Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Midas Dekkers Tevreden met 't ouder worden

Home

COKKY VAN LIMPT

Met een nieuw boek, 'Rood', en een feestelijke bijeenkomst in het Amsterdamse theater Desmet viert Midas Dekkers morgen zijn 65ste verjaardag. Reden voor een gesprek met Nederlands bekendste en eigenzinnigste bioloog, tussen boeken, schedels en opgezette dieren in zijn imposante werkkamer. Over verval en vervulling, de last van het schrijverschap en de bekoring van roodharige vrouwen.

Eigenlijk, zegt Midas Dekkers, is hij een mislukte bioloog. "Want die vreugde van veel natuurliefhebbers, die helemaal opgewonden raken als ze in het bos een zeldzame soort zien - kijk, kijk, dáár, een gele dwarsfluiter - heb ik niet. Verder gaat het wel goed met me. Ik ben een binnenbioloog, vind het leuk om Darwinnetje te spelen, tussen mijn boekjes in mijn kamer. Het liefst zou ik nog op een cursus sigaren roken gaan, en de baard wil ook nog niet echt groeien, maar verder vind ik het echt het allerleukste om biologie te bedrijven zoals dat in de tijd van Darwin ging. Die victoriaanse heertjes in de negentiende eeuw gingen of gekke beesten fokken of wetenschap bedrijven, als hobby, voor hun plezier."

Aldus plezierig wetenschap bedrijvend heeft Midas Dekkers, zoals hij dat bescheiden noemt, 'een plankje vol geschreven', fictie en non-fictie, voor jong en oud. Veel over mens en dier maar ook over tegendraadse onderwerpen als de ongezondheid van sport ('Lichamelijke oefening') en de ergerlijke hobby van het 'houden' van kinderen ('De larf').

Op welk boek uit de lange rij met meer dan vijftig titels bent u het meest trots?
"Als er één reden voor mijn bestaan zou moeten worden aangewezen, dan is het wel 'De vergankelijkheid'." Dit boek, over de weg naar het levenseinde en de betekenis - verval of vervulling - die de ouderdomsfase voor een mens kan hebben, schreef Dekkers 'niet geheel toevallig', toen hij vijftig werd. "Op je vijftigste sta je, zoals ik het zie, qua mogelijkheden op het hoogtepunt van je leven. Vergelijk het met het bordes van een herenhuis, met aan weerskanten een trap. Langs de ene trap kijk je terug naar waar je vandaan komt en langs de andere zie je voor je uit de contouren al van wat je nog te wachten staat.

"Ik vroeg mij af hoe het zou zijn om de keuze te hebben tussen vooruit dat trappetje af te gaan tot je in het graf kiepert of weer terug te gaan naar die door veel mensen zo felbegeerde jeugd en weer net zo gelukkig te mogen worden als vroeger. Als je even doordenkt, dan begrijp je dat je één ding niet moet doen en dat is teruggaan. Want die jeugd was helemaal zo leuk niet. Denk aan al die jaren dat je opgesloten hebt gezeten op school zonder dat je iets had misdaan. Aan je babytijd, toen je met je eigen poep in een theedoek tegen je billen aan gebonden in volslagen machteloosheid in een wieg lag te krijsen. En aan al die verkeerde mensen met wie je in zee bent gegaan. Nee, wie naar zijn jeugd terugverlangt, heeft een slecht geheugen. De toekomst loopt heus wel slecht af maar kan onmogelijk zo slecht zijn als de weg die ik gekomen ben."

'De vergankelijkheid' is, zegt Dekkers, vooral ook een lofzang op de tweede helft van de weg. "De meeste mensen willen alleen maar alles wat nieuw is, wat opgaat en wat begint en willen van die tweede helft liever niets weten. Maar dat is natuurlijk net zo zot als wanneer je van een toneelstuk alleen de eerste helft wilt zien, omdat je bang bent dat na de tweede helft het toneelstuk afgelopen is."

'De vergankelijkheid' hebt u vijftien jaar geleden geschreven. Hoe ervaart u uw eigen verouderingsproces sindsdien?
"Tot nu toe ben ik heel tevreden met het ouder worden. De meeste mensen willen steeds veranderen: ze gaan op cursus, op yoga, naar een ver land, trekken andere kleren aan, kopen een nieuw huis of nemen een nieuwe vent. Terwijl je elk jaar gratis en voor niks al een ander iemand wordt.

"Ik word nu iemand van 65. Spannend, dat ben ik nog nooit geweest. Het gekke is dat de meeste mensen daar niet dankbaar voor zijn, maar steeds terugverlangen naar een vorig stadium.

"Mensen van 65 verlangen terug naar de tijd dat ze 55 waren. Maar toen hadden ze het ook niet naar hun zin, want toen wilden ze 45 zijn. Dan ben je dus altijd uit de pas en nooit tevreden. En zie ik mensen op straat lopen van wie ik denk: hé daar gaat weer iemand van 55 die zich net zolang heeft ondergesmeerd tot ie eruit zag als 45. Vergeefse aangelegenheid. Als je nou gewoon geniet van 55 zijn, als je het bent, dan hoef je daar op je 65ste niet meer naar terug te verlangen."

Maar ook zonder jonger te willen zijn, kan het bij verouderen horende lichamelijke verval toch confronterend zijn?
"Rimpels, slap vel en kwaaltjes horen er nu eenmaal bij. De filosofische vraag is of datgene wat de meeste mensen verval noemen niet eigenlijk vervulling is. Nu, in de lente, komen er overal bloemetjes, worden er lammetjes geboren. Maar dat is kinderspel. Alles moet dan nog beginnen. De overwaardering van de lente en jong zijn is een omkering van waarden. Ook het christelijk geloof doet daaraan mee: met Kerstmis wordt er uitbundig feestgevierd, voor een baby in een kribbe, als er nog niks gebeurd is. Maar wat doen we nu, met Pasen, als het eindelijk is volbracht? We eten een eitje en gaan naar de meubelboulevard.

"Bloemetjes in de lente komen er niet voor niks, die komen er juist voor de herfst, voor de vervulling van het vrucht dragen, laten vallen en opgelucht ademhalen. Die zo bejubelde lente is voor de natuur een verschrikking. Weer al die blaadjes moeten openvouwen en vogels die eieren komen leggen op je takken, al dat gesodemieter. Dat geldt ook voor mensen. Als je zo'n wurm in een wieg ziet liggen en bedenkt wat hem allemaal nog te wachten staat aan ellende: amandelen pellen, verstandskiezen trekken, ongelukkige huwelijken. Waarom gebeurt dat? Het enige doel daarvan is dat er dertig jaar later weer zo'n wurm in een wieg ligt."

Dat is de biologische kant, maar wat noemt u in een mensenleven dan vervulling?
"Vervulling kan zijn, hoe jij je leven ervaren hebt. Als je op je doodsbedje ligt en je denkt dat alles kapot is en een waardeloze zooi, dan lig je daar niet lekker. Maar als je het gevoel hebt dat je alles wat een mens zoal in zijn leven kan doen, wel zo ongeveer gedaan hebt, daar plezier aan hebt beleefd en andere mensen niet al te veel nadeel hebt berokkend, dan kun je dat als een vervulling ervaren. Mijn romantische gedachte over gelukkig doodgaan is dat je op een gegeven moment denkt: ik heb alles wel gedaan en bovendien, ik ben een beetje moe, ik denk dat ik maar eens ga zitten. En dat je, als je dan zit, denkt: ik ben toch meer moe dan ik dacht, ik ga maar eens even liggen, even de ogen toe."

Is uw schrijverschap vanzelf gegroeid of wist u al vroeg dat u schrijver wilde worden?
"Geen van beide. Ik ben het toevallig geworden. Op school had ik altijd zware onvoldoendes voor mijn opstellen en al net zo'n hekel aan schrijven als ik nu nog steeds heb. Schrijven vind ik echt verschrikkelijk. Wat zich daar allemaal afspeelt op mijn stoel achter mijn schrijfmachine wens ik mijn ergste vijand niet toe.

"Nee, schrijver zijn, dat is leuk, maar schrijven is voor mij echt verschrikkelijk."

Wat is het verschil?
"Schrijven bestaat uit een aantal fasen waarvan de eerste allemaal even leuk zijn. Het begint bijvoorbeeld zo: ik sta onder de douche, krijg een idee voor een boek, denk na het afdrogen nog steeds dat het een goed idee is en een week later nog. Dan komt het leukste: me inlezen op het onderwerp, overal boeken en kennis vandaan halen en dingen lezen die ik nog niet wist. Het allerleukste van die fase is dat ik iets wat ik nog niet wist, kan verbinden met iets wat ik al wel wist en dat er dan een vonkje overspringt tussen die twee. Daar kan ik heel erg gelukkig van worden.

"Dan ga ik een boekopzet maken en verschrikkelijk veel ijsberen, hier rondom deze tafel. Nog steeds allemaal leuk. Maar dan breekt toch het afschuwelijke moment aan waarop alles wat zich in mijn hoofd heeft verzameld als door een trechter met een te smalle tuit op papier gedwongen moet worden. Ik heb dan altijd het beeld van zo'n gans voor ogen, die geforceerd via een slang gevoederd wordt. Al die ideeën die ik heb verzameld moeten dan tot een smakelijk, samenhangend, uitdagend - of wat er nog meer op flapteksten staat - geheel worden gemaakt. Dat is scheppen en gaat van au, bij mij tenminste."

Waarom koos u dan toch het schrijverschap, als schrijven u zo zwaar valt?
"Op de universiteit stortte mijn beeld van de wetenschap geheel in. Ik was zo'n jongetje dat vond dat wetenschap, kennis het hoogst bereikbare was op de wereld. Dat vind ik nog steeds. Maar niet het soort wetenschap dat tegenwoordig op de universiteiten wordt onderwezen. Mijn romantische beeld van een geleerde is inderdaad Charles Darwin: een man met een baard die een beetje met zijn handen op zijn rug in zijn tuin rondkuiert, leest, op zoek gaat naar iemand, brieven schrijft naar mensen in het Hoetsjieboetsie oerwoud en dan na veel suffen en denken een gigantisch mooie wetenschapstheorie bouwt, waarin niet alleen de argumenten voor maar ook de argumenten tegen worden afgewogen.

"Tot het einde van de negentiende eeuw was het dik in orde, maar wat je nu ziet op de universiteiten is geen wetenschap maar een wedstrijd. Jantje verzamelt alle argumenten voor theorie A, waarna Pietje alle argumenten verzamelt voor theorie B. De manier om toch mijn ideaal van wetenschap vorm te geven, bleek schrijven te zijn. Als schrijver ben je de laatste kamergeleerde. Ik mag lezen wat al die niet-kamergeleerden, door microscopen loerend en door kijkertjes kijkend, aan deelkennis verzamelen. Dat kan ik hierbinnen lekker, glaasje jenever binnen handbereik, tot mij nemen. En zo kan ik toch mijn steentje aan de wetenschap bijdragen. Want ik heb sterk het vermoeden dat, louter door een wetenschappelijk probleem zorgvuldig te formuleren, je de oplossing ervan al een stuk naderbij brengt. Omdat ik voornamelijk popularisator ben, moet ik proberen een probleem voor gewone mensen verstaanbaar te maken en het leuke is dat een wetenschapper het dan ook begrijpt. Zo heb ik mijn niche gevonden. De eerste jaren schreef ik net zo slecht als in mijn opstellen voor school, maar door te beginnen als vertaler van populair-wetenschappelijke boeken en daarna twee jaar als redacteur mee te werken aan de grote Spectrumencyclopedie, heb ik het toch aardig onder de knie gekregen."

Na 27 jaar columns voor het populaire Vara-radioprogramma 'Vroege Vogels' is Midas Dekkers in 2007 als columnschrijver gestopt. "Ik vond het erg leuk om te doen, maar er is een enorme last van mijn schouders gevallen. Ik begin er ook niet opnieuw aan, want ik ben niet met die ene column gestopt om met een andere te beginnen. Als mensen na 27 jaar nog niet gehoord hebben wat ik te vertellen heb, moeten ze naar de oorarts en als ik het nu nog niet kwijt ben, dan zal ik het wel nooit meer kwijtraken. Dus doe ik enorm mijn best om de tijd die mij nog in mijn arbeidzame leven rest, eens af en toe wat anders te verzinnen. Zoals nu mijn nieuwe boekje 'Rood. Een bekoring', waarin ik eigenlijk niks anders doe dan roodharigheid bejubelen. Ik voel mij net een organist die, na jaren begrafenissen begeleiden, nu ineens alle registers van het kerkorgel mag opentrekken, omdat er een lekker jong stel is dat gaat trouwen. Eindelijk mag ik het jubelregister uittrekken en alle fluiten, harpen en trompetjes die er in mijn orgel zitten aan het juichen zetten. Dat is toch de lol van iedere schrijver, dat je alle registers op den duur bedient."

Was het daardoor ook gemakkelijker om dit boek te schrijven?
"Aanvankelijk dacht ik dat. Ik hou al heel lang van roodharige vrouwen, had er wel eens iets over gelezen en zag er velen meteen voor mijn geestesoog verschijnen, zowel uit het echte leven als uit de schilderijen van bijvoorbeeld de prerafaëlieten. Maar, zoals altijd, toen ik me er eenmaal instortte, bleek het toch weer een heel karwei om van de klaarliggende ingrediënten een mooi gebakje te maken."

Ook in de aanloop naar zijn verjaarsfeestje van morgen wordt Midas Dekkers nog getrakteerd op een heerlijke portie bekorende roodharigheid, zo valt op te maken uit het telefoongesprek waarvoor hij het interview onderbreekt. "Ik ben op de foto geweest met dertig heerlijke rode dames", zegt hij in de hoorn, er grinnikend aan toevoegend: "Maar ik ben eerst even bij de dokter geweest om mijn hart te laten controleren."

Wandert Jacobus Dekkers
(Haarlem, 22 april 1946)

...studeerde biologie in Amsterdam. De leden van het linkse studentenclubje waarbij hij zich aansloot, bedachten - ter markering van de nieuwe fase in hun leven - om allemaal een andere naam aan te nemen. Dekkers koos voor Midas, naar de boze wolf uit Donald Duck. "Ik ben de enige van de hele club die zijn nieuwe naam heeft gehouden."

Midas Dekkers werkte bij het Zoölogisch Museum, als vertaler en als redacteur bij Het Spectrum, tot schrijven zijn hoofdbezigheid werd.

Voor het Vara-radioprogramma Vroege Vogels las hij tussen 1980 en 2007 1250 columns, door uitgeverij Contact gebundeld in de cassette 'Alle beesten'. Voor de televisie maakte hij kinderprogramma's als Max Laadvermogen en Pootjes, en voor volwassenen de programma's Midas, Gefundenes Fressen en Eerste Druk.

Midas Dekkers heeft computer noch mobiele telefoon noch rijbewijs. Hij tikt op een typemachine, heeft een fax, een vaste telefoon, een brievenbus, en wandelt graag.

Bekende titels:

Lief dier. Over bestialiteit (1992)

De vergankelijkheid (1997)

De Larf (2002)

Lichamelijke oefening (2006)

De columnbundels Poot (2004), Poes (2004), Pets (2005) en Alle beesten (2009).

Deel dit artikel