Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

MICHAEL SCHUMACHER

Home

EVA VAN SCHAIK

'A dancer's tale'. Voor het zesde Holland Dance Festival dat van 4 tot 22 februari in drie Haagse theaters plaats vindt, kon artitiek directeur Samuel Wuersten geen treffender verzamelnaam verzinnen. Voor zijn programmering liet hij zich niet primair door de kwaliteit van de choreografieën leiden. Het gaat hem vooral om de uitvoerende dansers. Te lang zijn zij tot de rol van het monddode voetvolk veroordeeld.

Geen dans zonder dansers moet Wuersten (zelf ex-danser, docent, choreograaf) gedacht hebben. In het festival, met groepen uit Madrid, Berlijn, Tel Aviv, Philadelphia en een zwaar accent op het Nederlands Dans Theater 1, 2 en 3, zullen 222 dansers (32 nationaliteiten) even zovele beroepsmotivaties belichamen, en daarmee hun beleving van dans vertellen. Samen staan zij borg voor de grote differentiatie in de danswereld: van prima ballerina Sylvie Guillem tot asfalt dancers uit Philadelphia.

Het festival vraagt niet alleen om meer aandacht voor de individuele danser. Ook de publiekswaardering voor dans in het algemeen staat ter discussie. Binnen deze sector lijken de explosieve ontwikkelingen in de jaren zeventig en tachtig tot stilstand gekomen. Sterker, er lijkt een implosie gaande, waardoor de danshausse van destijds achteraf bezien het karakter van een hype krijgt. Het trendvolgende publiek dat op de creaties van Bausch, Butoh, Forsythe, de Keersmaeker, Kylian, Van Dantzig, Van Manen afstormde, wenst niet de vernieuwingen af te wachten die niet zo snel kunnen worden aangedragen. En toch is evident dat de huidige dansgeneratie nog met de verwerking van hun grensverleggende voorgangers bezig is. Daarom doen de interessantste vernieuwingen zich niet op choreografisch gebied voor, maar onder de dansers zelf.

Net als zijn collega Guy Gijpens van het Spring Dance Festival vraagt ook Wuersten om geduld. Hoe stil de roerige wateren van de theaterdans nu ogen, de dansers zelf zitten namelijk beslist niet stil. Net als in de andere podiumkunsten trekken meer en meer dansers als nomaden rond, onderweg korte stops makend bij verschillende productiehuizen. Enkelen aanvaarden dat freelancerschap noodgedwongen, maar voor de meesten is het een welbewuste keuze: alleen zo kunnen zijn hun eigen dansonderzoek zoveel mogelijk zelf sturen.

In de jaren tachtig werden dansers door hun choreografen met vreemde combinaties in reeds bestaande technische modellen geconfronteerd. Bausch koppelde expressionisme aan entertaiment, Forsythe paarde het formalisme van Balanchine en Cunningham aan de bewegingsleer van Von Laban, De Keersmaeker legde verband tussen repeterende minimale dans en expressionisme. Tegelijkertijd introduceerden de Japanse Butoh dansers het stuiptrekken. De doorbraak in diversiteit was explosief, maar leidde er wel toe dat de danspersoonlijkheden van toen zich op één mengvorm toelegden. Anno 1998 wensen hun opvolgers zich echter als onafhankelijke allrounder te manifesteren. Ook in de dans is de zapp-cultuur doorgedrongen.

Een sprekend voorbeeld van deze ontwikkeling is de Amerikaan Michael Schumacher (1962, Idaho), die in dit festival een spilfunctie kreeg toegekend. Schumacher zal niet alleen prima ballerina Sylvie Guillem bij de festival-opening flitsend weerwerk leveren, maar hij is ook als performing artist in een duet te zien dat Paul Selwyn Norton op hem en een andere ex-Forsythe danser in Nederland, Vitor Garcia, creëert. Bovendien is hij mede choreograaf van 'Grip', een voorstelling naar een concept van Mathilde Santingh en Anne Affourtit.

De in Amsterdam woonachtige Amerikaan is het prototype van de multi-inzetbare, door velen gevraagde danser, die zich voor geen gat laat vangen, voortdurend laverend tussen de uitersten in de hedendaagse danskunst. Ik ken geen danser die zoveel bewegingstechnieken zo soepel organisch in zijn lichaam op- en ondervangt. Tai chi, klassiek ballet, hip hop, postmoderne dans, jazz, contact improvisatie en noem maar op... Zo bescheiden en bleek hij buiten de studio of podia oogt, zo onwaarschijnlijk sensitief, sensueel en sensationeel verhaalt hij met zijn lichaam.

Michael Schumacher wist al vroeg “dat dans het ding was wat ik moest doen. Ik was heel fysiek ingesteld, altijd al geïnteresseerd in de manieren hoe iemand zich lichamelijk kan uitdrukken. Dans bood me de kans met mijn lichamelijkheid te spreken over spirituele en geestelijke emoties. Het was zo opwindend, als een natuurlijke drug, om op het toneel te staan.”

Na zijn opleiding aan de New York Juilliard School for the liberal arts vond hij werk in musicals. Hij merkte hoe de dansscene in New York ten prooi viel aan commercialisering en halverwege de jaren tachtig leegbloedde, dus ging hij in op het verzoek van een vriend om zijn geluk in Portugal te zoeken. Lang bleef de getrainde concertdancer, die regelmatig in creaties van Mark Haim en Twyla Tharp danste, niet bij het Compagnia di Lisboa, want in 1988 kwam hij, wederom via Amerikaanse vrienden, bij het Frankfurt Ballett onder Billy Forsythe. Vijf jaar zou hij er blijven, en de omslag in zijn motivaties onder ogen komen. De routine, de opgelegde groepsdiscipline en het geleefd en gedanst worden door het systeem van lange termijn planning zinden hem niet.

“Tharp en Forsythe deden veel aan improvisatie”, vertelt Schumacher, “maar zij gebruikten dat als een gereedschap om beweging te manipuleren, om hun choreografisch materiaal uit te breiden. Het was niet hun focus om ons op het toneel, dus in het now or never moment te laten improviseren. Twee jaar geleden leerde ik via Julien Hamilton en Kathy Duck wat improvisatie ook kon betekenen: fysiek reageren in de actuele gebeurtenis op het toneel zelf. Wat me daaraan zo opwindt is dat het mijn beweegredenen van vroeger terugbrengt, toen ik met dansen begon.”

“Veel mensen vragen me waarom ik naar Amsterdam kwam. Hier kan ik alle dingen doen die ik wil: zelf toneeldansen, doceren, improviseren. Ik word nu gevoed door dansers, door leven. In het begin leer je te bewegen, nu kan ik dat met leven integreren. In plaats van dat ik een spoor volg kan ik dans van allerlei invalshoeken onderzoeken. Ik zou niet weten waar eenzelfde dansklimaat bestaat. Het landschap en de mensen hier geven me meer evenwichtsgevoel. Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe verschillende bewegingstechnieken onderling en met andere kunsten verbonden zijn. De jaren tachtig lieten een explosie van verschillende vormen zien. Ik zoek naar de samenhang, welk effect heeft Tai Chi op ballet?”

In zijn eigen werk zoekt Schumacher naar het karakter van beweging en naar de beweging van een karakter. “Ik bedoel, elke beweging heeft ook een andere betekenis dan zijn mechaniek. Wat maakt een danser in de overdracht en verkenning van zijn materiaal zo specifiek? Hoe verhouden beweging en karakter zich tot elkaar? Ik ben zelf een danser, dus onderzoek ik wat elke danser te zeggen heeft. Wat me steeds meer fascineert is dat er in dans geen onderscheid is tussen dans en beweging.”

Dat de visuele images en stijlen die zich in deze eeuw gevormd hebben snel zullen veranderen, gelooft Schumacher niet. “Om economische redenen zijn ze gevestigd geraakt, waardoor clusters zijn ontstaan. Maar er is, helaas, te veel epigonisme. Mijn gevoel daarover? Vooral in de training moeten dansers tot meer diversiteit gestimuleerd worden. Ze leren nu teveel in aparte compartimentjes en integreren niet met andere kunstvormen.”

“Binnen de dans is een groot homogeniseringsproces gaande. Lang liep dans achter de mainstream aan; nu is die achterstand wel ingehaald. Ikzelf wil de multifunctions van het lichaam verder onderzoeken. Daarbij is het heel prettig dat ik mijn beroep bèn. Ik kan mijn werk doen, onafhankelijk, als mijn eigen baas over mijn eigen lichaam. Ook als ik ouder word zijn er voor mij andere dingen voor dans te doen. Ik heb geleerd van het plezier te genieten. De fysieke druk is met het ouder worden juist lichter geworden. Ik ben ook veel gezonder dan tien jaar terug. In mijn motivaties voltrok zich een kringloop. Vroeger had ik het publiek nodig om de behoeften van mijn lichaam te bevredigen. Zij motiveerden me om het te doen. Dat is nu niet meer zo: ik heb de dans meer in mezelf geïntegreerd.”

“Ik heb ondertussen met zoveel dansers gewerkt die choreograaf wilden worden. Voor mij bleef het dansgevoel primair. Ik wil de dansers in mijn proces betrekken, dus gaat het proces over hen. Het gaat er om samen een vorm te vinden die zij ook in zich hebben. In elke dansindividualiteit moet een spirit zijn die meer dan abstract is: meer menselijk. Vandaag zijn choreografieën soms bijna wetenschappelijke onderzoeken, verbazingwekkend en fenomenaal, alsof het gemanipuleerd wordt. Maar ik voel de danser niet meer. Voor mij is het abstractionisme nu wel ver genoeg gegaan. Uiteindelijk blijkt dat een danser niet virtueel gemaakt kan worden. Dat is prachtig.”

Bladerend door de brochure van het Holland Dance Festival valt zijn oog op een foto van een mannentorso met een mes erin. “Dat is wat de dans van nu nodig heeft! Basic, vulgar. Het mes moet in de esthetics. Dans moet meer gaan over 'hoe een danser te zijn': hoe zo divers mogelijk met de problemen van bewegingstechniek om te springen. We moeten van specialisme naar generalisme, om de mogelijkheden te verbreden. Culturele identiteit moet uit culturele diversiteit bestaan. Ja, nu weet ik het. A clash of civilisations ... met die botsing wil ik verder.”

Deel dit artikel