Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Met de boer begon de ellende

Home

Bart Braun

Vetzucht, cariës, terrorisme, klimaatverandering en pandemieën zijn allemaal terug te voeren op het ontstaan van de landbouw. Antropoloog en geneticus Spencer Wells schreef er een pessimistisch boek over.

Zo’n tienduizend jaar geleden veranderde alles. De hoeveelheid mensen op aarde nam drastisch toe. Het soort eten dat ze binnenkregen werd anders en hun gezondheid ging er sterk op achteruit. De verandering was zo drastisch dat de sporen ervan nog steeds in ons DNA zijn terug te zien, laat Spencer Wells zien in ’De akkers van Pandora’. De titel verraadt al dat Wells niet onverdeeld enthousiast is over de opkomst van de landbouw en veeteelt.

Door de landbouw op te pakken heeft de mensheid allerlei ongeluk op de wereld losgelaten. Ziektes, religieus fundamentalisme en klimaatverandering hebben we te danken aan het feit dat we een bestaan als jager-verzamelaar opgaven om boer te worden.

Wells legt hoe dat zo is gekomen. De overstap van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt ligt namelijk niet voor de hand. De primitieve boeren waren veel ongezonder dan hun jagende tijdgenoten. Een jager-verzamelaar is daarnaast gemiddeld een uur of vijf per dag bezig met het verkrijgen van voedsel, terwijl de eerste boeren veel harder moesten werken voor de kost. Waarom begonnen we er dan ooit mee?

Het begin van de landbouw wordt toegeschreven aan de Natufiërs, een volk in het gebied rond de Eufraat en de Tigris dat archeologen aanduiden als de Vruchtbare Halvemaan. Daar groeide veel wilde tarwe, die zo makkelijk te verzamelen was dat de Natufiërs steeds grotere dorpen bouwden. „Als het dieet wordt aangevuld met noten en wild, moet een paar weken intensief verzamelen in het najaar voldoende opleveren om een gezin een jaar lang te voeden. Het leven was goed”, schrijft Wells. En toen veranderde het klimaat.

Er kwam een ijstijd op. Het werd kouder, en de tarwe groeide minder uitbundig. Terugkeer naar het oude nomadenbestaan lag niet meer voor de hand, want de Natufiërs hadden te veel geïnvesteerd in hun dorpen. Ergens, zo’n elf- tot twaalfduizend jaar geleden, moet een van hen het zat zijn geweest om steeds verder te lopen op zoek naar wild graan. Zij – naar alle waarschijnlijkheid was de eerste boer een boerin – plantte wat graankorrels dicht bij het dorp.

Ongeveer rond die tijd werd in Mexico de eerste maïs gecultiveerd, en in Zuid-China de eerste rijst. Telkens gebeurde het in populaties die door de klimaatverandering onder druk waren komen te staan. Ze gingen boeren omdat ze geen keuze hadden.

Toen de ijstijd voorbij was, stonden de landbouwers klaar om de aarde te veroveren. Maar de nieuwe landbouwwereld bracht ook nieuwe problemen met zich mee. Na de uitvinding van de landbouw volgde bij wijze van spreken de uitvinding van de tandartsboor. De menselijke biologie is namelijk nog steeds ingesteld op het diverse dieet van een jager-verzamelaar. Het koolhydraatrijke en overtollige landbouwersvoer zorgt voor gaatjes en voor onze steeds verder uitdijende buiken.

Het houden van dieren zorgt voor nog grotere gezondheidsproblemen, omdat hun ziektes op ons overspringen. Mazelen, TBC, pokken, griep en SARS – we danken ze aan het feit dat de mensheid dieren ging houden.

De ziektes konden niet voorkomen dat de landbouwers snel in aantal toenamen. Met de opkomst van grotere hoeveelheden mensen – die niet meer weg konden trekken als ze ruzie hadden – kwam ook de opkomst van de overheid. Het aantal goden verminderde sterk, tot er uiteindelijk maar eentje overbleef.

Tot zover is ’De akkers van Pandora’ een verdienstelijk populair-wetenschappelijk boek. Wells knoopt uiteenlopende disciplines als menselijke genetica, archeologie en de biologie van malariaparasieten aan elkaar. Hij vertilt zich evenwel als hij verdergaat. Ook de opkomst van religieus fundamentalisme en terrorisme, het gebruik van biotechnologie bij mensen en de dreigende klimaatverandering worden – slordig – opgehangen aan onze verre geschiedenis. Dat kan. Maar dat kunstje kan ook met onderwerpen William Shakespeare, antibiotica en chocolademousse.

Wells omschrijft zijn korte verblijf bij de jager-verzamelaarstam van de Hadzabe in Tanzania als „een rijk en afwisselend bestaan, waarin de zorgen en rommeligheid van het moderne bestaan wegsmolten. Op een merkwaardige manier voelde het alsof ik na een lange afwezigheid thuis was gekomen.” Over het moderne leven is hij een stuk pessimistischer: de wereld is dik, depressief, overbevolkt, overbevist, vergeven van de fundamentalisten en aan het opwarmen.

Simpelweg de ploegen laten staan is geen oplossing, dat weet hij zelf ook wel. De enige raad die hij wel geeft: ’We moeten minder willen.’ Dat zou zowel fundamentalisten als klimaatproblemen de wind uit de zeilen nemen.

Die simplistische oplossing staat in schril contrast met de grondigheid waarmee Wells de ontwikkelingsbiologie van de maïsplant bespreekt.

Spencer Wells is een prima schrijver van populair-wetenschappelijke boeken. Het is alleen jammer dat hij ook onheilsprofeet meent te moeten zijn.

Lees verder na de advertentie
Schoolplaat van J.H. Isings over de hunebedbouwers die rond 3300 voor Chr. in Nederland leefden. Zij waren al begonnen met landbouw, maar waren ook nog jagers/verzamelaars. De man rechts heeft met pijl en boog een wolf geschoten. ( COLLECTIE WOLTERS-NOORDHOFF )

Deel dit artikel