Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

MARS-EFFECT

Home

MARK TRAA

Dit is het eerste verhaal in een korte serie over het eerste wereldcongres van 'sceptici' dat deze week in Buffalo, New York, wordt gehouden.

Jan Willem Nienhuys, wiskundige aan de Technische Universiteit Eindhoven, presenteert vrijdag nieuwe aanwijzingen die tegen een Mars-effect pleiten. Of beter gezegd, tegen de werkwijze van de 'uitvinder' van het Mars-effect, de Franse psycholoog Michel Gauquelin. Nienhuys spreekt als enige Nederlander op het eerste wereldcongres van 'sceptici', wetenschappers die zich toeleggen op het ontmaskeren van in hun ogen niet-wetenschappelijke claims zoals die van parapsychologen, homeopaten en astrologen, in Buffalo, New York. Hij versterkt er het bewijs dat Gauquelin tijdens zijn onderzoekswerk gegevens weggooide die niet in zijn straatje pasten.

In de jaren vijftig en zestig leek Gauquelin het enige wetenschappelijke fundament van de astrologie in handen te hebben. Hij had de geboorteplaatsen, -data en -tijden van Franse sportlieden gekoppeld aan de positie van Mars aan de hemel. Van de onderzochte topsporters bleken er, volgens Gauquelin, opvallend veel te zijn geboren als de planeet in een bepaalde sector aan de hemel stond: 22 procent, terwijl op grond van het toeval circa 17 procent mocht worden verwacht. De conclusie: Mars, de god van de oorlog, levert de strijdvaardigheid in de aardse topsporters.

Gedurende de rest van zijn leven werd Gauquelin op deze conclusie aangevallen door sceptische wetenschappers. Zelf was de Fransman meestal niet te beroerd om mee te werken aan toetsing van zijn resultaten. De opzet van een in 1982 aangevangen studie door het Franse comité voor onderzoek van paranormale verschijnselen (CFEPP) werd door hem goedgekeurd. Toen de resultaten in 1994 op een congres van sceptici in Oostende werden gepresenteerd, was Gauquelin echter al dood. In 1991 pleegde hij zelfmoord.

De uitkomst van de Franse studie was vernietigend voor het Mars-effect. Na analyse van de gegevens van 1 066 topatleten bleek 18,8 procent van hen onder te brengen in een sector aan de hemel die volgens Gauquelin samenhangt met sportieve topprestaties. Het verschil met de ruim 17 procent die aan het toeval kan worden toegeschreven was in statistische termen niet significant; het was zo klein dat er van een Mars-effect nauwelijks iets overbleef.

De toch al sterke vermoedens dat Gauquelins werkwijze rammelde, werden tijdens het congres in Oostende bevestigd. Alle nieuwe groepen sporters die Gauquelin na zijn 'ontdekking' aandroeg om te worden opgenomen in de groep die op het Mars-effect werd doorgelicht, bleken het effect te versterken. Eerder was al gebleken dat de Fransman zijn sporters niet consequent uitkoos: per sport verschilden de eisen waaraan iemand moest voldoen om door hem als topper te worden aangemerkt; Gauquelin legde de 'lat' waar het hem uitkwam.

Na het congres in Oostende wendden de Franse sceptici hun blik af van het Mars-effect. De enige wetenschapper van naam die tot op de dag van vandaag nog wat ziet in Gauquelins gedachtengoed, is de Duitse psycholoog Suitbert Ertel. Ondanks de partijdigheid waarmee Gauquelin zijn sporters uitzocht, is een zeker resterend Mars-effect volgens hem nog steeds mogelijk.

Bij ontstentenis van Gauquelin is het in feite Ertel die vrijdag door Jan Willem Nienhuys wordt aangevallen. De wiskundige legde Gauquelins werkwijze onder een nog beter vergrootglas.

De Fransman verzamelde zijn gegevens van sporters door de gegevens die hij in encyclopedieën vond te vergelijken met geboorteakten die hij bij het stadhuis opvroeg. De twee bronnen waren niet altijd eensluidend, meestal door slordigheid van de samenstellers van de encyclopedieën. Uit een boek dat ook Gauquelin als bron had gebruikt, haalde Nienhuys 88 sporters bij wie de vermelding verschilde van de gegevens zoals Gauquelin die bij het stadhuis had opgevraagd. Hij ging na hoe de Fransman deze twijfelgevallen behandelde.

“Hij keek wat het beste in zijn straatje paste”, zegt de wiskundige. “Ik ontdekte dat het Mars-effect bij de potentieel twijfelachtige gevallen gemiddeld 31 procent bedraagt. Dat is extreem hoog.”

“Ik denk dat hij als volgt te werk ging. Als hij gegevens over een sporter binnenkreeg, berekende hij eerst de bijbehorende positie van Mars. Ondersteunde die het Mars-effect, dan werd hij opgenomen in zijn grote bestand. Was dat niet zo, dan maakte Gauquelin er ineens een punt van dat een bron kennelijk een vergissing had begaan. Dan was dat een doorslaggevende reden om zo'n sporter in een controlegroep te stoppen, in een diepe la of, nog erger, helemaal te verwijderen.”

“Natuurlijk kan ik niet in Gauquelins prullenbak kijken om te zien of hij werkelijk gegevens weggooide die hem niet van pas kwamen. Maar toen de Franse sceptici Gauquelins werk controleerden, vonden ze 48 mensen die hij eigenlijk had moeten vinden. En bij die mensen, ontdekte ik, was het Mars-effect juist extreem laag: 6 procent. Zij werden door Gauquelin buiten de groep gehouden waarop hij zijn effect baseerde.”

“Er is uiteraard geen enkele natuurlijke reden waarom het Mars-effect in de ene groep 30 procent bedraagt en in de andere 6 procent. De kans dat zoiets voorkomt, is werkelijk buitengewoon klein. Er móet uitermate slordig werk achter schuilgaan.”

Deel dit artikel