Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Meeslepend tekent Knausgård in 'Zomer' het voorbijglijdende leven van alledag op

Home

Sofie Messeman

© RV
Boekrecensie

In ‘Zomer’ schrijft Knausgård teder en liefdevol over zijn kinderen, die nu belangrijker lijken dan zijn schrijverschap.

Karl Ove Knausgård had zijn zesdelige megareeks ‘Mijn strijd’ nog maar net afgerond, of hij pakte alweer uit met een nieuwe reeks: ‘De vier seizoenen’. De schrijver toont zich daarin van een heel andere kant, minder gefocust op zichzelf en meer begaan met anderen, al blijft hij altijd een buitenstaander. Met de publicatie van het laatste deel - ‘Zomer’ - nadert ook die reeks nu haar einde.

Lees verder na de advertentie

‘De vier seizoenen’ begon met ‘Herfst’, een boek waarin de schrijver zich richtte tot zijn ongeboren jongste dochter Anne, aan wie hij in korte hoofdstukjes - een ‘selectief lexicon van de wereld’ - uitlegde op welke plek ze zou terechtkomen, van ‘luizen’ tot ‘wespen’, van ‘eenzaamheid’ tot ‘aarde’, ‘zon’ of ‘kauwgom’. De stukjes begonnen steeds met een ‘objectieve’ definitie, om daar vervolgens een eigen gevoel of anekdote mee te verbinden. In het vervolgboek, ‘Winter’, hield de schrijver vast aan dat procédé, zij het dat de thema’s abstracter en grootser werden: minder ‘kleren’ en ‘tandenborstels’, meer ‘dood’ en ‘eenzaamheid’. 

In het derde deel, ‘Lente’, veranderde Knausgård radicaal van tactiek. Hij beperkte zich tot het verslag van één lange dag. Geen prettige dag, want de schrijver ging op bezoek bij zijn vrouw Linda, die in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen vanwege een depressie. Dat bracht Knausgårds eigen angsten naar boven, maar ook zijn teleurstelling in zijn vrouw: “Hoe kon het dat ze dat niet zag, hoe goed alles was?” Het derde boek was in één woord een terugkeer naar de thema’s uit ‘Mijn strijd’: zelfmoord, angst, dood, schuld en schaamte.

Barbecueën is het hoogste wat een gezin presteert

Maar in ‘Zomer’ is Knausgård weer terug bij zijn eerdere werkwijze. Opnieuw richt hij zich in dagboekachtige fragmenten tot zijn (nu tweejarige) dochter Anne. “Je vindt het leuk om de spullen in het karretje te leggen”, schrijft hij haar na een bezoek aan het warenhuis. “Soms doe je het ook op eigen initiatief, het gebeurt wel vaker dat we thuiskomen met de meest bizarre dingen.” Als huisman-schrijver brengt Knausgård minutieus verslag uit van het snel voorbijglijdende leven van alledag, iets wat merkwaardig genoeg meeslepend uitpakt. Hij schrijft over het onderhoud van de tuin, de schoolfeestjes, de barbecues, de logeerpartijtjes. Telkens als hij het over zijn (vier) kinderen heeft, wordt zijn toon ongemeen teder. Wat ze zeggen en doen, stemt hem mild. Hun aanwezigheid lijkt hem op een bijzondere manier te vervullen. Ze lijken zelfs belangrijker te worden dan zijn schrijverschap, iets wat in ‘Mijn strijd’ ondenkbaar was geweest.

Maatschappijkritisch

De drie zomermaanden - juni, juli en augustus - komen achtereenvolgens in beeld. Ze zijn van elkaar afgebakend met prachtige aquarellen van Anselm Kiefer, die de zomer in al zijn pracht visueel verbeelden. Elke maand telt dagboekfragmenten, naast korte stukjes over alles wat de wereld te bieden heeft. De korte stukjes over pakweg ‘campings’, ‘barbecue’ en ‘speelpleinen’, bieden de schrijver kansen om maatschappijkritisch uit de hoek te komen, zij het op een haast lichtvoetige manier, die doet glimlachen. “Barbecueën is een soort speerpuntactiviteit van het gezin, het hoogste wat de gezinsleden samen presteren. Het vindt ook plaats in de zone van het gezin die het dichtst bij de andere gezinnen ligt en daarom erg zichtbaar is. De façade dreigt af te brokkelen: een puberzoon die naar zijn ouders schreeuwt, een moeder die dronken wordt.” Ook speelpleinen moeten het ontgelden als Knausgård ze omschrijft als ‘een soort bureaucratische utopie die niet past bij de fantasie van kinderen’.

Telkens weer komt de schrijver terug op de jaren zeventig, toen hij zelf nog een kind was. Niet zonder melancholie weegt hij die tijd af tegen het heden, de jaren waarin zijn kinderen opgroeien. “Misschien komt het doordat ik ben opgegroeid in de jaren zeventig, een tijd waarin het leven op de boerderij van mijn grootouders, met hun wortels in de jaren twintig, die op hun beurt waren geplant in de tweede helft van de negentiende eeuw, nog steeds toegankelijk was, terwijl jongeren die nu opgroeiden door een mentale kloof gescheiden zijn van het oude. Of is alles altijd hetzelfde?”

Ook ‘identiteit’ komt telkens terug. De schrijver beseft dat hij als persoon veranderd is. “Ik krijg zo vaak het gevoel dat ik niet iemand ben, maar dat ik gewoon een plek ben waar gedachten en gevoelens doorheen stromen.”

Het betekent niet minder dan dat de auteur - na het schrijven van ‘Mijn strijd’ en de talloze lezingen daarover - verlost is van zijn innerlijke kwellingen. Hij komt tot die conclusie tijdens het lezen van Emanuel Swedenborgs dagboek over zijn verblijf in Ystad, waarin de achttiende-eeuwse wetenschapper plots uitweidt over de innerlijke demonen die hem onophoudelijk sarren.

Oneindig vreemde natuur

Toch is Knausgårds nieuwe rust geen stilstand, net zomin als zijn beschrijving van de ‘gewone dingen’ een oefening in banaliteit zou zijn. Want de meeste van zijn korte stukjes over ‘de buitenwereld’ zijn doortrokken van een ongekende bevreemding. Als hij het over ‘vleermuizen’ heeft, kan hij niet anders dan constateren dat deze levensvorm totaal vreemd en anders is dan de onze. Hetzelfde geldt voor de regenworm, die ‘niet weet wie hij is’. Knausgård noemt hem ‘een snaar van het bestaan’. En dan de meeuwen, die met hun krijsen als het ware uitdrukking geven aan de zinloosheid van het bestaan zelf. “Misschien is hun krijsen wel zo beangstigend omdat het ons duidelijk maakt dat we ook onszelf en onze aanwezigheid hier niet begrijpen.”

De schrijver is wonderwel geslaagd in zijn poëtische verwoording van de natuur als het oneindig vreemde. Tot die vreemdheid - en tot zijn eigen eindigheid - kan de mens zich slechts verhouden door de band met anderen en door routines, die ‘de lawine van dagen en jaren hanteerbaar maken’.

Ondanks de oppervlakkige schijn dat de schrijver het over ‘gewone’, ‘alledaagse’ dingen zou hebben, gaan Knausgårds observaties over moeilijke, ongemakkelijke thema’s, zoals de zin van het bestaan en het oneindig vreemde van de natuur. Hij vat het allemaal in een taal die zowel scherp als poëtisch is, en die de lezer van pagina tot pagina steeds meer weet te bekoren. “Wanneer de duisternis ’s nachts donkerder wordt, eind juli, begin augustus, wanneer ze vochtiger lijkt te worden en niet meer zo snel oplost in de lucht, beginnen de pruimen te rijpen. De zoetsappige smaak brengt daarom altijd ook een zweem van melancholie mee; de zomer is weer voorbij.”

Karl Ove Knausgård
Zomer.
De vier seizoenen 4
Vert. Sofie Maertens en Maud Jenje
Ill. Anselm Kiefer
De Geus; 440 blz.
€19,99

Deel dit artikel

Barbecueën is het hoogste wat een gezin presteert