Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Micha Wertheim

Home

arjan visser

Micha Wertheim (Groningen, 1972) is cabaretier en columnist. In 2004 won hij zowel de jury- als de publieksprijs van het Leids Cabaret festival. Zijn voorstelling ’Micha Wertheim voor de grap’ is nog tot 10 maart in diverse theaters te zien.

Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Als ik troost zoek, of zingeving, probeer ik die te vinden door mezelf vragen te stellen en daar vervolgens weer antwoorden op te bedenken. Het klinkt misschien pedant, maar voor mij staat God, of godsdienst, gelijk aan kritisch denkvermogen. Je moet alles in twijfel trekken, zoeken naar de oplossingen waar je ’t langst mee vooruit kan tot ook die omvallen en dan weer verder zoeken.

Als religie niet een opgelegd dictaat is, maar iets wat keer op keer van alle kanten bekeken wordt, iets wat altijd in beweging is, dan kan ik daar goed mee leven. In Israël heb je een paar behoorlijk religieuze en tegelijkertijd vrijdenkende mensen, zoals bijvoorbeeld Abraham Burg en Yeshayahu Leibowitz. Leibowitz was een vrome man die een keppel droeg en sjabbat hield, maar hij was ook de filosoof die begreep dat zijn geloof een particuliere zaak was. Als je in een woestijn bent, moet je beslissen welke kant je op loopt. Als je de kant op gaat waar de meeste cactussen staan, is dat je richting. Zo schuilt er wel iets moois in religie. Je kiest ervoor je aan bepaalde wetten te houden; niet omdat je er per se in gelooft, maar omdat je nu eenmaal een weg door die woestijn moet zien te vinden.”

Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Vroeger begreep ik nooit waarom God, als Hij dan toch almachtig was, zo bang voor gesneden beelden moest zijn. Als je de allersterkste bent, wat kan zo’n beeldje je dan schelen? Maar sinds ik door Connie Breukhoven werd opgeroepen geld te geven voor de slachtoffers van een ramp, denk ik: misschien had God het toch wel goed gezien. Bekende Nederlanders die een moreel appèl op ons doen: het zijn de afgoden van deze tijd. Als je er wat langer over nadenkt is Vanessa letterlijk een gesneden beeld, en bovendien iemand die al jaren haar geld verdient met het snijden in andere mensen. Ik vind het doodeng. Scheringa, onze DSB-man, die in een telefoonpanel voor Haïti zit. Die man is een oplichter, of, als je het vriendelijker wil zeggen, een mislukte zakenman en toch is het kennelijk belangrijker om hém daar neer te zetten in plaats van, bijvoorbeeld, iemand die al jarenlang in de thuiszorg werkt. Alleen zijn bekendheid telt. Want dat is het signaal: doe wat de Bekende Nederlanders zeggen. De volgende stap is dat de Allerbekendste Nederlander de baas wordt en wij allemaal gaan doen wat de Allerbekendste Nederlander zegt.”

Gij zult de dag des heren heiligen

„Op mijn middelbare school hingen posters met een papagaai en de tekst ’Vloeken is aangeleerd, word geen naprater’. Daar heb ik, samen met een vriendje, ’Denken is aangeleerd, word geen nadenker’ onder geschreven.

Ik vind het goed als mensen ergens aanstoot aan nemen, maar het heeft volgens mij geen zin om je boos te maken op degene die shockeert of provoceert. Als ik Scheringa in het telefoonpanel zie zitten, kan ik zeggen: ’Schandelijk, wat een provocateur!’ maar ik kan ook naar mezelf kijken en me afvragen hoe het komt dat ik mij zo stoor om vervolgens tot de ontdekking te komen dat er een groot verschil is tussen mijn kijk op de wereld en die van Reinout Oerlemans, die Scheringa heeft uitgenodigd mee te doen aan zijn televisieprogramma.

Het idee dat ik provoceer, is ontstaan na die ene keer in 2008, toen het misging in Roermond. Ik had het lichtje van de spraakcomputer van een gehandicapte voor een cameraatje aangezien en daarna grappen over gehandicapten gemaakt. Een paar mensen hadden zich daar boos over gemaakt en vervolgens zo’n ophef gemaakt, dat ik de voorstelling niet kon afmaken. De programmeur, die er niet bij was geweest, besloot toen dat ik niet meer welkom was in Theater De Oranjerie. Ik zie mezelf helemaal niet als een provocateur. Je moet een grap ook in zijn context zien. Als ik zeg: ’Ik heb niet de pest aan alle gehandicapten, het gaat mij om een klein groepje kut-gehandicapten dat het voor de rest verpest’ dan hoop ik dat de mensen die mij horen, begrijpen dat in het Nederlands taalgebied de opmerking kut-dit of kut-dat een zekere geschiedenis heeft. Er was een bepaalde politicus die sprak over kut-Marokkanen, een uitdrukking die terugreep op een mopje over Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden gezegd dat de Duisters met hun rotpoten van onze rotjoden moesten afblijven. Die referentie viel bij hem weg, ook omdat hij het als politicus zei. Ik heb als cabaretier geen politieke ambities; ik kan het makkelijker zeggen. Ik heb er geen enkel belang bij om iemand te kwetsen. Degene die zich gekwetst voelt, kan zich beter afvragen hoe het komt dat hij die gevoelens heeft. Het lijkt me veel zinvoller om daar een antwoord op te vinden.”

Eer uw vader en uw moeder

„Ik ben opgevoed met challes, kip, twee kaarsjes en een wit tafellaken maar we aten zaterdagochtend wel gewoon weer eieren met spek. Ik kom uit de provincie, daar kende ik bijna geen andere joden. Toen ik in Amsterdam kwam, ontmoette ik joden die niet naar de synagoge gingen, geen baarden of keppels droegen, en tóch geen garnalen aten. Dat was iets nieuws. Sjabbat vieren was een traditie, een beetje zoals paaseitjes eten met Pasen. Zo lang een traditie geen verplichting wordt waar niet van mag worden afgeweken, kan het heel prettig zijn om af en toe hetzelfde te doen. Er zit veel schoonheid in routine. Dat is een onderwerp waar ik veel over nadenk. Mijn nieuwe voorstelling gaat heten ’Micha Wertheim voor de zoveelste keer’. Het leuke van een traditie is dat die zich vult met betekenis. Dat is ook wat er gebeurt met een canonieke tekst die door veel mensen wordt gelezen en van commentaar wordt voorzien; er wordt steeds meer in ontdekt. Ik ben erg voor herhaling. Ik vind herhaling een prettige manier om tot verdieping te komen. Ik geloof dat vernieuwing – zo lang het alleen een drang naar jonger en moderner is – vaak tot verschraling leidt. Ja, dat zou je, als je wil, in zekere zin kunnen zien als het lernen wat op de jeshiva’s wordt gedaan. Ik heb nooit op joodse school gezeten en ik weet ook niet of het lernen wat daar gebeurt nou altijd zo vruchtbaar is. Ik ben een jood, opgevoed met bepaalde joodse tradities maar laatst vroeg een interviewer mij: ’Wat jij doet, is dat nou joodse humor?’ Tja, alles wat ik doe is joods, dus ook grappen maken, maar ik ken heel veel joden die beslist niet grappig zijn. Sharon, om maar eens iemand te noemen, zou dan ook een joodse humorist moeten zijn, maar daar hoor je nooit iemand over. Ik wantrouw het positieve stereotype beeld, alsof je als jood op een of andere manier meer voorstelt dan een niet-jood. Ik herinner me een column van Stephan Sanders over de Gay Games. Hij zat in het stadion en dacht: eindelijk, iedereen homo! Tien minuten later was er van zijn enthousiasme niets meer over: wat doe ik hier eigenlijk? Ik heb helemaal niets met deze mensen”

„Wim Noordhoek, ooit mijn mentor bij het radioprogramma ’De Avonden’, attendeerde mij erop dat het eigenaardig was dat ik in mijn eindscriptie over Kafka – wiens werk doorregen is van de problematische relatie die hij met zijn ouders had – mijn vader en moeder bedank. Dat raakte mij wel. Later las ik Octavio Paz die het heeft over ’de traditie van de breuk’; we leven in een tijdsgewricht waarin breken de traditie is. Als je één ding met je ouders gemeen hebt, dan is het dat je met je ouders gebroken hebt – en dat schept weer een band. Mijn vader is een groot liefhebber van Kafka, mijn moeder gaf me het boek van Paz.

Je moet streven naar een volwaardige relatie met je ouders. Aan de ene kant zijn het de mensen met wie je heel lang in één huis woont, de mensen die bepaalden wat goed was en wat fout. Aan de andere kant zijn het ook gewoon een man en een vrouw die op een dag besloten dat het leuk zou zijn kinderen te krijgen; mensen die er geen idee van hadden hoe het allemaal uit zou pakken. Tussen die twee uitersten, de mythische en de echte ouders, schommel ik sinds mijn volwassenheid in. Als ik niet goed in mijn vel zit, val ik terug op de ouders van toen. Dan wil ik hun goedkeuring – die zij me natuurlijk ook niet meer zoals toen, in mijn jeugd, kunnen geven. Vroeger, als ik thuiskwam van school en ik had – ik noem maar wat – een slecht cijfer voor geschiedenis, dan deugde volgens hen de leraar niet. Zij waren het kompas. Het heeft een tijdje geduurd voordat ik de twijfel over mijn keuze – cabaret in plaats van promoveren – erkende als mijn eigen twijfel, niet de hunne. Zij hebben er altijd een blind vertrouwen in gehad dat hun kinderen de juiste keuzes maakten. Maar omdat de universiteit en het schrijverschap nu eenmaal meer aan bod kwamen bij ons thuis, klonk er altijd een stemmetje in mijn hoofd, dat zei dat ik eigenlijk iets anders had moeten doen. Het respect voor mijn ouders bestaat eruit te weten wanneer ik hen zie als het beeld dat ik van hen heb gemaakt en wanneer het gaat om mensen die gewoon hun leven leven, net als ik.”

Gij zult niet doden

„Ik ben tegen de doodstraf omdat ik vind dat de staat niet over dood of leven mag beslissen, maar ik ken genoeg mensen die ik de doodstraf gun. Wie? O, the usual suspects: mensen die slachtpartijen aanrichten of lustmoorden plegen. Ik weet niet of Demjanjuk de doodstraf verdient, maar ik heb weinig medelijden met die man. Ik vind het goed dat hij terechtstaat, maar ik weet niet of het nog voor voldoende genoegdoening zorgt rechtspraak is een zwaktebod; het komt altijd te laat. De Holocaust is een wond die voorlopig nog wel even door blijft etteren. Wat wil je dan dat er gebeurt als je zes miljoen mensen op industriële wijze afslacht? Mijn oma werd gevraagd haar herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog te vertellen voor het Spielberg-project (de Amerikaanse regisseur Steven Spielberg liet wereldwijd de getuigenissen van ongeveer 50.000 overlevenden van de Holocaust op video vastleggen, AV). Ze heeft er weken van wakker gelegen, maar het uiteindelijk toch gedaan omdat veel van de mensen uit haar verhalen het niet meer konden navertellen. Ik ben achteraf blij dat haar verhaal ergens wordt bewaard, maar tegelijkertijd vraag ik me af wat je ermee oplost. Aan het einde van mijn eerste theaterprogramma stelde ik daarom dat, met de kennis van nu, die hele Holocaust beter niet had kunnen gebeuren. Soms ben ik er ook wel klaar mee; ik zal het zoveelste oorlogsdagboek niet meer lezen.

Er is, naast de Bekende Nederlanders, nog een groep die ik wantrouw: slachtoffers. Mensen die zwelgen in het slachtofferschap. Het is een gewild consumptiegoed waar je snel sympathie mee scoort. Het heilige lijden. Maar als je écht een slachtoffer bent, is het je enige wens dat niet meer te zijn.”

Gij zult geen onkuisheid doen

„Verhalen over wie het met wie doet zijn op zich wel sappig, maar ik heb er totaal geen moreel oordeel over. Het gaat ook niemand wat aan of ik vreemdga of niet. Met wie ik het bed deel is toch geen publieke zaak? Het is een misverstand te denken dat ik dit vak ben gaan doen omdat ik graag wil dat iedereen alles over mij te weten komt. Als ik naar de wc ga, doe ik de deur dicht. Niet omdat ik wil ontkennen dat ik ook wel eens moet poepen, maar omdat ik me niet kan voorstellen dat iemand wil weten hoe mijn ontlasting eruit ziet. Ik geef een interview omdat ik na zes jaar cabaret maken nóg theaterdirecteurs tegenkom die zeggen nooit van me te hebben gehoord. Je moet soms de interesse van mensen proberen te prikkelen.”

Gij zult niet stelen

„Vroeger, als ik naar Albert Heijn ging, maar toch niets had gekocht, vroeg ik bij de kassa of ze van die rood met groen gevlochten tagliatelle hadden. ’Nee,’ zei zo’n meisje dan, ’die verkopen we niet.’ ’O, oké, dan kijk ik even verder.’ Waarop ik met het zweet op mijn voorhoofd de winkel verliet – zo bang was ik ergens van verdacht te worden. Ik ken jongens die moeiteloos een reep chocola stalen. Het hoort niet, maar ik heb nog altijd bewondering voor mensen die zoiets zomaar kunnen doen. De fout ingaan, immoreel zijn, vergissingen maken. Tuurlijk, ik maak genoeg vergissingen, maar diefstal bij daglicht? Durf ik niet. Ik zie het hele scenario voor me: gepakt worden, de schande, de schaamte. Daarom zou ik, denk ik, geen goede schrijver zijn: ik zou het hart er niet voor hebben om mijn personages zoiets aan te doen.”

Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Het is een mooi streven om altijd eerlijk te zijn, maar vaak heb je een leugen nodig om bij de waarheid te komen. Ook als je mensen niet te veel pijn wil doen, kan het soms nuttig zijn om te liegen. Zeggen waar het op staat? Ik weet het niet hoor ik ben er meer in geïnteresseerd te onderzoeken waar het in ieder geval níet op staat. Grappen maken over mijn eigen onvermogen, dat zie ik als mijn opdracht. Mijn talent is vrij beperkt, het is de kunst om daar eerlijk over te zijn. Het gaat niet vanzelf; ik zet mezelf steeds voor het blok. Als ik op het podium sta, móet ik wel. Angsten overwinnen Ik hou van reizen, maar zodra het vliegtuig in beweging komt, begin ik mijn begrafenis te regelen. Vroeger zei ik tegen mijn ouders: ’Ik ben net van de hoge duikplank gesprongen, hebben jullie het gezien?’ ’Nee,’ zeiden ze, ’doe het nog één keer voor ons.’ En dan deed ik het. Voor de eerste keer.”

Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Jaloezie is mij beslist niet vreemd, maar van binnen weet ik wel dat het er niets toe doet of een ander meer succes heeft dan ik. Prijzen, volle zalen: daar gaat het niet om. Ik probeer mezelf te verbeteren, transparanter te worden, efficiënter met taal, dingen onder woorden te brengen ja, dat vooral: als het me lukt om wat ik wil zeggen in een grap te vangen, is er even een moment van rust. Ik ben altijd bezig. Ik wil iets te doen hebben. Als ik een tentoonstelling bezoek, schrijf ik er het liefst een stukje over. Alleen maar rondlopen bevalt me minder. Kunst daagt me uit, cabaret geeft me voldoening. En wat er uit voortvloeit – applaus, roem – dat is pure ijdelheid.

Het blijft ambivalent: ik beweeg me in een groep, terwijl ik me als mens eenzaam voel. Ik wil dat de groep, het publiek, waardering heeft voor wat ik maak, maar wat ik maak komt voort uit het feit dat ik altijd het gevoel zal hebben dat ik niet begrepen word. Om tussen die twee een brug te slaan, kijk ik naar films en lees ik boeken, omdat ik daardoor het gevoel krijg niet de enige te zijn. Op het moment dat je inziet dat je niet alleen bent, maak je deel uit van een gemeenschap. De gemeenschap van eenzamen.”

Lees verder na de advertentie
Micha Wertheim: "Er is, naast de Bekende Nederlanders, nog een groep die ik wantrouw: mensen die zwelgen in het slachtofferschap." (MARK KOHN)



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie