Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Niemand wordt slechter van sociale dienstplicht

Home

Margot Kraneveldt

Een vrijwillige maatschappelijke stage voor jongeren is te vrijblijvend. Een sociale dienstplicht, zoals Pim Fortuyn wilde, bereikt alle jongeren, ook de sociaal zwakkeren. Weg met de 'alles kan en niets moet-mentaliteit'.

Pim Fortuyn was voorstander van een algemene dienstplicht voor jongeren rond de 18 jaar. Niet om de collectieve sector van goedkope arbeidskrachten te voorzien, maar met als doel 'het leren omgaan met mensen van verschillende sekse, geaardheid, sociale afkomst en etnische achtergrond. Dit alles ter voorbereiding op een volwaardige positie in de Nederlandse samenleving en met als oogmerk het Nederlanderschap inhoud te geven en de natievorming te verstevigen en op peil te houden'.

Fortuyn had met zijn sociale dienstplicht juist ook de jongeren voor ogen, die moeite hebben in de Nederlandse samenleving te integreren: voor hen 'zal de intensieve omgang met oorspronkelijk Nederlandse jongeren een belangrijk hulpmiddel blijken te zijn, waar geen cursus of overheidsbeleid tegenop kan'. En het omgekeerde geldt natuurlijk ook: Nederlandse jongeren leren omgaan met en begrip hebben voor jongeren uit andere culturen.

De minister van onderwijs begint een experiment met een vrijwillige maatschappelijk stage. In het verlengde daarvan is discussie ontstaan over de sociale dienstplicht. Maar zodra dat vermaledijde 'p'-woord valt, staat iedereen op z'n achterste benen. Want de samenleving zou eens de euvele moed hebben op zo'n 'dwangmatige' manier een beroep te doen op haar jonge medeburgers. Argumenten van hoogleraar jeugdcriminologie Junger-Tass als 'daarvoor is de samenleving niet meer te porren' zijn voorbeelden van verwerpelijke vormen van vrijblijvendheid, de 'alles kan en niets moet-mentaliteit', de politieke correctheid die ons land grote schade berokkent.

Moeten we dan maar met z'n allen machteloos toezien hoe het toenemende individualisme er uiteindelijk voor zorgt dat we straks inderdaad alleen nog maar aan onszelf denken en er niemand meer te porren is voor een beetje onbaatzuchtigheid, voor een zaterdagmiddag vrijwilligerswerk, voor het werken bij een ideële instelling? Schei toch uit! Niemand wordt er slechter van als hij zich een paar maanden of een jaar van zijn leven moet inzetten voor zijn medemens en de samenleving. Geen jongere wordt er slechter van als hij leert dat indien hij later wil profiteren van de goede dingen die diezelfde samenleving te bieden heeft, hij er ook aan moet bijdragen. En niet alleen omdat hem dat een vet salaris of een dikke auto oplevert, maar omdat onbaatzuchtigheid, medemenselijkheid en solidariteit met anderen juist de fundamenten van die samenleving vormen.

Waarden, normen en daarvan afgeleide regels over hoe we met elkaar omgaan, rechten en plichten: ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Volgens de LPF zou de sociale dienstplicht een maatschappelijk vormingsjaar moeten zijn, waarin jongeren verplicht een aantal maanden maatschappelijke dienstverlening verrichten. Dit kan in de laatste jaren van de middelbare school, tijdens de studie of aan het begin van de carrière in een aaneengesloten periode, of gedurende langere tijd op een bepaalde dag in de week. Door een steentje bij te dragen aan bijvoorbeeld de gezondheidszorg, ouderen- en gehandicaptenzorg, onderwijs, kinderopvang, musea of ideële instellingen zoals natuur- en milieuorganisaties krijgen jongeren maatschappelijke vorming en verantwoordelijkheidsbesef.

Initiatieven als het plan van onderwijsminister Van der Hoeven blijven helaas steken in vrijwilligheid en zijn daardoor halfslachtig. Toch zijn ze een stap in de goede richting en kunnen ze dienen als proeftuin voor de landelijke invoering van de sociale dienstplicht. Hautvast van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum merkt terecht op dat de maatschappelijke stage in vrijwillige vorm een elitaire aangelegenheid kan worden voor de kinderen van hoogopgeleide blanke ouders en juist niet de probleemjongeren bereikt voor wie zo'n stage zeer nuttig zou kunnen zijn (Trouw, 26 juli). Hautvast pleit terecht voor sancties op weigering.

Natuurlijk is het nogal wat, als er per jaar voor tienduizenden jongeren een stageplaats gevonden moet worden. Maar dat wil niet zeggen dat we er dan maar meteen van af moeten zien. Er moet ten eerste voldoende draagkracht zijn: in de politiek, in het onderwijs, in het bedrijfsleven en bij de maatschappelijke organisaties die hun medewerking moeten verlenen. Dat betekent dat er door de politiek flink in de sociale dienstplicht geïnvesteerd dient te worden. Geld dat echter ruimschoots kan worden terugverdiend doordat we een gezondere maatschappij krijgen waarin meer mensen meedoen. Ten tweede moet de overheid de centrale regie gaan voeren. Ten derde zullen de jongeren uit voldoende mogelijkheden moeten kunnen kiezen, die bij hun interesses passen en waarvoor zij gemotiveerd kunnen raken. Ten vierde zijn er nog tal van vragen die beantwoord moeten worden: hoe lang moet de dienstplicht duren, wanneer mag of moet je 'm vervullen, gaan we een stagevergoeding uitbetalen, gaan we sancties opleggen aan jongeren die hun sociale dienstplicht niet willen vervullen?

Kennis is soms aan bederf onderhevig, vorming blijft ons een heel leven lang bij. Daar plukken we als individu en als maatschappij de vruchten van. De sociale dienstplicht kan in die vorming een enorm belangrijke plaats innemen en moet zo snel mogelijk worden ingevoerd. Niet vrijwillig, maar -vanzelfsprekend- verplicht.

Deel dit artikel