Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Menno's sporen nog te vinden in Gdansk en Siberië

Home

HANS NIEMANTSVERDRIET

De geboorte van Menno Simonsz vijfhonderd jaar geleden in januari 1496 had gevolgen die niet tot het Friese Witmarsum beperkt bleven. Op een aantal plaatsen in Siberië wordt tot op de dag van vandaag nog een soort Nederlands gesproken - er zijn daar nog gemeenschappen van mennonieten, volgelingen van deze doopsgezinde leider. In het Noordpoolse Gdansk, het vroegere Danzig, worden de oude kerkhoven van de mennonieten onder onkruid en struikgewas van vijftig jaar vandaan gehaald. Een reportage met nog een enkele 'plautdietsch' sprekende mennoniet werd eerder uitgezonden in twee radio-programma's van de VPRO in de serie 'Spoor terug'. Cassette-bandjes verkrijgbaar bij de omroep.

In Oost-Pruisen ontwikkelt Danzig zich in die tijd tot een belangrijke haven aan de Oostzee, waar veel handel wordt gedreven met Amsterdam. Via Danzig komt graan en hout uit Polen naar Holland, lakense stoffen, olie en zeep; 'koloniale waren' gaan de andere kant op. De Hanze-stad wordt in zijn groei belemmerd doordat de delta van de Weichsel zich moeilijk laat droogleggen. De Poolse koning, die het gebied net heeft veroverd op de Duitse Orde, wil het vruchtbaar maken en bebouwen. De mennonieten zijn daarvoor bij uitstek geschikt. Afkomstig als ze zijn uit Friesland en Noord-Holland hebben ze de nodige ervaring met inpolderen en bedijken. Was niet Leeghwater zelf mennoniet? En ze zijn harde en eerlijke werkers - een goed christen te zijn, en een goede boer, daar gaat het bij de mennonieten om.

De katholieke Poolse koning ziet de voordelen in van een tolerante opstelling tegenover zulke protestanten. Hij belooft ze vrijstelling van dienstplicht en andere gunsten, die zijn opvolgers telkens weer zullen bevestigen, vaak tegen plaatselijk verzet van naijverige Polen in. De mennonieten komen massaal naar de drassige Weichsel-monding. In het begin leven ze in lemen hutten half onder de grond. Tachtig procent van hen sterft het eerste jaar aan de moeraskoorts, maar het geboortecijfer is hoog genoeg om de verliezen op te vangen.

Arbeidzaam en sober

Voor alle protestantse richtingen geldt dat een arbeidzaam en sober bestaan direkt te maken heeft met de religieuze overtuiging - maar de manier waarop verschilt. In de doopsgezinde variant laat je zo zien dat je volgens je geweten leeft, en dus als wedergeborene kunt worden beschouwd. (Uitverkoren, zouden calvinisten zeggen, maar de 'dopersen' kennen de predestinatie niet.) Een volwassene die zelf oordeelt dat hij in die staat van genade verkeert, mag zich laten dopen en treedt daardoor toe tot de gemeente van Christus. Die gemeenschap moet zo zuiver zijn als de eerste christen-gemeenten, en voorzover mogelijk de contacten mijden met de zondige wereld.

Zo leven Menno Simonsz' aanhangers eeuwenlang in het noorden van Polen, in hun eigen gemeenschappen - waarvan er naar het zuiden toe steeds nieuwe bijkomen. Klaassen heten ze, en Friese, Wiebe, Harder of Van Dijck. Zij houden hun eigen (landbouw)cultuur in stand, en spreken hun eigen taal, het 'plautdietsch': zestiende eeuws Nederlands met Poolse en Duitse invloeden. Het klinkt nu nog het meest als een Gronings dialekt. De mennonieten maken er nooit meer dan drie procent uit van de bevolking, maar zó groot is hun invloed dat dit gebied 'Klein-Holland' wordt genoemd. Bloemen in de tuin, en kabouters, daar herken je de mennonieten-huizen aan.

Ze zijn veeboeren, daar is de grond het meest geschikt voor. Een zwartbonte koe heet in het Pools 'holendèrka', en 'Tilsiter', de bekende kaas uit Tilsit, is van de mennonieten. Nog steeds kun je je in Friesland wanen als je door het gebied trekt. Zo plat als een polder, sloten, wilgen, hier en daar nog een oude mennonietenwoning op een terp of op palen, een enkele molen in slechte staat.

Onderlinge hulp is een belangrijk principe in de mennonitische gemeenten. Een gemeenschap van enige omvang bouwt al gauw een opvangcentrum voor daklozen bij de kerk. Er is armenzorg, wezen worden in andere families opgenomen, er worden ziekenhuizen gebouwd. Iedere mennonitische gemeente is autonoom, en democratisch: beslissingen worden gemeenschappelijk genomen.

De gemeente-oudste is de voorganger, of 'vermaner' zoals hij bij de mennonieten heet. Soms werd iemand naar Franeker gestuurd voor een theologische opleiding, maar over de wenselijkheid daarvan verschillen de meningen. Men houdt contact met Hollandse geloofsgenoten.

Als een gedoopte herhaaldelijk zondigt kan hij (tijdelijk) in de ban worden gedaan, wat zijn sociale dood betekent. Binnen de gemeente mag dan niemand met hem praten, daarbuiten kent hij niemand. Een harde straf, over de al dan niet strikte toepassing waarvan de nodige conflicten rijzen. Ook de doopsgezinden kennen de gebruikelijke protestantse strijd over wat precies de ware leer is.

Vlamingen

Zo heb je de Friezen en de Vlamingen. De Vlamingen, die meer te lijden hadden gehad van Alva en de Spaanse Inquisitie, waren al eerder naar Friesland gekomen. Van daaruit trokken zij mee naar Pruisen. Overigens kan een Fries van de Vlaamse, en een Vlaming van de Friese gemeente lid worden. Het onderscheid wordt er steeds meer een van orthodoxie dan van afkomst. De Vlamingen zijn wat steiler in de leer. De vrouwen zitten er in de kerk apart. Daar wordt ook niet gezongen maar zit men tijdenlang stil in eigen contemplatie, totdat de preek begint - een traditie die natuurlijk ook voortkwam uit de noodzaak eertijds de kerkdiensten in het verborgene te houden. De Friezen zongen tenminste nog, zij het doorgaans zonder zoiets frivools als een orgel. En de vermaner mag er zitten en voorlezen, bij de Vlamingen moet hij staan en zo'n uur of drie, vier uit zijn hoofd preken. Verder waren de Vlamingen juist weer vrijzinniger dan de Friezen op het gebied van uiterlijk vertoon, kleding en contacten met 'de wereld'. De Friezen zijn boeren, de Vlamingen meer stadse mensen, iets hoger van stand.

De oude stad van Gdansk, en ook die van Elbing (Elblag), vertoont een opvallende gelijkenis met Amsterdam. Dat komt door mennonitische architecten, zoals de families Van Obbergen en Van den Blocke. De 'mennisten' blijven niet alleen boeren. Vaak sturen ze hun zoons naar Holland voor een opleiding (en om een vrouw). De Vlamingen brengen het 'passement-maken' mee naar Polen, het fijne Vlaamse borduurwerk. Maar in lang niet alle beroepen kunnen de mennonieten terecht. Zij krijgen tot 1800 geen stadsrechten in Danzig, en kunnen daardoor geen lid worden van een gilde. Handel drijven mogen ze alleen via Poolse tussenpersonen. Met mennonieten doet men trouwens gráág zaken, je kunt ze altijd op hun woord vertrouwen.

Vooral de Vlamingen worden schilders, en architecten. En brandewijnstokers. Zozeer zelfs, dat de begrippen 'mennist' en likeurstoker synoniem waren in achttiende eeuws Danzig; de enige Poolse uitzondering naast de 46 mennonitische likeurstokers stond dan ook bekend als 'de katholieke mennist', een contradictie van het zuiverste water. 'Danziger Goldwasser', de beroemdste mennonitische likeur, wordt al in de zestiende eeuw vervaardigd door Ambrosius Vermeulen uit Lier in Brabant. De drank wordt een geliefd exportprodukt waarvoor Ambrosius beloond wordt met burgerrechten in Danzig.

Het is een ironie van de geschiedenis dat mennonieten, die zelf niet drinken, in het likeurstoken hun geld en faam verdienen. Op dezelfde manier bewerkten de gildes door 'vreemdelingen' uit gangbare beroepen te houden dat de joden in de geldhandel terecht kwamen. Voor de mennonieten is het likeurstoken een veilig beroep: de geheime recepten zijn niet makkelijk na te maken. In andere beroepen als het passementmaken proberen Polen hun oude leermeesters uit het vak te stoten door er een gilde voor op te richten.

Rusland

Twee eeuwen na hun komst, aan het eind van de achttiende eeuw, keert het tij. Het gaat Danzig niet meer zo goed, en zoals altijd en overal raken 'vreemdelingen' dan minder welkom. Polen zelf houdt bij de 'Poolse delingen' op te bestaan. De Pruisische regering stelt het Duits op alle scholen verplicht. De mennonieten moeten als ieder ander in het leger; velen willen weg.

Tezelfdertijd ligt in Rusland veel nieuw veroverd land braak, dat keizerin Catherina II (1796) wil laten ontginnen. Ze stuurt haar agenten naar de mennonitische kerk van Danzig, en biedt goede voorwaarden: geloofsvrijheid, vrijstelling van dienstplicht en belastingontheffing. Veel mennonieten trekken daarop oostwaarts. De achterblijvers besluiten unaniem de Pruisische dienstplicht te aanvaarden, en zij verduitsen spoedig. Het plautdietsch verdwijnt, zelfs uit de liturgie.

De volgende twee eeuwen blijft de Nederlandse mennonieten-cultuur bewaard in Rusland, waar ze in eigen kolonies wonen. Eerst in de Oekraïne, later steeds verderop, in de Krim, de Kaukasus, tot in Siberië. Op den duur wonen ze langs alle grote rivieren van Rusland. Aanvankelijk krijgen ze het land gratis, later moeten ze het kopen. Dat is geen bezwaar, de mennonieten in Rusland worden rijke en grote boeren.

Maar in de tweede helft van de vorige eeuw worden de privileges van Catherina II ingetrokken. Zo moeten ook mennonieten in dienst en er volgt een eerste emigratie naar vooral Canada, maar ook naar de Verenigde Staten en Zuid-Amerika. De achterblijvers komen er met vervangende dienst in de bossen en in lazaretten vanaf, maar krijgen het niet makkelijk.

De Russische revolutie betekent voor de rijke boeren ('kulakken'), onder wie vele mennonieten, dat ze eerst door rondtrekkende bendes worden geplunderd en omgebracht; anderen komen in kolchozes terecht of vallen ten offer aan Stalins terreur. Er komt een tweede grote emigratiegolf naar het westen. Na 1929 mag geen mennoniet Rusland meer verlaten. Als in 1941 Duitsland Rusland binnenvalt deporteert Stalin hen naar Midden-Azië en Siberië (zij het natuurlijk in de verste verte niet naar de mennonitische dorpen die daar al waren, of zelfs maar bij elkaar).

Stalin dacht dat het Duitsers waren. Dat dacht vrijwel iedereen, nog steeds trouwens. Vaak lag de sympathie van de mennonieten ook meer aan de kant van de Duitsers dan bij de communisten. Hetzelfde geldt al helemaal voor de mennonieten in Polen van wie iedereen, zijzelf incluis, aannam dat ze Duitsers waren. En zo hadden ze zich ook gedragen. Na de oorlog zit er voor hen dan ook niets anders op dan vluchten of gedeporteerd worden.

Zo kwam aan vier eeuwen Nederlandse mennonieten-cultuur in Polen en Rusland een einde, op wat dorpen in Siberië na. Daar bestaat thans de neiging om als 'Wolgaduitsers' naar Duitsland te emigreren.

In het noorden van Polen is intussen weer belangstelling voor de sporen van de mennonitische aanwezigheid in het Weichsel-gebied en voor hun grote rol die zij eeuwenlang hebben gespeeld. De verwaarloosde en geplunderde kerkhoven worden gerestaureerd met hulp van doopsgezinde vrijwilligers uit Aalsmeer. Maar de Verenigde Friese en Vlaamse mennonietenkerk in Gdansk - net buiten de oude stadswallen, aan de voet van de Bisschopsberg - is niet van de mennonieten meer, maar van de Pinkstergemeente.

Deel dit artikel