geëxperimenteerd met sedum, de vetplantjes die op een dunne laag aarde overleven. Veel biodiversiteit is er op die groene matjes niet waar te nemen. De hoogleraar pleit voor een wat dikkere laag ondergrond, zodat ook planten en bloemen kunnen gedijen die voor vlinders aantrekkelijk zijn. "Als je daarbij experimenteert met naar het noorden en zuiden gerichte schuine daken, creëer je in de stad een compleet nieuw leefgebied: een miniberglandschap." Wat dat betreft vindt Wallis de Vries de klimaatverandering naast een bedreiging "ook wel heel spannend".

Lees verder na de advertentie

kleinklimaat

In Parijs wordt eind dit jaar gepraat over een strenger VN-klimaatverdrag.

Wat merken we in Nederland van de weersveranderingen, en hoe bereiden we ons voor op wat komen gaat? Deel drie van een serie.

Hoe springt een dier naar de volgende snipper natuur?

Een van de belangrijke problemen in Nederland is de versnippering van natuur. Sommige soorten kunnen daardoor niet naar een nieuw leefgebied migreren. Dit komt ook door de geringe internationale aansluiting van natuurgebieden; huidige en toekomstige geschikte klimaatzones liggen soms honderden kilometers uit elkaar. Hoe groter het verspreidingsgebied, hoe beter. Dit geeft soorten meer tijd zich aan te passen. En hoe minder versnipperd het landschap, hoe beter. De natuur is het beste in staat zich aan te passen aan de veranderingen in grote aaneengesloten gebieden die zeer gevarieerd zijn.

Verbinding van natuurgebieden in Nederland en van internationale natuurgebieden zijn beide belangrijk. Nederland is bijvoorbeeld rijk aan moerasnatuur die ook van Europees belang is. Het plan is om de huidige grote moerasgebieden aan elkaar te koppelen om zo bij te dragen aan een internationale klimaatcorridor. Het Lauwersmeer, Zuidlaardermeer, Oostvaardersplassen, Oostelijke Vechtplassen, Biesbosch, WiedenWeerribben en Gelderse Poort worden zo mogelijk via de rivieren met natuurlijke oevers of aangelegde verbindingen met elkaar in contact gebracht en gecombineerd met overstromingsgebieden daarnaast. Zo kan de moerasnatuur meebewegen met het klimaat, en houden de burgers droge voeten.

Snelheid klimaatverandering bepaalt overlevingskans

Volgens de toekomstscenario's van het KNMI voor Nederland zullen er vaker perioden van aanhoudende droogte komen. Het risico op natuurbranden zal dan toenemen. Droge heide en in iets mindere mate vegetaties met buntgras en pijpenstrootje, droog schraalgrasland en dennennaaldbos zijn dan het meest kwetsbaar.

Volgens het rapport 'Natuur aanpassen aan klimaatverandering' van onderzoeksinstituut Alterra is de snelheid van de klimaatverandering bepalend voor het welzijn van de in Nederland levende dieren en planten. Soorten waarvoor Nederland voorheen te koud was, rukken op, zoals de eikenprocessierups en de wespspin. Ook veranderen de migratiepatronen van trekvogels. Soorten die gevoelig zijn voor veranderingen in het leefmilieu en waarvoor het klimaat ongeschikt wordt, zullen afnemen en verdwijnen. Vooral in gebieden met natte heide en hoogveen krijgen veel soorten het moeilijk.

Vier eigenschappen bepalen hoe plant- en diersoorten op de veranderingen reageren:

het vermogen zich te verspreiden;

de mate van specialisatie;

de herstelsnelheid van een populatie na een terugval;

de grootte van het verspreidingsgebied.

Deel dit artikel