Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

MARTEN TOONDER: GEEN VERZETSHELD, EEN VERZETSMAN

Home

DANA PLOEGER

Voor het Amsterdamse Verzetsmuseum was het omstreden oorlogsverleden van Marten Toonder geen beletsel om van zijn tekeningen uit de bezettingsjaren een tentoonstelling samen te stellen. 'Marten Toonder, tekenaar in oorlogstijd' is gisteren door de schrijver W.f. Hermans geopend. 'Toonder is geen verzetsheld, wel een verzetsman', vindt het museumbestuur.

“Alles wat bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) over hem te vinden was, is boven tafel gehaald.”, zegt Brommer. “Toonder heeft dat onderzoek glansrijk doorstaan. De kritiek die de komende dagen ongetwijfeld over ons zal komen, kunnen wij nu met goede argumenten ontzenuwen.”

De directeur is heilig overtuigd van de verzetselementen die het werk van Toonder in zich droeg. “Marten Toonder heeft in de Tweede Wereldoorlog belangrijk verzetswerk gedaan. Dat kwam echt ver boven de middelmaat uit. Hij heeft daarvoor ook een verzetskruis gekregen. Het is misschien overdreven om hem een verzetsheld te noemen. Maar voor ons is hij wel een verzetsman.”

Een dag voor de opening van de expositie reageert Marten Toonder wat verbaasd op die kwalificatie. “Ik ben zeker geen held, ik ken een held en dat was Jo Pelicaan”, zegt Toonder, ontspannen onderuit in een fauteuil van de lounge van hotel de l'Europe in Amsterdam. Speciaal voor de tentoonstelling heeft de geestelijk vader van Tom Poes en heer Bommel zijn geliefde woonplek in Ierland verlaten, waar hij al bijna dertig jaar verblijft.

“Ik heb zelfs nooit gedacht dat ik een held zou zijn. Nee, Jo zat samen met Dick van Veen (beiden mede-oprichters van het illegale Vrij Nederland- DP) in het verzet, en wist vanaf het eerste uur van de bezetting dat het mis was met Nederland. Hij is direct ondergedoken, heeft veel mensen geholpen. Redde zelfs Van Veen uit de gevangenis nadat die gearresteerd was voor de overval op het distributiekantoor in Joure.”

Verhalen over Toonders ambivalente houding in de oorlog vinden hun oorsprong in de strip Tom Poes. Vanaf 1941 tot 1944 publiceerde de Telegraaf de strip 'Het geheim van den Blauwe Aarde'. In november 1944 verdwenen Tom Poes en heer Bommel. 'Tom Poes is ziek', meldde de krant. In werkelijkheid werd Marten Toonder door de hoofdredactie gewaarschuwd voor de consequenties van het werken voor de Telegraaf. 'Anders kunt u na de oorlog last krijgen', werd hem verteld.

Bij de argwaan die Toonder wekte, door tot diep in de oorlog voor de Telegraaf te werken, bleef het niet. Tijdens de voorbereidingen van 'Marten Toonder, tekenaar in oorlogstijd' werd het verzetsmuseum geconfronteerd met berichten over het vermeende lidmaatschap van Toonder van de Kultuurkamer. Dit instituut had de bezetter ingesteld om alle Nederlanders met een kunstzinnig beroep - de joden waren uitgesloten - te registreren. Wie dit weigerde, kon zijn beroep niet uitoefenen.

Het bestuur van het Verzetsmuseum is na die berichten in beraad gegaan. “Aanvankelijk gingen wij ervan uit dat Toonder, net als vele anderen, gewoon lid was geweest. Wij waren dus eerder verbaasd dat Toonder geen lid zou zijn. Het was geen hoogverraad als je lid was van de Kultuurkamer”, zegt Joost Van de Weijer, die de tentoonstelling samenstelde.

Zelf heeft Toonder tot op de dag van vandaag zijn lidmaatschap ontkend. Toonder vertelde al eerder dat hij vanaf 1941 lid was van het Verbond van Nederlandsche Journalisten. Deze bond werd, zegt hij, opgeslokt door de Kultuurkamer. De cartoonist heeft veel last gehad van de steeds terugkerende aantijgingen. Verveeld legt hij nog een keer uit waarom het hem zo heeft geraakt. “Ik probeerde zo veel mogelijk de bezetters tegen te werken. Door mijn tekeningen, want ik ben tenslotte maar een tekenaar, maar ook door onderdak te bieden aan onderduikers.”

Op geagiteerde toon vervolgt hij: “Het is ronduit beledigend. Geleuter van mensen zonder begrip. Onzin. Flauwekul. Er waren mensen lid van die Kamer, over wie verder nooit is gesproken, zoals bijvoorbeeld Wim Schouten, een van de oprichters van de Bezige Bij.”

Voor de tekenaar brak tegen het einde van de oorlog, zegt hij, een 'gevaarlijke tijd' aan. In 1944 draaiden in een ruimte achter zijn tekenstudio al enige tijd de persen van 'De Algemeene Vrije Illegale Drukkerij' (David). Deze drukkerij van Dick van Veen, Jo Pelicaan en Geert Lubberhuizen (de Bezige Bij) produceerde vele illegale bladen, waaronder Trouw, het Parool, Vrij Nederland en het Oranjebulletin.

Toonder vervalste destijds papieren, maakte tekeningen voor stempels die weer gebruikt werden om brieven mee te vervalsen. Deze zijn te zien in het museum. “Onder die valse brieven moesten handtekeningen staan. Die verzon ik ook. Ik vertelde hierover niets aan mijn vrouw Phiny. Wat ik me wel realiseerde was dat ik gevaar liep. Als de Duitsers het in de gaten hadden gekregen, hadden ze me ter plekke doodgeschoten. Die angst was er, iedere dag weer.”

Toonder wordt boos als mensen hem beschuldigen van naiviteit. “Een van de domste staaltjes van journalistiek werk vind ik de beschuldiging dat ik naief was in de oorlog. In alle recensies over mijn tweede autobiografie 'Het geluid van bloemen' word ik zo betiteld. Ik leg net uit dat ik heel goed wist wat er gebeurde. Alleen dacht ik, met vele anderen, dat in de concentratiekampen alleen dwangarbeid moest worden uitgevoerd. Die gedachte was niet zo gek in die tijd. Pas na de oorlog werd duidelijk dat het om vernietigingskampen ging. Zelfs de joden, met alle respect, dachten zo over de kampen. Die liepen soms geheel te goeder trouw de gaskamers in.”

Tijdens de oorlog zag Toonder een lang gekoesterde droom in vervulling gaan. Hij maakte de tekenfilm 'Tom Puss und das Geheimnis der Grotte', de bewerking van de eerste Tom Poes-strip 'Het geheim van den Blauwe Aarde'. Deze film werd gemaakt onder de vlag van de Duitse filmmaatschappij Degeto Film, wat argwaan wekte bij veel mensen.

Een fragment van zes minuten zal op de tentoonstelling voor het eerst worden vertoond. Joost van de Weijer vond het fragment in het archief van het Nederlands Filmmuseum. “Daar wisten ze niet dat die film van Toonder was. Ik heb gewoon op titel gezocht en het rolde zo uit de archiefkast. Dat was heel gemakkelijk, want de maker noemt de titel in vele interviews.”

Door de produktie van de film kon Toonder aan 118 mensen werk verschaffen. Hij richtte een studio op aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, waar ook onderduikers werk kregen. Op den duur nam de tekenaar zelfs mensen aan die geen verstand hadden van film, laat staan dat ze konden tekenen. Maar de Duitsers slikten dat allemaal voor zoete koek, omdat ze heilig ontzag hadden voor 'der Film'. “Die film is nooit afgemaakt, omdat ik al gauw geen zin meer had. De lol was eraf. Wat overbleef was een bedrijf met mensen die werk nodig hadden, vanwege de Arbeidseinsatz. Het was een middel.”

Op de tentoonstelling zijn verschillende ontwerptekeningen van Toonder te zien, die uit zijn persoonlijke archief komen. De samensteller heeft ook tekeningen uit het archief van het Riod gelicht. “Ik stuitte op een paar schetsen die overduidelijk van Toonder waren, maar niet als zodanig stonden geregistreerd. In de oorlog signeerde je niet, vandaar”, zegt Van de Weijer.

Het grootste deel van de collectie in het Verzetsmuseum beslaat het satirische blad 'Metro'. Gisteren is ook een facsimile-uitgave van Uitgeverij Panda van alle 36 verschenen nummers van Metro gepresenteerd. Dit blaadje verscheen nadat Bommel (letterlijk) onderdook in november '44. Drukkerij David gaf het uit. Toonder zette het op, samen met zijn broer Jan Gerhard en de verzetsmensen Van Veen, Lubberhuizen en Pelicaan.

Volgens Toonder, die alleen spotprenten verzorgde, brachten de andere illegale bladen geen karikaturen. “Die miste ik. Toen dacht ik nog dat tekeningen meer zeiden dan woorden. Nu ik boeken schrijf, denk ik daar anders over. Het woord kan ook krachtig zijn.”

In Metro waren de cartoons met een humoristische inslag voornamelijk van zijn hand. Toonders broer zorgde voor venijnige teksten. Na de oorlog werd het blad voortgezet, met de Nederlandse regering als doelwit. “Het was voor ons allemaal een enorme anti-climax: na de bevrijding braken geen betere tijden aan, maar kwam vanuit Engeland het militaire gezag in Nederland. Wij zagen dat als een tweede dictatuur. Er kwam namelijk geen volksvertegenwoordiging.”

De ateliergenoten bleven voor hun gevoel in het verzet. “In de voormalige kampen zaten nu de NSB'ers. Die zag ik regelmatig in hun gestreepte pakken lopen. Wat binnen de muren van de kampen gebeurde, zag je niet, maar het verschilde niet veel van de praktijken in de oorlog. Ik vond en vind dat nog steeds ontzettend. Ik begrijp wel dat het uit wraak was, maar het bewees dat de Nederlanders geen haar beter waren dan de Duitsers, als ze de kans kregen.”

Het militaire gezag was niet bijzonder blij met de karikaturen van de gezaghebbers als Schermerhorn in Metro. Het blad werd tot twee maal toe verboden. “Onder het mom van papierschaarste”, zegt Toonder verontwaardigd. “Ik ben in alle opzichten tegen geweld, maar in die dagen was het anders. Ik kan nu wel zeggen, dat ik met Pelicaan rondreed met een wagentje vol wapens. Eigenlijk wilde de verzetsgroep de revolutie uitroepen.”

In het Verzetsmuseum aan de Lekstraat in Amsterdam wordt op de tentoonstelling, die van 1 mei tot 4 september te zien is, ook onbekend stripwerk getoond, zoals Japie Makreel. “Ach, Japie Makreel? ”, roept Toonder verbaasd, “wat leuk.” Langzaam bekruipt hem een lichte onrust. “Tot nu toe vind ik de expositie prettig. Maar straks passeren al die tekeningen uit die tijd weer. Dan zal ik wel wat meer gaan voelen. Er zitten handen tussen, die ik nog zo graag eens wil zien. Die zijn zo mooi getekend.”

Deel dit artikel