Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Migranten, geestverwanten

Home

JULIE PHILLIPS

Hij bleek om de hoek te wonen, Halil Gür, een migrant net als zijzelf. De Amerikaanse schrijfster Julie Phillips ontmoet de Turkse schrijver. 'In Nederland ben ik herboren.'

Sommige reizigers komen ergens aan en weten direct: dit is het. Hier moet ik zijn. De een vindt elke andere stad dan New York te klein, de ander ontdekt dat hij diep in zijn hart Italiaan is. Weer anderen, met kouder, wateriger bloed, doen Nederland aan en beseffen dat ze hier thuishoren.

Toen schrijver Halil Gür in 1974 vanuit Istanbul als toerist aankwam in Amsterdam, had hij meteen een déjà vu. "Ik kende de straten, de grachten, de kerktorens. Nog steeds zijn de muren van de oude huizen voor mij als de bladzijden van een roman. Je kunt met deze stad een gesprek voeren."

Ik had Gür nooit eerder ontmoet, maar toen hij zijn straat beschreef in interviews, met een monumentale kerk aan het begin en een moskee (voorheen kerk) aan het einde, vermoedde ik dat we buurtgenoten waren. Ik las: "Amsterdam is mijn woning. Mijn eigen huis is slechts de woonkamer."

Ik werd nieuwsgierig, wilde weten of hij en ik, twee buitenlandse schrijvers in dezelfde straat, iets gemeen hadden. Twee nationaliteiten die vaak in clichés worden beschreven: hij Turks, ik Amerikaans. Bovendien twee groepen die zelden met elkaar in contact komen. Als wij ons hier allebei thuis voelden, wat zou dat zeggen over ons besef van 'thuis'?

Gür is een kleine, innemende man met warme, donkere ogen. Het lange haar en de snor van de knappe Turkse hippie die destijds naar Nederland trok, zijn verdwenen. Hij is kalend, ouder, bedachtzaam. De eerste keer dat ik bij hem thuis kom, biedt hij me thee aan en Turkse koekjes, 'amuletten', een specialiteit uit zijn geboortestad Gaziantep. Bij mijn tweede bezoek krijg ik thee en deventerkoek, een cadeau van de openbare bibliotheek uit die stad, waar hij net een lezing heeft gegeven.

Hoewel het midden op de dag is, branden er kaarsen op de kleine tafel, tussen ordelijke stapels papier en brieven. Gür doet niet aan e-mail.

Hij woont alleen, driehoog, in een nieuwbouwwoning van begin jaren negentig, toen sociale woningbouw in het centrum van Amsterdam vooral bestemd was voor alleenstaande stadsbewoners. Zijn kleine woonkamer is vol boeken, de meeste in het Turks, in koffers mee teruggebracht van bezoeken aan zijn geboorteland. Ik kan de titels niet lezen, maar herken wel de namen van schrijvers: Dante, Stendhal, Tolstoj, Woolf, Sartre, Susan Sontag, Mark Twain.

Gür schrijft in het Turks, maar zijn boeken verschijnen alleen in het Nederlands, tegenwoordig vertaald door Marc Grobbink. Een ereplaats in de kast is er voor het woordenboek Nederlands-Turks, waar hij lang op heeft moeten wachten. Het bestaat pas een jaar of tien.

Op een laag kastje staat een ingelijste foto, niet lang geleden in Amsterdam genomen, van Gür met een oud-studiegenoot, Orhan Pamuk. Ze studeerden allebei architectuur in Istanbul, al kenden ze elkaar niet goed.

Pamuk komt uit een bourgeoisfamilie, Gür was een van de negen kinderen van een plattelandsdokter die vaak niet eens de huur kon betalen. Pamuk verruilde uiteindelijk de architectuur voor de journalistiek, terwijl Gür door geldgebrek gedwongen was zijn studie op te geven.

Halil Gür (1951) debuteerde in 1984 met 'Gekke Mustafa en andere verhalen'.

Daarin schreef hij over migranten met een onbestendig bestaan, die vreemden waren in Nederland en dat vaak ook al waren in hun moederland. Hun onzekere economische positie droeg bij aan hun marginaliteit. De manier waarop Gür hen schetste, heel kort, benadrukte hoe gefragmenteerd hun levens waren.

'Gekke Mustafa' werd ontvangen als document van de immigrantenervaring. Maar naarmate Gürs eigen verblijf in Nederland bestendiger werd, veranderde zijn schrijven. Hoe meer hij ingeburgerd raakte, hoe onconventioneler zijn boeken werden. Het leek alsof hij weigerde deel uit te maken van een groep, alsof hij vastbesloten was om zijn eigen individualiteit te benadrukken. In plaats van zijn lezers een politiek of sociaal verslag te geven van de lotgevallen van de migrant, zocht hij het meer en meer in spirituele metaforen voor de ontheemding van het individu. Het gaat hem om het karma van de immigrant.

Zijn debuut, legt Halil Gür mij uit, was "aards, fysiek, rechttoe rechtaan". Later liet hij zich steeds meer inspireren door een mysticisme dat volgens hem deel uitmaakt van zijn Turkse afkomst.

In het onlangs verschenen 'De babykamer', zijn eerste verhalenbundel in elf jaar, spelen magie en raadsels een grote rol. Hij voert bijvoorbeeld een Iraanse vluchteling op die in zijn land is gevangengezet en gemarteld, en die sindsdien leeft 'in innerlijke ballingschap', 'in de schaduw van zijn herinneringen'. De man komt terecht bij een Nederlandse psychiater met alternatieve behandelmethoden, die hem door een reeks visioenen leidt waarin engelen hem helpen zijn geestelijke wonden te genezen.

Gür vertelt dat zijn verhuizing naar Nederland niet alleen een geografische verplaatsing was. "Het was een innerlijke reis, een duik in mijn eigen binnenwereld." De titel van zijn jongste boek komt van een idee dat hij in interviews al vaak noemde: "Een onbekend land kom je altijd als pasgeboren baby binnen. In Nederland ben ik herboren als schrijver."

Schrijven en reizen zijn verwante roepingen, en beide zijn dikwijls het product van een rusteloze kindertijd. Gürs familie is 'duizend keer' verhuisd in en rond Gaziantep. Op zomernachten, wanneer de hele familie vanwege de hitte op het dak sliep, keek hij vaak omhoog naar de sterren en droomde van andere werelden. "Ik wilde altijd ergens anders zijn. Ik voelde me eenzaam, als een buitenaards wezen. Verlangen en heimwee geven het leven betekenis. Heimwee is niet alleen voor migranten, het is universeel."

Toen Gür een tiener was, eind jaren zestig, werd Gaziantep een tussenstop op de Hippie Trail, de reisroute over land naar India en Nepal. Gür was niet weg te slaan bij de westerse reizigers. "Een keer zeiden de buren tegen mijn moeder dat ze mij met twee blonde meisjes gezien hadden. Mijn moeder schrok. Ik moest uitleggen dat het jongens waren. Hun verhalen maakten me nog nieuwsgieriger naar de andere kant van de wereld." Later, toen hij zijn studie aan de universiteit had afgebroken, werkte hij als gids op het beroemde Sultan Ahmetplein in Istanbul, waar hij toeristen rondleidde in de Blauwe Moskee.

Hij vertrok naar Amsterdam omdat hij de Nederlanders die hij was tegengekomen sympathiek vond; hun openheid en nieuwsgierigheid spraken hem aan. Omdat hij gids was geweest, kende hij Engels, waardoor hij direct al met Nederlanders kon praten. In de eerste maanden liftte hij heel Nederland door om het land te leren kennen. "Ik werd omhelsd. Ik werd overal welkom geheten. Mensen nodigden mij uit om binnen te komen, om bij hen te logeren. Ze zeiden: 'Halil, ons land is klein, maar we hebben vier grote ramen die openstaan naar de buitenwereld'."

Als heimwee de ondertoon van Gürs leven is, dan zijn toevalligheden en onverwachte ontmoetingen het refrein. "De eerste keer dat ik naar Nederland ging, haalde een man van de douane op Schiphol me uit de rij en begon me allerlei rare vragen te stellen. Ik had maar vijftig gulden op zak, en hij vertrouwde het niet. Maar ik herkende hem. Een week daarvoor had ik hem op de binnenplaats van de Blauwe Moskee zien rondlopen. Het was april, het was warm, hij leunde tegen een pilaar met zijn gezicht naar de zon. We raakten kort in gesprek. Toen ik dat noemde, mocht ik doorlopen."

Midden in ons gesprek gaat de telefoon. Aan de lijn is een vrouw die Gür vijftien jaar geleden ontmoette bij een lezing in Alkmaar, bij de presentatie van zijn boek 'Een steen aan een draadje'.

Hij had haar toen advies gegeven, kennelijk de juiste dingen gezegd, want nu, na al die jaren, belt ze weer, om hem om raad te vragen. Ga de deur uit, beveelt hij haar aan. "Zoek een antwoord onder de mensen."

Hij vertelt dat hij wordt geïnterviewd door iemand van Trouw, en ze zegt dat haar neef daar redacteur is. Dit moet iets betekenen, stellen we vast.

Nu de 'ramen van Nederland' iets minder wijd open staan, is Gür zelf misschien meer naar binnen gekeerd. Een paar jaar geleden beleefde hij een openbaring over zijn gevoelens voor Amsterdam, een ervaring die hij beschrijft in het laatste verhaal in 'De babykamer'.

De hoofdpersoon, die geplaagd wordt door nachtmerries en zich verloren voelt, belandt via een reeks toevallige ontmoetingen bij een waarzegster. Zij laat hem zien dat hij in een eerder leven een rijke handelaar in specerijen was, zoon van een grondlegger van de VOC, met een pand aan de Herengracht. Als boetedoening voor zijn vroegere leven als koloniale uitbuiter moest hij terugkeren naar Amsterdam als gekleurde migrant.

Gür wil nog steeds een gids zijn, maar niet meer op het gebied van historische architectuur of de multiculturele ervaring. Hij wil mensen helpen de spirituele wereld te ontdekken. "Ik ben me bewuster geworden van mijn eigen rol in deze samenleving", zegt hij, wijzend op een portret aan de muur van Spinoza, boven dat van Pamuk. "Spinoza is een lichtdrager, en zo zie ik mijzelf ook. Als schrijver en dichter ben ik een vuurtoren, ik loods mensen als schepen bij slecht weer veilig de haven in."

Aan de wand heeft hij een soort eregalerij van zijn helden gemaakt. Sommigen (Gandhi, Harry Mulisch) herken ik, anderen niet. Simon Carmiggelt hangt er omdat Gür wel eens de Turkse Carmiggelt werd genoemd. Gür voelt zich sterk verbonden met de Nederlandse literaire wereld: "Thea Beckman schreef het voorwoord voor een van mijn boeken, ik heb met Jan Wolkers koffie gedronken en op een literaire avond naast Mulisch gezeten."

En die ansichtkaart, is dat Brigitte Bardot? Nee, het is haar Turkse tegenhanger, de actrice Filiz Ak¿n. Verderop een foto van Sylvia Willink in haar atelier. De dag nadat Gür in 1986 de net ingestelde E. du Perron-prijs had gewonnen, zei zij tegen hem dat ze zijn hoofd wilde beeldhouwen, "maar je moet eerst oud worden". Het beeld is nog niet gemaakt, maar de twee zijn sindsdien bevriend.

Ik zie een beeldje: de Halewijn-literatuurprijs van de stad Roermond.

Die ontving Gür in 1991. Een foto van een neef die in Istanbul op straat werd vermoord om zijn mobieltje, een gebeurtenis die deels terechtkwam in een verhaal in 'De babykamer'. En op een ereplaats op tafel nog twee portretten.

Het ene is van Roemi, de dertiende-eeuwse Perzisch-Turkse soefimysticus. Het andere ('Herken je haar niet?') is Maria, afgebeeld als Vrouwe van alle Volkeren.

Gürs fans voelen vaak een persoonlijke band met de schrijver. Hun brieven en telefoontjes betekenen veel voor hem. Aan de muur hangt een zelfgetekend kaartje dat een vrouw hem stuurde, nadat hij had voorgedragen uit zijn dichtbundel 'Wakker het vuur niet aan'. Ze schreef: "U hebt wel degelijk iets in mijn hart ontstoken."

Halverwege ons tweede gesprek staat hij op om een gedicht voor te lezen. Het transformeert hem. Zijn nervositeit verdwijnt. Zijn stem wordt dieper en vult de kamer. Het wordt mij duidelijk waarom mensen op hem afstappen na een lezing, hem brieven sturen, hem jaren later ineens opbellen. Als hij voorleest, straalt hij zowel sereniteit als intensiteit uit.

Lange tijd zag hij zichzelf niet als verhalenverteller. Hij was schrijver, werkte op papier, droeg zijn 'kantoor' bij zich in een leren schoudertas en schreef in cafés.

Maar toen ontdekte hij de mondelinge traditie van het verhalen vertellen. "Een wereld ging voor mij open."

Hij werd een regelmatig bezoeker van het Iraanse theehuis en cultureel centrum Mezrab, toentertijd bij hem om de hoek. De jonge verhalenverteller Sahand Sahebdivani, die Gür kende van literaire optredens, was begonnen met het organiseren van vertelavonden in het café van zijn ouders - eerst in het Nederlands, later ook in het Engels. Mezrab werd een ontmoetingsplaats voor allerlei performers en een tweede huis voor Gür. Dit is misschien zijn echte gemeenschap, deze internationale clan van verhalenvertellers.

Zijn schrijfcarrière verloopt de laatste jaren moeizamer. Frustratie en verdriet over de toenemende polarisatie in Nederland vonden hun weg in zijn dichtbundel 'Stamppot voor iedereen' (2007). 'De babykamer' is (onder meer) een poging om iets te doen aan die verwijdering tussen mensen.

Maar tijdens het schrijven sloeg de twijfel toe. "Ik liep over straat en dacht: wie hoort mij? Is het nuttig wat ik doe?"

Toen hij na een van die eenzame wandelingen thuiskwam, stond er een bericht op zijn antwoordapparaat. Een vriend had hem gebeld vanuit de bossen van Nunspeet om te zeggen dat hij daar een bord had gezien, in een boom gehangen door Staatsbosbeheer, met daarop twee regels uit een gedicht van Gür: "De stenen zijn de botten van de aarde. Door de stenen kun je met Moeder Aarde spreken."

Zijn vriend zei: "Je wordt gehoord, Halil."

We staan voor het raam en kijken naar de Turkse pizzeria aan de overkant, de huiskamer van de straat. De uitbaters zijn vrienden van Gür, zij krijgen de sleutel van zijn brievenbus wanneer hij weg is. Hij kent de nonnen die boven de pizzeria wonen. Bij de kunstenaar op de begane grond om de hoek hangt een affiche van Gürs nieuwste boek voor het raam.

Zelf ben ik geen romanschrijver, geen mysticus. We zijn heel verschillende mensen, Halil Gür en ik. Maar toen ik uit zijn raam naar onze straat keek, naar de nalatenschap van al onze voorgangers, voelde ik een band. Beiden ontheemd en toch hier thuis.

Deel dit artikel