Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Neoliberalisme: de ideale zondebok

Home

MAARTEN BOUDRY

Noem een probleem en er staat wel iemand op die zegt dat het de schuld is van 'het neoliberalisme'. Dat is de zondebok van nu geworden.

Nog nooit hebben we zoveel welvaart gekend, en toch zijn we nog nooit zo ongelukkig geweest. We worden ziek door prestatiedwang en concurrentiezucht. De dwang om te genieten maakt ons depressief, ontheemd en uitgeblust. De sociale weefsels ontbinden, onze identiteit vervaagt. De autoriteiten van weleer, bakens van sociale rust en identiteit, zijn ingeruild voor een kille en onpersoonlijke disciplinering. Onze jeugd is balorig en onhandelbaar. De crisis grijpt om zich heen, het aantal zelfmoorden stijgt. De psychiatrie dwingt ons in een keurslijf. De zwakken worden vertrappeld door de sterken, die ondertussen zelf massaal ten prooi vallen aan burn-outs en depressies: een waar darwinistisch inferno. Welke bok kan zoveel zonden torsen?

De neoliberale nachtmerrie.

Iemand die daar onlangs een boek over schreef, is Paul Verhaeghe. In 'Identiteit' rekent deze Gentse hoogleraar en psychoanalyticus af met de zwartkijkers en de zondebokdenkers. Onze tijd, zo lezen we, is een 'constante hoogmis voor onheilsprofeten en populistische politici', die graag een klaagzang aanheffen over de kwalen van de moderne maatschappij. Nostalgisch verwijlen zij bij een verleden waarin normen en waarden nog zegevierden, waarin er een hechte gemeenschap bestond en men respect had voor elkaar. Dergelijke zwartkijkers vinden altijd wel een zondebok, aldus Verhaeghe, om alle moderne euvels op af te wentelen. Naar aloude Joodse traditie wordt zo'n onschuldig offerdier overladen met alle zonden des volks en vervolgens de woestijn in gedreven.

Een duidelijke veroordeling van zondebokdenken en gemakzuchtig cultuurpessimisme, ik kan niet anders dan er volmondig mee instemmen. Toch klinkt de uithaal van Verhaeghe ironisch. Wie de rest van zijn betoog leest, zal met stijgende verbazing naar deze passage terugbladeren. Met dezelfde heftigheid waarmee Verhaeghe de vloer aanveegt met de cultuurpessimisten ('borreltafelpraat', 'kortzichtig'), heft hij in de rest van zijn boek een eindeloze jeremiade aan tegen de moderne samenleving. Verhaeghe is dan ook een levende paradox. Hoe onstuimiger hij zich afzet tegen de cultuurpessimisten, hoe meer hij zijn affiniteit met hen verraadt.

Van zijn betoog tegen het zondebokdenken is zijn eigen boek het meest sprekende voorbeeld dat ik de laatste tijd las.

De bok van dienst heet bij Verhaeghe 'neoliberalisme', een verwoestende ideologie die volgens hem is doorgedrongen tot in alle geledingen van de maatschappij. Maar wat houdt dat neoliberalisme precies in? Een duidelijk antwoord blijft Verhaeghe ons schuldig.

De vlag van het neoliberalisme dekt verschillende ladingen. Aanvankelijk betekende de term een gematigde en moderne vorm van het klassieke laissez faire-liberalisme. In de economie is het een losse verzameling van tradities en denkers, waaronder de Chicago-school van Milton Friedman, de Freiburg-school, en de Oostenrijkse school van onder anderen Friedrich von Hayek en Ludwig von Mises.

De pijlers van het neoliberalisme zijn individuele competitiviteit, vrije handel en decentralisatie. In de jaren tachtig werden deze ideeën deels in de praktijk omgezet door Margaret Thatcher en Ronald Reagan. Zij deden dat na een periode van sterke overheden en gecentraliseerde economie, die tegen het einde van de jaren zeventig tot stagnerende groei en hoge werkloosheid en inflatie hadden geleid. Nog later werd het neoliberalisme in verband gebracht met Tony Blair en Bill Clinton.

Dat waren weliswaar politieke tegenstrevers van Thatcher en Reagan (ze voeren een meer linkse en progressieve koers, sloten belangrijke vrijhandelsakkoorden en maakten de markt vrijer door regels af te schaffen. Deze deregulering leidde tot ongebreidelde speculatie en een gestaag groeiende financiële zeepbel, die uiteindelijk uiteenspatte in 2008-2009.

In het licht van de huidige economische crisis wordt met de term neoliberalisme meestal gedoeld op de uitwassen van een extreme vrijemarktideologie. Oppositie tegen het neoliberalisme komt zowel uit traditioneel linkse hoek als van populistisch rechts (Jean-Marie Le Pen in Frankrijk, wijlen Jörg Haider in Oostenrijk). Klassieke liberalen vinden het neoliberalisme dan weer een aberratie van het oorspronkelijke liberalisme, omdat het de vrije markt en de individuele competitie verheerlijkt ten koste van liberale grondwaarden als rechtvaardigheid en solidariteit.

Wie strijdt tegen het neoliberalisme, strijdt zonder tegenstander. In tegenstelling tot ideologieën als socialisme, nationalisme of zelfs libertarisme, kent het neoliberalisme tegenwoordig weinig zelfverklaarde aanhangers. Aan vijanden heeft het dan weer geen gebrek. De term heeft vandaag een onuitwisbaar negatieve bijklank. Een voorvoegsel als 'neo' suggereert in de regel een achterhaald gedachtengoed dat in een andere gedaante opduikt, of een verbastering van de oorspronkelijke en zuivere vorm. Denken we aan de 'neoconservatieven' George W. Bush en Dick Cheney, of aan de termen neodarwinisme in de biologie en neoclassicisme in de kunst, die aanvankelijk als schimpwoorden werden gemunt.

Neoliberalisme is dus oude wijn in nieuwe zakken. Of, zo u wil, verzuurde wijn in flessen met fraaie etiketten.

Hoe het ook zij, dat neoliberalisme is volgens Verhaeghe als een sluipend gif in onze samenleving binnengedrongen. Dat refrein weerklonk ook in 'De utopie van de vrije markt' van Hans Achterhuis, door onder andere Trouw uitgeroepen tot Nederlandse 'Denker des Vaderlands'. Achterhuis is de ontmaskeraar van 'de kapitalistische utopie in haar neoliberale vorm', zoals hij in Letter & Geest (3 april 2010) betoogde. Het extreme marktdenken lijkt in zijn aanpak sprekend op het communisme en is net zo gevaarlijk.

Misschien heeft u het zelf niet gemerkt (waar houden al die neoliberalen zich schuil?), maar we leven ondertussen in een door en door neoliberale samenleving, zo betogen deze schrijvers. In economisch opzicht is die stelling potsierlijk. Nederland zowel als België kennen een sterk uitgebouwde sociale zekerheid, een overheidsbeslag op het totale inkomen van het land van meer dan vijftig procent, en talloze mechanismen van sociale herverdeling. In de Verenigde Staten, waar geen noemenswaardige sociale zekerheid en herverdeling van rijkdom bestaat, zou men hartelijk lachen om die stelling. In de ogen van veel Republikeinse Amerikanen, die zweren bij vrije markt, individuele competitie en een minimale overheid, is ons systeem ronduit socialistisch (wat daar een scheldwoord is, bijna zo erg als 'communistisch').

Hoe breder de rug van de zondebok, hoe meer gewicht hij kan torsen. Bij Achterhuis heeft het neoliberalisme tenminste nog een duidelijk gelaat, al overdrijft hij de neoliberale tendensen binnen onze samenleving. Bij Verhaeghe komen economie en politiek slechts af en toe om de hoek loeren. Neoliberalisme is voor hem veelzijdiger en minder zichtbaar, een draak met vele koppen. Er bestaat een neiging, zo schreef de liberale verlichtingsdenker John Stuart Mill, om te geloven dat alles waaraan een naam wordt gegeven ook echt bestaat. Dat is de magie van taal.

In de handen van Verhaeghe is de term 'neoliberalisme' à la limite een vergaarbak voor al wat morrelt en mankeert aan de moderne tijd. Geen wonder dat Verhaeghes zondebok flink wat tegenstrijdigheden moet zeulen.

Het neoliberalisme omarmt volgens hem de illusie van de complete maakbaarheid van het individu, maar wil tegelijk terug naar een 'natuurstaat' waarin allen strijden met allen. Het cultiveert de 'slachtofferrol' en wil de mens van alle schuld vrijpleiten (het zit in mijn genen, ik kan er niks aan doen), maar stelt ons tegelijk geheel en al verantwoordelijk voor onze eigen daden en prestaties. Neoliberalisme staat voor een ongekend 'controlesysteem' en toch voor ziekmakende vrijheid. Het staat voor een mallemolen van 'voortdurende verandering' en sociale mobiliteit, maar tezelfdertijd voor een 'statische klassenmaatschappij' met een ongenaakbare elite. Onze neoliberale samenleving psychiatriseert criminelen maar criminaliseert geesteszieke mensen, vindt Verhaeghe. Waar gaat dat naartoe, meneer!

Voor wie met een hamer zwaait, ziet alles eruit als een spijker. Daarmee is niet gezegd dat Verhaeghe geen enkele kop slaat. Maar elke anekdote wordt uitvergroot tot een generalisatie over de hele samenleving. Een toonbeeld van dat soort nattevingerwerk is zijn argument dat loser tegenwoordig 'het voornaamste scheldwoord' op de speelplaats is. Ergo: het onderwijs is verziekt door neoliberalisme en prestatiedwang. Op hoeveel schoolpleinen heeft Verhaeghe zijn oor te luisteren gelegd, en over hoeveel generaties? Hoe weet hij dat het niet de zoveelste anglofiele modegril betreft? Heeft hij hetzelfde onderzoek gedaan voor woorden als sucker (populair in mijn tijd), sukkel, schlemiel (een 19de-eeuws Jiddisch woord), mislukkeling, slapjanus? Groepjes kinderen vormen van oudsher een sociale microcosmos, een soms harde leerschool voor wat hen in het volwassen leven te wachten staat. Wie denkt dat rivaliteit, pestgedrag en sociale pikorde bij kinderen creaties zijn van ons neoliberale bestel, lijdt vooral aan een slecht geheugen. Laten we pestgedrag aanpakken, maar laten we allereerst de juiste diagnose stellen.

Een ander oud zeer waarop Verhaeghe hamert, is dat welvaart niet noodzakelijk leidt tot geluk. Maar dat de westerse mens zich 'nog nooit zo slecht voelde', zoals hij stelt, is schromelijk overdreven, en wordt tegengesproken door internationale statistieken over geluk en tevredenheid. Zie het bericht in deze krant onlangs over het European Quality of Life Survey. Terechte kop: 'Geloof het of niet: we zijn gelukkig'.

Toch bestaat er een mismatch tussen welvaart en geluk. Een eerste verklaring is de wet van het dalende grensnut uit de economie: naarmate je rijkdom toeneemt, daalt het subjectieve surplus van nog meer rijkdom. De psychologische meerwaarde van een loonopslag van 200 euro is bijvoorbeeld veel groter als je 1500 euro verdient dan als je inkomen 4000 euro bedraagt. Miskenning van dergelijke effecten kan een bron zijn van ontgoocheling: vermeerderde welvaart brengt niet de verwachte gelukzaligheid met zich mee. Ten tweede weten we dat de koppeling tussen welvaart en geluk een sterke sociale component bezit. De Amerikaanse essayist H.L. Menckens gaf ooit de volgende definitie van rijkdom: "Elk inkomen dat ten minste honderd dollar per jaar meer bedraagt dan het inkomen van de man van de zus van je vrouw." We meten onze levensstandaard af aan die van buren, vrienden of collega's. Dat is geen uitvinding van het neoliberalisme, maar een onhebbelijke eigenschap van onze sociale diersoort: statuszucht stellen we ook vast bij primitieve samenlevingen. Grote inkomensongelijkheid leidt tot sociale onlusten en maakt mensen ongelukkig.

In vergelijking met dergelijke sobere hypothesen, gebaseerd op betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek, is het verhaal van Paul Verhaeghe over de afbrokkeling van identiteit, de teloorgang van autoriteit en de malaise van het neoliberalisme in het beste geval sterk overtrokken, en anderszins pure speculatie.

Een aanverwante zondebokin Verhaeghe's betoog is de DSM, het internationale handboek voor diagnoses van mentale stoornissen.

Die hangen samen met het neoliberalisme. Maar hoe? Enerzijds schrijft Verhaeghe dat de wildgroei aan nieuwe diagnostische etiketten enkel de sociale normen van het neoliberalisme weerspiegelt. Wie uit de pas loopt, geldt als 'geestesziek'. Anderzijds betoogt hij dat nieuwe ziekten veroorzaakt worden door het nieuwe ideologische bestel. En elders klinkt het dat mensen stoornissen ontwikkelen als ze 'te goed beantwoorden' aan het neoliberale ideaal.

Wat is het nu: maakt het neoliberalisme ons ziek, of serveert het gezonde mensen af als zieken? Zijn de nieuwe stoornissen afwijkingen van de nieuwe norm, of het 'ideaalbeeld' ervan? Een diagnostisch etiket, dixit Verhaeghe, laat mensen toe om hun schuldgevoel af te kopen en aan de neoliberale prestatiedwang te ontsnappen ('Mijn kind heeft ADHD, het kan er niets aan doen'). Veel soelaas biedt het volgens hem niet, want de harteloze neoliberale bovenklasse wijst hen toch met de vinger na. Maar wacht even, wie ontwierp al die nieuwe categorieën dan, wie drong ze aan de maatschappij op en past ze nu zo gretig toe? Het neoliberalisme natuurlijk! De zondebok bezwijkt onder zijn ballast.

Hoe dan ook is Verhaeghe's kritiek niet consequent: eerst laakt hij het gebruik van psychiatrische etiketten om afwijkend gedrag te brandmerken. Vervolgens zet hij zijn freudiaanse pet op en veroordeelt hij hele samenlevingen als narcistisch, dwangneurotisch of autistisch. Dan plakt hijzelf etiketten en spreekt hij over 'depressief genot', noemt hij het neoliberalisme 'bipolair' en stakingen een vorm van psychische 'zelfverminking'.

De litanie van Verhaeghe tegen zijn neoliberale zondebok is zo oeverloos dat ze volstrekt averechts werkt. Van de weeromstuit begon ik haast te vergeten dat ik sommige van Verhaeghe's bezorgdheden wel degelijk deel. Laat ons bijvoorbeeld de graaicultuur en hebzucht in het bankwezen aanpakken en de perverse koppeling van bonussen aan kortetermijndoelstellingen ongedaan maken. Laat ons de financiële markten voldoende in het gareel houden en de averechtse effecten van de publicatiecultuur in academia aanpakken. Laat ons waarschuwen voor roekeloos gebruik van medicijnen als Ritalin, (maar ook voor populistische antifarmaretoriek) en voor de slordige toepassing van diagnoses als ADHD. Al die problemen zijn reeel, maar hebben ze iets met elkaar te maken? De verleiding is groot om ze op de rug van eenzelfde zondebok te laden. Dat is eenvoudig en bespaart ons lastige nuances.

Bij elk nieuw boek van Paul Verhaeghe, psychoanalyticus van opleiding en obediëntie, deemstert Freud verder weg op de achtergrond. Toch kan de ondergaande zon een lange schaduw werpen. In 'Das Unbehagen in der Kultur' uit 1929 onthulde Freud waarom de moderne mens volgens hem ongelukkig is: zijn seksuele en agressieve driften worden voortdurend onderdrukt door de samenleving, die hem in een keurslijf van zedelijkheid dwingt. Anno 2012 zit de moderne mens nog steeds niet lekker in zijn vel, al is het biologisch determinisme van Freud niet langer modieus. Bij Verhaeghe maken ziekmakende driften plaats voor onzichtbare ideologische krachtenvelden, in de lijn van het heersende cultureel determinisme in academische kringen. O tempora, o mores!

Toch zijn de gelijkenissen met Freud opvallend. De illusie van inzicht lonkt, de analyticus begrijpt alles. Wie de patronen niet 'ziet', die is blind. Fascinerende maar ijle speculaties worden voorgesteld als doorwrochte inzichten. Hoe scherpzinniger de analyticus, hoe minder gegevens hij behoeft. De eigen sofa doet dienst als klinische staalkaart van de samenleving.

In al deze intellectuele denkgewoonten, maar ook in zijn vermoeiend cultuurpessimisme, toont Verhaeghe zich een ware erfgenaam van Freud. In de Bijbel stond het al: de zonden van de vaders worden overgedragen op de zonen. Of maken we van Paul Verhaeghe nu onze zondebok?

Deel dit artikel