Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nauwkeurig kijken en fijnproeven

Home

Rob Schouten

Bijna veertig jaar lang was

T. van Deel: De troost van de vorm. Trouw, Amsterdam. ISBN 9789070675660; 284 blz. euro 12. Uitsluitend te bestellen via www.trouw.nl/webshop (zie de bon op pagina 2)

Jarenlang, vanaf 1969, schreef T. (Tom) van Deel literaire recensies voor deze krant. Hij was wat je zou kunnen noemen de hofrecensent van Trouw, zijn wekelijkse stukken bepaalden het literair-kritische aanzien van de krant waarvan hij begin vorig jaar afscheid nam. Een dezer dagen ontvangt hij ter gelegenheid daarvan een boekwerk met een keuze uit zijn recensies, ’De troost van de vorm’ getiteld.

Toen Van Deel bij Trouw begon, was hij nog jong, halverwege de twintig en leraar op een middelbare school. In die tijd zwaaide J. van Doorne nog de scepter over de literaire kritiek in Trouw. Van Doorne was een recensent van de oude stempel, met vaak een moralistisch oordeel en soms een aanmaning voor de lezer. Met Van Deel stroomde een heel andere geest de krant binnen. Hier hadden we een academicus, neerlandicus, iemand van meer objectieve, zuiver-literaire normen: de enige moraal die hij misschien wel eens noemde, was de letterkundige moraal.

Hoewel Van Deel zichzelf, na zijn debuut in 1968 met de bundel ’Strafwerk’, ook als dichter had gemanifesteerd, schreef hij in de krant vooral over proza, over romans, verhalen en essays. Overigens was Trouw niet zijn enige podium, voor de Protestantse Stichting tot Bevordering van het Bibliotheekwezen en de Lectuurvoorlichting in Nederland schreef hij honderden, zo niet duizenden korte maar krachtige recensies.

Voor diezelfde stichting maakte hij een boekje ’Over recenseren’, beknopt en helder, waaruit ik citeer: „Recensenten zijn mensen die beweren speciaal gekwalificeerd te zijn om oordelen uit te spreken over de boekproduktie op speciale terreinen. Ze overzien dat terrein, ze weten wat er is geschreven en kunnen het nieuwe zonder veel moeite bezien in het licht van wat hun al vertrouwd is.

Die specialisatie is behalve een voordeel ook een gevaar, zeker wanneer de bespreking niet is bedoeld voor een vaktijdschrift, maar juist gericht is op gewone lezers, of op geïnteresseerden.

Wie zich kritisch uitspreekt over een boek doet dat weliswaar vanuit een grote deskundigheid op het terrein waarop de tekst zich beweegt, maar niet met verwaarlozing van zijn karakter.”

Een even simpel als transparant credo: de recensent schrijft met als gereedschap zijn kennis van zaken en zijn smaak. Voor Van Deel was het recensentenschap overigens bepaald geen bijbaantje, het hoorde helemaal bij zijn bezigheden, ook als wetenschappelijk medewerker van de vakgroep moderne Nederlandse letterkunde van de Universiteit van Amsterdam. Omgekeerd volgde men ook in de academische wereld zijn wekelijkse stukken.

Een van de opmerkelijkste eigenschappen van zijn kritische praktijk was dat hij niet alleen kritieken afleverde maar ook critici. Ik denk dat hij de enige recensent is die werkelijk school heeft gemaakt, door zijn jarenlange colleges over literaire kritiek maar ook door zijn ’gewone’ colleges waarin hij je als het ware nu eens goed leerde lezen. Talloze namen van zijn ’leerlingen’ bevolken en bevolkten de afgelopen jaren de kritische kolommen van kranten en tijdschriften, ik noem er maar wat, en er zijn er ongetwijfeld nog veel meer: Robert Anker, Peter de Boer, Guus Middag, Marjoleine de Vos – ik zelf behoor er ook toe.

Van oudsher bestaat er enige achterdocht ten aanzien van die combinatie neerlandicus-criticus. Schrijvers als Karel van het Reve en Maarten ’t Hart hebben zich er smalend over uitgelaten. Van Deel voelde zich aangesproken en heeft zich altijd verzet tegen het clichébeeld ’dat neerlandici met al hun op de universiteit geleerde kunstjes de benadering van literatuur verstikken’. Hij voelt zich ook als academicus veel meer een gedreven lezer dan een literatuurtheoreticus die met zijn kennis van zaken het ware leesgenot ook weleens torpedeert.

En als het dan toch om theorie gaat, Van Deel hield zich als boekbespreker graag bij de tekst, hij verschafte geen buitenliteraire weetjes of biografische anekdotes. Hij was iemand van de close reading en wat dat aangaat kun je hem als een nazaat van het gedachtengoed rond het tijdschrift Merlijn beschouwen: de tekst bepaalt de lezing. Niet de inhoud maar de vorm, de wijze van vertellen gaf voor hem de doorslag, de titel van zijn jongste essaybundel zegt wat dat betreft genoeg.

Zonder zijn leeswijze tot dogma te verheffen lijkt hij bij zijn lezers een soortgelijke houding aan te willen kweken. In een stuk over de schrijver A. Alberts bijvoorbeeld schrijft hij: „Men verkijkt zich gemakkelijk op deze manier van schrijven, die ogenschijnlijk saai, ongeciseleerd en zelfs ongevormd is. Sterke prikkels, op het vlak van de taal en van de gebeurtenissen, vermijdt Alberts over het algemeen en dat legt zijn lezers de verplichting op om aandacht te hebben voor details, voor de suggestiviteit van ook het allergewoonste. Wie Alberts wil lezen moet de moeite willen doen om nergens overheen te lezen.” Typisch Van Deel, die aandacht voor het kleine, haast onopgemerkte.

Als kritische lezer was hij een schoenmaker die zich bij voorkeur bij zijn leest hield, de Nederlandse letterkunde. Hij schreef wel eens over buitenlandse literatuur in vertaling, maar niet heel vaak. Ik zie in die terughoudendheid een karakteristieke schroom: teksten die hij meende niet helemaal te kunnen vatten of plaatsen, liet hij liever ongemoeid, hij wilde romans, essays, gedichten, volledig tot zich kunnen laten doordringen. Dus ook geen vogelvlucht, geen grote overzichtsstukken met panoramische blikken over het hele literaire landschap. De grote lijnen, die je noodgedwongen moet trekken om verbanden te zien, het veronachtzamen van individuele verschillen ten voordele van de globale overeenkomsten, met dat alles hield hij zich niet zo bezig. Hij is nu eenmaal een detaillist, een fijnproever. Dat merk je ook aan zijn uitgesproken voorkeuren, niet de grote publiekstrekkers maar schrijvers als Brakman en Krol, die hij met onverbiddelijke trouw jarenlang in de krant volgde.

Als recensent toonde Van Deel zich niet alleen wars van grove steken maar ook van geleerd vertoon. Ik heb altijd de indruk gehad dat hij betogen over fictionaliteit of narratologie, seizoensmodes van de literaire wetenschap, met opzet niet helemaal tot zich liet doordringen, als het ware om zijn oorspronkelijke leeservaring niet al te veel geweld aan te doen. Het is opmerkelijk dat in zijn boekje over het recenseren de naam van de bekende theoreticus Bourdieu bijvoorbeeld helemaal niet valt. Geen ingewikkeld taalgebruik, geen verwijzingen naar boeken waarvan je kunt vermoeden dat de lezer ze niet kent, geen vertoon van obscure weetjes. Met die houding bond hij veel lezers van Trouw aan zich.

De criticus Van Deel was trouwens zelf ook met enige regelmaat mikpunt van kritiek. En steeds draaide het daarbij om dezelfde vraag: of hij bevriende schrijvers voortrok, niet-bevriende schrijvers achterstelde.

Nog onlangs was het weer eens zover. Elsbeth Etty veroordeelde in een artikel ’Reden voor zuivere kritiek’ in NRC-Handelsblad de ’hartstochtelijke partijdigheid’ van critici als Van Deel en bepleitte een volstrekt onbevooroordeelde, objectieve kritiek. Waarop Carel Peeters zich in een reactie afvroeg: „Moet Tom van Deel zich op gezag van Etty nu gaan schamen omdat hij dertig jaar lang als een van de beste lezers van Nederland elke week ruimhartig over literatuur heeft geschreven, maar zijn voorkeuren niet achterhield?”

Van Deel schreef graag over schrijvers van wie hij intens houdt en die door de aard van hun werk en hun gedachten ook zijn vrienden zijn (geworden). Zijn talent voor bewondering is nu eenmaal groot. Over die door sommigen gegispte contacten tussen Van Deel en de door hem besproken schrijvers schreef ook wetenschapsfilosoof Jaap van Heerden eens dat hij zich afvroeg waarom in de literaire kritiek niet geoorloofd is wat in de wetenschappelijke wereld wel mag: contact met anderen over de aard van het werk, volgens hem juist een prikkel tot inzicht en vooruitgang.

Van Deel behoort, samen met critici als Carel Peeters en Jaap Goedegebuure, tot een generatie recensenten, die zich niet laat meeslepen door de toenemende commercialisering van de literatuur, de macht van de verkoopcijfers, van ‘human interest’, van de media die een goedbekkende schrijver wensen. Misschien wel een uitstervende generatie.

De literaire markt is de jaren sterk veranderd en dat heeft ook zijn weerslag gehad op de literaire kritiek. Gezaghebbende hofrecensenten zijn uit de mode geraakt. Andersoortige oordelen, in snelle tv-programma’s, van ongelouterde lezers op internet, bedreigen de traditionele posities van de literaire criticus, die het van zijn literaire kennis van zaken, belezenheid en smaak moest hebben.

In het bepalen en ijken van literaire waarde lijkt de literaire kritiek tegenwoordig geen dominante rol meer te spelen. Dat zie je ook terug in het krimpen van de boekenbijlagen, waar overigens een toenemende productie van boeken tegenover staat. Die ontwikkeling vroeg, ook bij Trouw, om een nieuwe recenseerpraktijk, waarin de trouw die Van Deel ’zijn’ schrijvers betoonde, in het gedrang kwam. Dat moet voor Van Deel een reden zijn geweest zijn op te stappen: hij voelde zich bij de boekenpagina’s van zijn krant niet meer thuis.

Het verdwijnen van de kritische praktijk van Van Deel is misschien onvermijdelijk, maar stemt wel enigszins weemoedig. Alsof er iets uit het zicht raakt.

Deel dit artikel