Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Monument eindelijk erkenning voor ex-dwangarbeiders

Home

Van een onzer verslaggevers OVERLOON - Met een monument in het Nationaal oorlogs- en verzetsmuseum hebben de ex-dwangarbeiders naar hun gevoel erkenning gekregen als slachtoffers van de nazi-terreur.

Aan die erkenning heeft het in Nederland lang ontbroken. Feitelijk hebben ex-dwangarbeiders nog steeds last van een slecht imago: ze zouden vrijwillig voor de Duitse oorlogsindustrie zijn gaan werken of in ieder geval niet de moeite hebben genomen om onder te duiken en zich zo aan de Arbeitseinsatz te onttrekken. “Dwangarbeiders werden gezien als een soort lafaard. Je deed niet mee aan het verzet, maar je ging werken voor de bezetter. Dat werd gezien als een dolkstoot in de rug”, luidde de in veel kringen gangbare mening.

De feiten spreken andere taal. Van de 500 000 Nederlanders die als dwangarbeider in Duitsland hebben gewerkt, zijn er zo'n 30 000 omgekomen als gevolg van slechte huisvesting, ziekten, ongelukken en bombardementen.

Het gisteren in Overloon onthulde monument moet de gedachtenis levend houden aan deze groep, na de joden de grootste groep slachtoffers onder de burgerbevolking. “Weinigen realiseren zich dat de dwangarbeiders in Nederland tot een van de zwaarst getroffen groepen behoren. Het blijft ons verbazen dat onze vaderlandse geschiedenis na 1945 zo weinig aandacht heeft geschonken aan het fenomeen dwangarbeid, terwijl toch zo'n 25 tot 30 procent van de mannelijke beroepsbevolking tussen de 18 en 60 jaar (een aantal zelfs jonger dan 18 jaar) in die jaren door psychische druk dan wel lichamelijke dwang werd verstrooid over Europa”, aldus gisteren voorzitter A. Pontier van de Vereniging ex-Dwangarbeiders Nederland Tweede Wereldoorlog (VDN).

Het monument bestaat uit een beeldengroep van vijf in brons gegoten mannenfiguren, die ieder 100 000 dwangarbeiders symboliseren. Op een zwartgranieten plaat staat het laatste vers van het gedicht 'Herdenking' van ex-dwangarbeider Wim de Vries: “Straks gaan wij weer terug naar het heden. En hoe men 't wendt en keert of plooit: wij zullen veel moeten vergeven. Vergeten doen we echter nooit.”

Het zit de - pas in 1987 opgerichte - VDN en veel van haar leden dwars dat ex-dwangarbeiders nog steeds een goeddeels vergeten groep zijn. Als er al iets over wordt gezegd of geschreven, dan is het vaak negatief. Volgens historicus dr. A. J. van der Leeuw, oud-wetenschappelijk medewerker van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (Riod), is het gebruik van de etiketten goed en fout “in vele gevallen gewoon onzin. Het is maar de vraag wie er voor de Duitse bewapening meer hebben gepresteerd: de arbeiders die hier bleven of zij die in Duitsland werden tewerkgesteld. De Nederlandse industrie heeft in de Tweede Wereldoorlog voor 13 miljard gulden aan Duitsland geleverd. Naar huidig prijspeil zou dat tussen de 150 en 180 miljard zijn.”

Van der Leeuw rekende ook af met de 'legende' dat mannen vrijwillig naar Duitsland zouden zijn vertrokken tot de tewerkstelling in maart 1942 verplicht werd. Formeel klopt dat, maar materieel was er in de periode 1940-1942 zelfs sprake van een grotere druk. Wie weigerde in Duitsland te gaan werken, werd uitgesloten van elke vorm van financiële ondersteuning. Dat gold zelfs voor vaders wiens zoon zich aan de tewerkstelling onttrok. Bovendien was de heersende moraal in de eerste oorlogsjaren (met een hoge werkloosheid in Nederland) dat werken en zelf je brood verdienen altijd beter was dan niets doen en 'van de steun trekken'.

Door de oorlogsinspanningen van de Nederlandse industrie en landbouw was de werkloosheid in 1942 zodanig teruggelopen dat de Duitsers ook arbeiders mét werk gingen oproepen voor de Arbeitseinsatz. Het totaal aantal Nederlandse dwangarbeiders in Duitsland liep met 150 000 op naar in totaal 363 000.

Eind 1942 kwam pas georganiseerd verzet tegen de tewerkstelling op gang. Het fameuze 'onderduiken' (op een geheime schuilplaats verborgen houden van mannen die naar Duitsland moesten) nam na de meistaking van 1943 een hoge vlucht. Naar schatting tussen de 200 000 en 300 000 mannen doken onder. Tegelijk nam ook het aantal dwangarbeiders toe tot 511 000. Vanwege het massale verzet en zeker ook het Duitse belang bij de voortgang van de Nederlandse industrie groeide dat aantal in 1944 aanvankelijk nauwelijks.

Met de bevrijding van Limburg, najaar 1944 raakten de Nederlandse fabrieken verstoken van kolen en vielen stil. De Duitsers hoefden daarom minder 'zuinig' te zijn op Nederlandse arbeiders en pakken bij grote razzia's in Rotterdam in twee dagen tijd 50 000 mannen op.

De terugkeer was voor veel dwangarbeiders een enorme kater. Directe familieleden waren uiteraard blij om hun vader, broer of zoon heelhuids terug te zien, maar daarbuiten was er weinig sympathie voor de dwangarbeiders, om wie een 'schijn van halve collaboratie' hing. J. Kooistra, journalist bij het Friesch Dagblad: “De houding was: je moet niet zeuren, wij hebben honger geleden en bombardementen meegemaakt. Jullie zijn vrijwillig naar Duitsland gegaan, komen terug en gaan dan nog eens zeuren hoe moeilijk jullie het hebben.” Bovendien eisten de wederopbouw en de uitzending van Nederlandse soldaten naar Nederlands-Indië direct na de Tweede Wereldoorlog veel aandacht op.

Historicus Van der Leeuw schrijft de anti-houding jegens dwangarbeiders mede toe aan 'ons aller slechte geweten': het verzet tegen de tewerkstelling is pas laat op gang gekomen en dan vaak ook nog uit bevoogdende motieven. De Arbeitseinsatz was “een van de grootste rampen die de nazi's over Nederland hebben gebracht en waartegen wij ons ondanks het bewonderenswaardige verzet slechts in betrekkelijk geringe mate effectief te weer hebben kunnen stellen.”

Deel dit artikel