Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Meister Eckhart / Stijgen naar het ongewone

Home

door Jan Oegema

De eigenzinnige Duitse mysticus Meister Eckhart had in onze tijd goed gedijd, is de overtuiging van Jan Oegema. „Met zijn persoonlijkheid en welbespraaktheid was hij moeiteloos tot een mediafenomeen uitgegroeid.”

In een serie essays wil Oegema nieuwe belangstelling wekken voor deze middeleeuwse kosmopoliet, vrouwenheld en vooral: onafhankelijke geest. Vandaag een eerste verkenning. ,,We moeten Eckhart tegemoet treden met de vrijheid waarmee hij zelf de christelijke en antieke bronnen tegemoet trad, met fantasie en het nodige zelfbewustzijn.”

Meister Eckhart is mij lief, al vraag ik me soms af waarom. Hij is niet een auteur die het je gemakkelijk maakt, die je iets comfortabels aanreikt. Zijn teksten zijn ingewikkeld, ze spreken de taal van een voorbije tijd. Ze vervelen soms, door de herhalingen, door de herderlijke toon. En ze maken je klein. Eckhart stelt eisen waaraan een gelovig mens amper kan voldoen, laat staan een halfgelovig. Eckhart is niet de man die je ego streelt, integendeel, hij confronteert je met je tekortkomingen. Eckhart lees je niet om tot rust te komen, al heeft hij bijzondere pagina’s geschreven over rust – wellicht omdat hij zelf zo’n rusteloos man was, ambitieus en prestigegevoelig, behept met een groot intellectueel ego.

Eckhart irriteert – misschien is dat wel de belangrijkste reden waarom ik van tijd tot tijd weer in zijn preken blader, buiten het feit dat hij wondermooi schrijft. Hij irriteert, omdat hij me een soort christendom wil aanpraten dat ik niet wil, terwijl ik er tegelijk de schoonheid van zie – evenals trouwens de vrijbuiterigheid, het anarchrisme. Hij irriteert omdat ik geen vat op hem krijg, hoewel dat meteen de reden is waarom hij mij blijft fascineren. Hij behoort tot de raadselachtige figuren van het christendom, meer nog, hij is een ’Schlüsselgestalt in der Geschichte des Menschen’, in de woorden van zijn sympathieke biograaf Kurt Ruh.

Als de curie te Avignon niet had ingegrepen, dan had alleen op basis van Eckharts geschriften een heel ander christendom kunnen ontstaan. Helaas was ook de curie een tikje te geïrriteerd; zij rook dwaalleer en ketterij. In 1329 sprak ze een vernietigend oordeel over hem uit, waarna hij tot aan de Duitse Romantiek in een onzalig niets verdween. Gelukkig bleef een groot deel van zijn teksten voor de vergetelheid behoed. En daarmee ook zijn geheim.

De andere Eckhart

Meister Eckhart lijkt alleen al door zijn naam verwant te zijn met Eckhart Tolle, ook een Duitser, ook een mysticus, maar dan uit de 20ste eeuw en goed voor grote oplagen. Beiden spreken over loslaten van het ik, afgescheidenheid, ledigheid van gemoed. Beiden zouden deze zin kunnen schrijven: „Ledig is een gemoed wanneer het door niets in de war wordt gebracht en aan niets is gebonden, wanneer het niet door bepaalde emoties wordt vertroebeld en in geen enkel opzicht met zichzelf bezig is.” Maar de volgende zin kan alleen van de Meister zijn: „Wanneer de afgescheidenheid haar hoogste graad heeft bereikt, wordt zij door te kennen kennisloos en door liefde liefdeloos en door licht duister.” Bij Eckhart Tolle is weinig duister, bij Meister Eckhart heel veel. Daarom verkoopt de uitgever van de eerste honderdduizend boeken per jaar, de uitgever van de tweede slechts duizend – als hij geluk heeft. Ik zou liever zien dat het andersom was, ik zou het de Meister graag gunnen.

Ik wil graag nieuwe interesse voor Meister Eckhart wekken, hopelijk zonder al te zeer in herhaling te vervallen. Wat je gewoonlijk over Eckhart leest bestaat vaak uit meer van hetzelfde; ik ken nauwelijks frisse, aanstekelijke essays over hem. Buiten de imposante hoeveelheid vakliteratuur om hebben de meeste stukken het karakter van een inleiding, uitleg, plaatsbepaling. Eckhart is zo ongewoon en ondoorgrondelijk dat praktisch elke auteur zich genoodzaakt ziet hem opnieuw te introduceren, hetgeen voornamelijk gebeurt door hem te citeren en de citaten van toelichting te voorzien.

Dapper en dartel

Over Eckhart schrijven is Eckhart citeren. Het is niet eenvoudig om in zijn nabijheid zélf het woord te nemen, tenminste, als je vanuit een zekere herkenning of verwantschap schrijft. Het enige dat we ons (als niet-specialisten) toestaan is herhalen, navertellen, waarbij we uit veiligheidsoverwegingen het liefst dicht bij zijn eigen formuleringen blijven. Maar daarmee bewijzen we Eckhart een slechte dienst. Vooral omdat we daarmee aantonen dat we één ding van hem slecht hebben begrepen: zijn oproep tot geestelijke onafhankelijkheid.

Ik pleit voor meer dapperheid en dartelheid. We moeten Eckhart tegemoet treden met de vrijheid waarmee hij zelf de christelijke en antieke bronnen tegemoet trad, met fantasie en het nodige zelfbewustzijn. We moeten hem durven lezen als 21ste-eeuwers, zonder hem hardhandig uit het christendom te wrikken, maar ook zonder angst zijn anarchrisme naar eigen hand te zetten en waar nodig te actualiseren.

Overigens had Eckhart in onze tijd goed gedijd, daar ben ik van overtuigd. Met zijn persoonlijkheid en welbespraaktheid was hij moeiteloos tot een mediafenomeen uitgegroeid. Hij was even bekend en controversieel geworden als Osho of Karol Wojtyla – gesteld tenminste dat hij zijn tweede leven opnieuw als religieus leider had willen doorbrengen. Wat me onwaarschijnlijk lijkt: daarvoor was hij te nieuwsgierig, te bijdetijds. Ik zie hem eerder terugkeren als een sterrenkundige op gympen, in welingelichte kringen gewaardeerd om zijn zondagse tv-column, of als een mondjesmaat vertaalde Zweedse literator, overdag werkzaam als universitair filosoof, ’s avonds in verloren uren voortschrijvend aan een klein maar fijnparelend oeuvre.

Die romancier zie ik helder voor me: een vriendelijk ogende man met een keurige ringbaard en brillenglazen zo groot als pingpongbatjes. Hij houdt van Bach, kan zich geen wereld voorstellen zonder Bach.

Kosmopoliet

Eckhart von Hochheim, op grond van zijn titel, magister theologiae, ’Meister’ genoemd, wordt geboren rond 1260 en heeft een goed stel hersens. Zijn schoolcarrière is voorbeeldig en brengt hem, telg uit een Thüringse familie behorende tot de lagere dienstadel, tot in Parijs, dan de intellectuele hoofdstad van Europa. Hij studeert aan de Sorbonne, later zal hij er verschillende malen doceren; hij mag er twee maal een prestigieus college verzorgen (het ’magisterium’), een voorrecht dat voorheen alleen Thomas van Aquino († 1274) is vergund. Hij is een enthousiast debater, met zijn spitsvondigheid en welbespraaktheid durft hij zich te meten met de grootheden van zijn tijd. Hij blijkt bovendien een kundig bestuurder die voor zijn orde, die van de dominicanen, verschillende functies vervult, van prior tot vicaris tot vicaris-generaal.

Eckhart is man van de wereld. Hij reist van Groningen naar Bohemen en van Stralsund naar Straatsburg: een middeleeuwse kosmopoliet. Zodra hij uit zijn privé-jet stapt, zijn de schijnwerpers op hem gericht. Voor zover bekend zijn er tijdens zijn leven geen afbeeldingen van Eckhart gemaakt, maar ik stel me hem zo voor: een tanige gestalte, sterk lichaam, smal gezicht, gave handen, getinte huid, lichtblauwe ogen (het een lichter dan het ander) en een aanwezigheid waardoor hij meteen de aandacht aan zich bindt. Hij spreekt snel, gevat en associatief, zijn publiek hoort hem dingen zeggen die het niet kan plaatsen. Wij wel, in zijn invallen herkennen wij tot onze verbazing Michelangelo, Descartes, Heidegger, Borges, Etty Hillesum. Hij is zijn tijd ver vooruit, en trouwens ook de onze; er moet nog menig genie geboren worden om hem beter te begrijpen.

Eckhart is universeel, iedereen vindt bij hem iets van zijn gading. Communisten, spinozisten, boeddhisten, atheïsten, newagers, zengeleerden: ze claimen hem graag als geestverwant. Zeer terecht. En zeer ten onrechte, want Eckhart is verknocht aan het christendom, het is zijn liefde en zijn leven, geen haar op zijn hoofd die erover peinst het heilig huwelijk te verbreken.

Een Franse literator schrijft: „Wat zou ik ermee opschieten gelovig te zijn, aangezien ik Meester Eckhart even goed begrijp als wanneer ik dat [wél] was?” Een misleidende vraag, voor zover zij beoogt Eckhart buiten het christendom te plaatsen. Het bijzondere van Eckhart is juist dat hij zijn ideeën ontwikkelt vanuit de christelijke theologie – en daarbovenuit gaat zonder kwade of kritische intentie. Kritisch is hij overigens genoeg, maar dan moet je luisteren met de oren van zijn tijdgenoten. Die voelen heel goed aan dat Eckharts anarchrisme niet alleen product is van een creatieve en oorspronkelijke geest, maar evengoed een antwoord wil zijn op de enorme misstanden in de toenmalige kerk. De theologie is hem heilig, de bestuurlijke elite van de heilige kerk allerminst.

Tweëenhalve eeuw verder en Eckhart was misschien een hartstochtelijke lutheraan geworden. Maar dan wel eentje met een eigen stijl en programma.

Onstuimige nonnen

Over hartstochten gesproken – Eckhart heeft iets met vrouwen. Hij is een echte womanizer. Van 1313 tot 1322 vliegt hij van vrouwenklooster naar vrouwenklooster, belast met de zielzorg van dominicanessen wier onstuimige zieleleven hij geacht wordt te temperen. Uit deze periode stammen de meeste van zijn Duitse preken. Op een dag doet hij deze quasi-bekentenis: „Onderweg, toen ik hiernaartoe moest gaan, bedacht ik dat ik eigenlijk niet wilde, omdat ik uit liefde vast in tranen zou uitbreken.” Eckhart weet hoe hij zijn gehoor moet bespelen, maar doet dat hoorbaar met sympathie en empathie. Je voelt aan alles dat hij dol is op zijn vrouwen – en zijn vrouwen op hem. Hij geniet van hun aanwezigheid en levendigheid, hun spontaniteit heeft iets in hem losgewoeld, heeft de dichter in hem uit diens halfslaap gekust.

Hij heeft al vaker in de volkstaal geschreven en gepredikt; maar het is duidelijk dat Eckhart – vijftigplusser inmiddels – nu pas in zijn element komt. In zijn geboortetaal kan hij veel directer zijn dan in het geleerdenlatijn en dat heeft gevolgen voor zijn denken: dat wordt speelser, associatiever, gedurfder. Zelfs God verandert in zijn plastische middelhoog Duits, Hij wordt er menselijker van. En vrouwelijker. Ruim een halve eeuw na Eckharts dood zal de Engelse Juliana van Norwich uitleggen dat God evenveel Moeder is als Vader – de gedachte hangt kennelijk in de lucht. De weledelgeleerde Eckhart zal haar niet over de lippen krijgen, niet woordelijk tenminste; maar zijn beelden en metaforen verraden hem.

Niet ’Hem’ maar ’haar’

De nonnen begeren God en Diens Zoon natuurlijk als man, Eckhart zinspeelt er regelmatig op. Dan zegt hij bijvoorbeeld: „God maakt zich mooi [*] en beijvert zich met heel Zijn godheid om de ziel welgevallig te worden.” Maar uit deze verkleedpartij treedt behalve een bekoorlijk manspersoon ook een schalkse schone naar voren – de metafoor keert als een boemerang bij de werper terug.

God krijgt bij de latere Eckhart feminiene trekken; ze is plooibaar en beweeglijk als het leven zelf. Ze? Om te blijven voelen hoe ongewoon Eckhart over God spreekt, draag ik mezelf op ’Hem’ vanaf nu als een ’haar’ te presenteren; in dier voege zal ik ook de citaten aanpassen. Een kleine oefening in feministische theologie. Mocht de zegswijze vreemd en onwennig overkomen – heus, Eckharts zegswijzen zijn nog veel vreemder en onwenniger.

Die godheid, bijvoorbeeld, hoe zit dat? Is die godheid iets anders dan God zelf?

Ja, antwoordt Eckhart de nonnen, tussen die twee bestaat een verschil. God is degene die naar jou verlangt, en dat doet ze opdat jij niet naar haar hoeft te verlangen. Je hoeft jezelf niet te geselen en te kastijden om bij God te komen, God komt wel bij jou. Maak jezelf niet ongelukkig, vind rust in jezelf en maak je ziel zo leeg als de zandvlakte hier niet ver van het klooster. Wees niet vurig, zoek gelijkmoedigheid. Dan zul je vanzelf in God en haar godheid worden om- en overgevormd (zo zegt Eckhart dat) en merken dat ze heel anders is dan je denkt, namelijk precies zo gelijkmoedig als jij.

Ladder

Eigenlijk ben jij degene die God steeds tot ’God’ maakte – dat moet je liever niet meer doen. Jouw verlangen trok het hare aan; liefde zoekt wederkerigheid, dat is nu eenmaal de natuur van de liefde. Dat is echter niet de natuur van God in het hoogst van haar wezen. Als je dát wilt liefhebben, moet je „God beminnen los van beminnelijkheid”, want zij is verheven „boven elke liefde en beminnelijkheid.” Daar is God niet langer God, daar is ze godheid.

Lezend in Eckhart bekom je niet van de verbazing dat iemand binnen de boezem van de kerk zoveel vrijheid en originaliteit tentoonspreidt – en dat in de 13de, de 14de eeuw (hij stierf in 1328; de smadelijke pauselijk bul werd pas een jaar na zijn dood uitgevaardigd). Eckhart is het fata morgana van het christendom, zijn denken rijst als een ijle, flonkerende stad op boven het stoffige, bedrijvige Jeruzalem.

Vergrijp, schuld, opstanding en vergeving der zonden lijken voor hem bijkomstigheden; het kerstverhaal geeft hij een radicaal nieuwe, geheel onsentimentele betekenis; bidden, vasten, biechten en misbezoek wantrouwt hij vanwege hun uiterlijkheid; de drie goddelijke personen (Vader, Zoon, Heilige Geest) maakt hij tot lagere afsplitsingen van de godheid, een concept van eigen makelij, hoewel opgebouwd uit elementen ontleend aan het neoplatonisme en de negatieve theologie.

Niet dat Eckhart neerkijkt op het christendom van alledag, helemaal niet, wanneer het zo uitkomt dringt ook hij aan op geduld, lijdzaamheid en lotsaanvaarding, weinig anders dan een dorpspastoor in een plattelandsroman. Tegelijk is duidelijk dat hij, aangestoken door de speculatiedrift van de scholastiek, de mogelijkheid van een volstrekt ander christendom onderkent: fijnzinnig, beweeglijk, intellectueel, met zin voor symboliek en oog voor de werking van de menselijke psyche. Het gewone christendom beschouwt hij als een ladder naar het ongewone, naar het eigenlijke – een ladder die je als het ware van je kunt afwerpen, zodra je hem beklommen hebt.

„Er muoz gelîchsame die leiter abewerfen, sô er an ir ufgestigen ist.”

Eckhart von Hochheim bedrijft hoogtetheologie. Hij veronderstelt een wezenlijke gelijkheid tussen de mens in het hoogst van zijn ziel en God in het hoogst van haar wezen. In en op die hoogte bestaat geen enkel onderscheid meer, daar valt alle taal weg, zelfs de drie goddelijke personen kunnen er niet binnen kijken, ze zijn immers zelfstandige entiteiten, behersend en bezintuigd, ze bestaan dankzij hun onderscheidenheid, want zolang God ’God’ is, blijft ze ding en naam onder de dingen en de namen, net zo goed als de twee andere manifestaties van de godheid, zijnde de Zoon en de Geest.

De godheid omschrijft hij als „niet-zijn boven alle zijn”. Wil je tot haar geraken, dan zul je je moeten losmaken uit elke aardse gebondenheid en je moeten ontworstelen aan al je gedachten en gewoonten, zo ook van al je gewone gedachten over God.

„Heb je God lief als God, als persoon en als beeld – dat moet alles weg! Hoe moet ik haar dan liefhebben? – Je moet haar liefhebben zoals zij is: een niet-god, een niet-geest, een niet-persoon, een niet-beeld, verder: zoals zij is een puur, rein, louter Een, afgezonderd van alle tweeheid, en in dat Ene moeten wij verzinken van iets tot niets. Daartoe helpe ons God, amen.”

In volle wapenrusting

Dit is de Eckhart die u en ik graag horen, bij zinnen als deze prevelen we werktuigelijk amen. Eckhart behoort tot de kleine familie van grote religieuze genieën, hij staat op een lijn met Lao Zi, Siddharta, Socrates, Jezus, Rumi, Luria, Krishnamurti. Je herkent zijn geluid en zijn boodschap uit duizenden, hij verkondigt inzichten die je in elke religie van naam terugvindt – alleen verkondigt niemand ze zo pregnant want eigenzinnig als hij. Hij is op zijn manier een kunstenaar en literator, een oorspronkelijke geest, bij wie je je blijft afvragen waar hij zo opeens vandaan komt, in weerwil van alle voorlopers en invloeden die zich laten aanwijzen, een van de liefhebberijen van het internationale legertje Eckhart-deskundigen. Hij stond op zoals Athene uit het hoofd van Zeus: in volle wapenrusting.

Waaraan ontleent Eckhart zijn kracht? Waar haalt hij die wonderlijk grote zekerheid vandaan?

Zijn christelijke uitleggers vermoeden dat hij in de eerste helft van zijn leven zeer diepe ervaringen moet hebben gehad, net als andere mystici. Maar het gekke is dat Eckhart daar met geen woord over rept; nergens laat hij zich iets ontvallen dat doet denken aan een grote innerlijke omwenteling. Niets dat wijst op strijd, beproeving, twijfel, schaamte, angst, langdurige ascese of contemplatie, niets dat wijst op ervaringen van nacht, verlatenheid, verlorenheid, al deze vertrouwde ingrediënten in de biografieën van de christelijke mystici. Eckhart weet wat hij weet, domweg; hij wekt de indruk dat hij zijn hoogtekennis eerder heeft opgedaan in de collegezaal dan in de afzondering van een kloostercel.

Eckhart moet op een gegeven moment iets hebben gezien, iets hebben ingezien; en toen hij het zag, wist hij het. Dat verklaart vermoedelijk ook waarom hij zelden uitweidt over de fasen van de mystieke weg. Hij heeft dergelijke fasen eenvoudig niet doorlopen.

Dat eufore, dat helder-blije

Daarmee doe ik niets af aan de diepte, de echtheid, de ernst van zijn leer, want die voel je in iedere zin. Maar wat je daarin ook voelt is een ongelooflijke lichtheid en lichtvoetigheid, eigenschappen die hem uniek maken binnen het christendom. Het lijkt wel alsof hij gedragen wordt door het stofje dat duurlopers aanmaken; hij is op een heldere en wakkere manier eufoor. Dat eufore, dat helder-blije dat zijn geest ruim maakt als de hemelboog, dat durf ik voorzichtig te herkennen – misschien dat ik daarom gespitst ben op het woord ’blijdschap’ en de varianten daarop in zijn preken.

Eckhart verzint zelfs een nieuw werkwoord voor helemaal-blij-worden, helemaal-van-blijdschap-doortrokken-worden: ’doorblijden’. Die uitdrukking heeft allereerst betrekking op God, zij is degene die doorblijd wordt. Want, zo weet Eckhart, „in haar grond blijft geen rest die niet van vreugde wordt doorkitteld [durchkützelt]”. Wat een prachtig erotisch beeld. Wat een treffend beeld ook, als je wilt overbrengen dat al het leven een ondoorgrondelijke glimlach in zich draagt. Want de grond van de godheid is bij Eckhart tevens ónze grond – een verborgen grond. „Dit moeten kortzichtige mensen maar geloven, de verlichten kunnen het weten.”

Volgens mij bestaat het geheim van Eckhart uit zijn blijdschap, uit een prikkelende ochtendwarmte die hij in gezelschap van de nonnen of in de beslotenheid van zijn studeervertrek moeiteloos weet op te roepen. Hij hoeft zijn gedachten maar stil te zetten of voor een moment de ogen van zijn luisteraars in zich op te nemen, of het is er, dat veerkrachtige, tegelijk vederlichte geluksgevoel dat hem bijkans gewichtloos maakt en zijn woorden – neergeschreven op het perkament of uitgesproken op de kansel – een zekerheid verleent die nog altijd zijn charisma bepaalt.

„Hij sprak tot ons vanuit de eeuwigheid”, zal Eckharts leerling Tauler na diens dood verklaren – en in zekere zin is dat zo. Eckhart meent dat de vondsten van zijn intellect dateren van ver voor zijn conceptie, zelfs van ver voor de conceptie van hemel en aarde, toen de godheid nog volledig in haar eerste grond rustte en al het schepselijke blanco in haar schoot droeg. Eckhart dicht het gat tussen toen en nu, hij spreekt niet alleen over, hij spreekt ook vanuit deze oorsprong, en dat steeds met een monterheid die zich vreemd verhoudt tot de ernst van zijn boodschap – en desondanks ontbreekt de ernst hem nooit.

Eckhart is verlicht, op een raadselachtige, oncomplexe manier. Zijn blijgeestigheid is zijn fundament, op haar bouwt hij, van preek naar preek, zijn lenige torens van taal. Denk nu niet: Eckhart is blij vanwege God, vanwege zijn ontmoeting of eenzijn met God, nee het is simpeler, minder christelijk dan u wellicht denkt. God (liever: godheid) is zijn woord voor een staat van zijn, een naam hem aangereikt door het gesloten paradigma van zijn tijd. Wanneer Eckhart dat openbreekt, is dat omdat zijn euforomonen een taal zoeken dwars door de theologie heen, verlangend naar woorden, beelden en concepten zo simpel als een gave, door water gladgeslepen steen.

„Voor zover een steen ’zijn’ bezit”, doceert Eckhart in een van zijn preken, „is hij edeler dan God en haar godheid zonder ’zijn’, tenminste als je haar dat ’zijn’ zou kunnen ontnemen.”

Heilbot

Oek de Jong is een Eckhart-lezer. In zijn mooie dagboek ’De wonderen van de heilbot’ staat hij een aantal malen bij Eckhart stil. Hij vertelt over zijn gesprekken met dichter C.O. Jellema, samen met Frans Maas onze belangrijkste Eckhart-vertaler, en hij neemt verschillende passages uit Jellema’s vertalingen over. Daarmee voegt hij zich bij de internationale club van literaire Eckhartfans, waarvan de Nederlandse afdeling vertegenwoordigd wordt door onder meer Etty Hillesum, Simon Vestdijk, Bert Schierbeek en Marjoleine de Vos.

Na het overtypen van een lange passage vraagt De Jong zichzelf af in welke situaties hij het dichtst bij Eckharts doel in de buurt komt: niet willen, niet begeren. Eerst zegt hij: als ik lichamelijk werk doe, als ik in de tuin zonder haast grond in de kruiwagen schep. Dat is een grappig antwoord – het toont aan dat literatoren Meister Eckhart deels om dezelfde reden lezen als het onliteraire publiek de eerdergenoemde Eckhart Tolle. Behoefte aan innerlijke rust, zelfinzicht. Gelukkig zijn onder de afwas, dat soort dingen.

Stromen

Maar dan zegt hij: eigenlijk kom ik het dichtst bij Eckhart wanneer ik aan het schrijven ben. Als de woorden en emoties gaan stromen en de beelden naar de oppervlakte komen, dan onderga ik dat als een bevrijding – een bevrijding bijvoorbeeld van eigenwilligheid.

Dit is een antwoord dat je alleen aan Meister Eckhart kunt ontlenen. Als de boel bij een romancier opengaat, als deze verdwijnt in een wereld die zich aan zijn controle onttrekt, een wereld die (zoals in De Jongs laatste roman gebeurt) heel gemakkelijk kan uitlopen op een ongeplande moord, een moord uit onmacht en passie, een impulsieve messteek – dan staat hij op de grond die je bij Eckhart behalve als ’godheid’ ook eenvoudiger als ’bestaansgrond’ vindt aangeduid. Een schrijver is geen moordenaar; hij volgt slechts de creatieve intelligentie die alles van het bestaan onder ogen wil zien, álles, het mooie even goed als het verschrikkelijke.

„Wanneer de afgescheidenheid haar hoogste graad heeft bereikt, wordt zij door te kennen kennisloos en door liefde liefdeloos en door licht duister.”

Eckhart Tolle zou het niet zo kunnen zeggen, Meister Eckhart wel. Als 21ste-eeuwse romancier had Meister Eckhart ongetwijfeld de moed gehad om mét Oek de Jong de nuchtere consequentie te trekken uit zijn eigen godsbeeld. Als alle leven worden is, als alle worden voortkomt uit het ene zijn, dan ligt in dat ene zijn álles besloten, ook het nare, verdrietige, gewelddadige. Zodra je dat durft te erkennen, verschuiven de panelen. Dan wordt godheid een ander woord voor realiteit, mystiek voor transparantie, mysticus voor de schouwer die kosmische patronen herkent óók in de bloedspatten op een keukenvloer.

Ik weet niet of Meister Eckhart, deze geboren euforicus, na dit nieuwe inzicht nog had geglimlacht. Wel dat hij deze eigentijdse variant van mystiek mee heeft helpen voorbereiden: „Het zuivere intellect trekt God het gewaad van de goedheid uit en ziet haar naakt, nu van de goedheid en van het zijn en van alle namen ontkleed.”

Jan Oegema is uitgever en publicist.

Frans Maas vertaalde een reeks preken onder de titel ’Van God houden als van niemand’. In zijn inleiding geeft Maas een heldere introductie op Eckharts denken. Dat doet ook Ton van der Stap in ’De weg van Eckhart’. Voor de meerdelige Jellema-vertalingen, zie www.histuitg.nl. De biografie van Kurt Ruh heet ’Meister Eckhart. Theologe, Prediger, Mystiker’.

Deel dit artikel