Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Martin Ros: De Arbeiderspers, dat ben ik

Home

ONNO BLOEM

HILVERSUM - Met een klap gooit Martin Ros een grote stapel papier voor zich neer. Talloze aantekeningen, folders van vergeten series als 'Kattegat', 'Boektiek' en 'Crime de la crime' en, vooral, alle aanbiedingen van De Arbeiderspers van de afgelopen jaren verspreiden zich over tafel als een inktvlek op papier. “Zo!” roept Martin Ros luid. Hij kijkt triomfantelijk rond in het Hilversumse café of iemand het misschien gemist heeft. “Daar gaan we het eens over hebben, meneer!”

Martin Ros (1937) neemt vandaag na drieëndertig jaar trouwe dienst afscheid als hoofdredacteur van de gerennomeerde Amsterdamse uitgeverij De Arbeiderspers. “Dat was mijn roeping. En nu we het toch over mij hebben: ik was er erg voor geschikt.”

Het afscheid van Ros, die zich had voorgenomen om zich vanaf zijn zestigste meer aan het schrijven zelf te gaan wijden, werd een jaar geleden op een verschrikkelijke manier acuut. Ros kreeg een hersenbloeding. “Ik begon een zin, en dan op de volgende regel begon ik de zin opnieuw. Ik leverde krankzinnige kopij in.” Vlak boven zijn linkeroog was een ader geknapt. Op de foto's in het ziekenhuis zag Ros een grote wolk van bloed door zijn hoofd zwerven. “Ik heb het op een raadselachtige manier opgevangen. Ik zit niet in een karretje en kan alles weer: lezen, schrijven, en goddank: mijn geheugen is niet aangetast.”

Toch is hij sindsdien niet meer op de uitgeverij geweest. “Mijn arts heeft me dat verboden. Hij zei: als jij daar nog één stap zet, zullen alle problemen van de uitgeverij je opnieuw overvallen. Dan ben je binnen tien dagen weer mijn patiënt. Dat heb ik ter harte genomen. Ik ben thuis gebleven, in Hilversum, in de schaduw van de Vituskerk.”

Martin Ros wijst op de spits van de kerk, die hoog en eenzaam in de ruit van het café spiegelt. Hij groeide op aan de voet van de kerk, in de wijk die 'Klein-Rome' werd genoemd. “Die buurt is nu helemaal veranderd. Vroeger was het daar vol met kinderen, nu is het vol met auto's. In de Kerklaan woonde een gezin met 21 kinderen. Ik herinner me dat er 17 tegelijk op straat speelden. Die moeder hoopte de 25 te halen, want dan kreeg je een speciale medaille van Paus Pius XII.”

Het was ook de buurt waarin tegen niet-katholieken vreemd werd aangekeken. In het onlangs verschenen 'Herinneringen aan mijn rijke roomse jeugd' schrijft Ros bijvoorbeeld, dat er in de buurt maar één Trouw werd bezorgd, bij rare, protestantse mensen. “Had die krant het ongeluk in de bus te blijven hangen, dan haalden we die er subiet uit om hem in snippers te scheuren en in het voortuintje te laten uitsneeuwen.”

In de Openbare Leeszaal en Bibliotheek ontwikkelde zich de liefde voor de literatuur bij de kleine Martin. “De leeswolf overviel mij,” noemt hij het zelf. Toch durfde hij zich nog niet helemaal over te geven aan deze wereldse belangstelling. Hij smeet als jongen een steen door de ruit van de boekhandel, omdat daar een boek van Sartre in de etalage had gelegen. Op samenzweerderige toon fluistert hij achter zijn hand: “Maar toen was ik al om, hoor. Van de geloofsartikelen van de kerk ben ik losgeraakt. Maar de religieuze bevlogenheid, die is gebleven.”

In 1964 kwam Ros, via een baantje als journalist bij 'Het Vrije Volk' “dat was de grootste krant van Nederland, vergeet u dat niet! We hadden 350 000 abonnees,” bij de daaraan verbonden uitgeverij De Arbeiderspers terecht. “Daar was toen nog helemaal niets. Die zaten drie hoog achter in de Kerkstraat en gaven alleen Carmiggelt, Annie Schmidt en omnibussen uit. Dat was het. Ik ging daar aan de ene kant voor bestsellers zorgen. Dan heb ik het niet over een paar duizend, maar meneer, echt, honderdduizenden!”

“'Juf, daar zit een weduwe in de boom' van H. Hoving bijvoorbeeld, de uitspraken van kinderen verzameld door een Groningse schoolmeester. Oplage: 800 000. Ik heb het nu over tonnen winst! Die Hoving werd schatrijk, die kocht alle ijskarretjes van Groningen en liet op elke kar een uitspraak uit zijn boekje zetten. Dat heeft niet langer dan een week geduurd. Toen was hij dood.”

De andere kant van het fonds bestond uit de hogere, klassieke literatuur, veelal in reeksen. Daar moest ik zelf een proefbodem voor creeren. En die was: de autobiografie. Brieven, herinneringen, noem maar op. Dat was Ein weites Feld, zoals de Duitsers zeggen. Dat dringt dwars door alle tijden, personen en genres heen. Dingen die iedereen liet liggen, had ik voor het oprapen. De persoonlijke notities van Salvador Dali, de boeken van Paul Leautaud, Flaubert, Nietzsche. Die konden allemaal in de prachtige Privé Domein reeks.''

“Dat was nog eens een kwaliteitsmerk! Nu wordt dat helaas allemaal minder, er komen ook Hollandertjes in. Die man uit Groningen, hoe heet hij ook weer, en Rogi Wieg. Hard lachen en een beetje verkopen. Het niveau zakt. Bij mij was daar geen sprake van. Geen meeloperij.” Met een vlakke hand slaat Ros hard op tafel: “Dat was allemaal top.”

Ros kende roerige tijden bij De Arbeiderspers, maar spreekt over iedereen met lof. Over Theo Sontrop, directeur vanaf 1971, zegt hij: “Ik wil geen kwaad woord over Sontrop horen. Al had hij ook zijn beperkingen. Hij wist bijvoorbeeld het verschil tussen Ajax en Feyenoord niet. Maar de combinatie Ros-Sontrop is vijftien jaar lang een gouden tandem geweest.” Ook het vertrek van Emile Brugman, - “een ideale redacteur”, die na een geweldig conflict een eigen uitgeverij begon, 'Atlas' - kon Ros begrijpen: “maar ik wilde niet mee. Mijn jaren begonnen te tellen, en bovendien: De Arbeiderspers, dat ben ik. Het fonds is een afspiegeling van mijn voorkeuren en afwijkingen.”

Zijn grootste voorkeur hadden, en hebben, Gerrit Komrij en Maarten 't Hart. Bij hun namen komt de woordenstroom nog sneller uit zijn mond. “Komrij,” roept Ros, de armen gestrekt in de lucht, “dat is dé man! Dat die nooit de Grote Vertaalprijs heeft gekregen is een schande. Die heeft boeken voor mij vertaald, ongelofelijk. Dat je denkt: hij is het zelf. Hij vertaalde uit het Engels, uit het Grieks en Latijn. Van een anekdotentrommel over het Vaticaan van een zestiende eeuwse kardinaal, tot Hitlers 'Mein Kampf'. Nota bene: 'Mein Kampf'. Dat is geen grapje, meneer!”

“Maarten 't Hart kan ook alles: romans schrijven, met vrouwen polemiseren, over muziek schrijven als niemand anders. Hij leest drie boeken per dag. Neehee, dat is ongelofelijk. Hij is volkomen AP, volkomen Martin Ros. Iedereen zei tegen mij: dat wordt niks. Moet je nou eens kijken. Hahaha!”

“Sontrop werd door het bestuur gemaand die zuinige 't Hart met zijn jaren vijftig-tasje en zijn nieuwe, verfomfaaide manuscript de deur uit gooien. Aad Nuis, toen nog uitgever van 't Spectrum, kwam op een mooie dag binnen om hem af te troggelen. Het nieuwe manuscript van 't Hart had hij al bijna in zijn tas. Ik zat toen in een kamer boven Sontrop. Als die mij nodig had, sloeg hij hard op zijn bureau en dan kwam het monster Martin Ros naar beneden. En dan gooide ik een duit in het zakje.”

“Nuis zei tegen mij: Martin, leuk dat jij die jongen zo gesteund hebt, maar ik kom jou van 't Hart afhelpen. De volgende dag liet Sontrop namens mij weten: Maarten 't Hart bleef. In '79 nam de verkoop van zijn boeken bestseller-allures aan.”

Na de woelige tijden van Sontrop en het conflict met Brugman kwam er een nieuwe AP-paus: Ronald Dietz. “Hij omarmde me vanaf het begin,” zegt Ros met een verbaasde blik in de ogen. “Hij verhuisde zelfs naar Hilversum, om mij nog dichter tegen zijn borst te drukken. Ik dacht: o, ben jij zo. Daar kon ik gebruik van maken. Ik nam aan dat hij wel zou doen wat ik hem voorkauwde. En dat is ook gebeurd. Dus ik had geen klachten.”

“Alleen de laatste paar jaar ging het anders. Werd er een nieuwe onzin-richting ingeslagen. Nee, namen noem ik niet, kijk maar in de nieuwe aanbieding. Maar ik begrijp Dietz wel. Hij wist natuurlijk: Ros houdt er eens mee op. Zijn slagschip zou uit de vaart genomen worden. Hij moest 'iets'. Of het 'wat' wordt, dat moet de toekomst maar uitmaken. Alleen met het behoud van Maarten 't Hart, Anna Enquist, Marion Bloem, Tessa de Loo, Joost Zwagerman, die ik allemaal aanbracht, zou Dietz het moeten redden.”

En Ros zelf, redt die het zonder De Arbeiderspers? Zonder twijfel. Al zijn niet te stoppen verhalen over de Engelse schrijver Walter, hoerenlopen en erotische literatuur - Alweer een primeur! Schrijft u dat nou toch op! -, de Parijse revolutie, een hemelbestormende visie op de holocaust, collaboratie en de uitroeiing van de Slaven uit het Oostblok, allemaal moet het nog tot nieuwe boeken leiden.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan: bij de nieuwe uitgeverij Aspekt is 'De Martin Ros-bibliotheek' onlangs begonnen te verschijnen.

Deel dit artikel