Maria de Groot / Pelgrim op de weg van de poëzie

home

door Cokky van Limpt

Afgelopen maandag is ze zeventig geworden, en haar feministisch-theologische werkplaats bestaat 25 jaar. Een gesprek met schrijfster en theologe Maria de Groot.

Vanuit de huiskamer in het schilderachtige schoolgebouwtje in Woudsend, waar Maria de Groot woont en werkt, hebben we uitzicht op de berk in de tuin van de buren. „In de herfst van 2004 verscheen daar op een dag ineens een ransuil. Het was een vurige wens van mij om ooit nog eens een uil in het echt te zien. En daar was zij. Als een troostende aanwezigheid – ik was alleen – hield de grijs-wit gevlekte vogel tien dagen lang de wacht op haar tak.”

Met zijn komst bracht de uil – een symbool van het monastieke leven – ook inspiratie. Ze maakte aantekeningen, zocht de Latijnse namen van uilen op, verzamelde beeldspraken, en begon in de zomer van 2005 te dichten. „Die zomer zijn er hier vier uilen geweest, twee volwassen vogels en twee jongen. Zes weken lang. Toen ik het laatste gedicht af had, zijn de uilen weggevlogen. Ik heb ze niet meer teruggezien.”

In het dorpshuis van Woudsend houdt uitgeverij Ten Have morgenmiddag ’De komst van de ransuil’ ten doop, haar twintigste poëziebundel. De presentatie is onderdeel van een reeks feestelijkheden, die begon in september, met een jubileumconcert ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van ’t Flearstift, de theologische werkplaats voor vrouwen, die Maria de Groot in 1981 in haar woning in Woudsend heeft opgericht. De werkplaats is nog steeds in bedrijf, onder leiding van De Groot en Christianne Méroz, soeur van het protestantse vrouwenklooster Grandchamp in Zwitserland. Mannen zijn tegenwoordig ook welkom op de cursussen, die zich bewegen op het gebied van bijbelse en buitenbijbelse exegese, poëzie en proza.

Behalve ’De komst van de ransuil’ en een heruitgave – ter ere van haar zeventigste verjaardag – van ’Het evangelie naar Maria Magdalena’, wacht De Groot morgen bovendien de onthulling van een poëziesteen. Een blauwe steen, met haar sonnet ’Oktober in Woudsend’ (naast foto), komt, opgenomen in het plaveisel, naast een molen aan het water te liggen. Een eerbetoon, van de bezoekers van ’t Flearstift en de gemeente Woudsend.

Maria de Groot studeerde Nederlands en theologie, en promoveerde in de letteren op een theologisch onderwerp. „Het balanceren tussen die twee werelden is zowel de rijkdom als de moeite van mijn leven.” Ze werkte uiteindelijk het langst in de letteren, als wetenschappelijk medewerker en docent, maar kwam in de jaren zeventig vooral als theologe in de belangstelling. „Ik heb jarenlang voor de VPRO-radio de dagopeningen gedaan. ’s Morgens om vijf voor acht, vlak voor het nieuws luisterden daar 800.000 mensen naar. Daardoor was ik heel bekend geworden en trokken veel mensen naar mij toe, toen ik vicaris en later predikant in de Haagse Kloosterkerk werd.”

In 1975, na vijf jaar werken binnen de traditioneel kerkelijke structuur, stapte zij over naar de Ekklesia – de Haagse basisbeweging die zij samen met een andere hervormde theoloog en vier priesters had opgericht. Met haar afscheid van de Kloosterkerk verliet ze tevens het kerkelijk ambt.

„De oprichting van de Ekklesia vloeide voort uit mijn speciale opdracht om vanuit de Kloosterkerk meer en in breder verband naar de stad toe te werken. Het was politiek gezien een heel interessante en ook polariserende tijd, denk aan de apartheid in Zuid-Afrika, de coup in Chili, de oorlog in Vietnam. Ik legde contact met het IKV en Pax Christi en zette, in navolging van Dorothee Sölle in Keulen, een maandelijks politiek avondgebed op. Ik organiseerde een open huis in de kerk, eenmaal per maand na de zondagsdienst en, geïnspireerd door ds. Alje Klamer van – toen nog – de Ikor, een jaarlijkse Kerst-in.”

Die activiteiten werden een geweldig succes, maar speelden zich steeds meer af in de marge van de Kloosterkerkgemeente. De verhoudingen werden allengs moeizamer, en, geeft ze toe, „ik was eigenlijk wel te links voor een groot deel van de bestaande gemeente, en voor de andere predikant. De kerk vond het moeilijk andere politieke opvattingen de ruimte te geven. Er waren mensen die mij wel en mensen die mij niet waardeerden. Het was of ’hosanna’, of ’kruisigt haar’. Daar heb ik zeker onder geleden.”

Ook als vrouw heeft De Groot het in Den Haag moeilijk gehad. „Er waren in die tijd nog niet veel vrouwelijke predikanten. Voor zover ik weet was ik de eerste vrouw die, in volle rechten, op de kansel van een grote stadsgemeente stond. Er speelden mechanismen van seksisme, die processen op gang brachten waardoor ik me vernederd en gemarginaliseerd voelde. In de Kloosterkerk ben ik feministe geworden.”

In de Ekklesia, die een oefenplaats wilde zijn van ’samen leven’, werd zij pastor-zonder-ambtskleed en, net als de andere voorgangers, onbezoldigd. „We waren een soort priester-arbeiders. Iedereen deed mee in de bediening. We hielden vieringen met brood en wijn, waarvoor Simonis, destijds bisschop van Rotterdam, om pastorale redenen toestemming had gegeven, op voorwaarde dat we het geen eucharistie noemden. De manier waarop ik daar het ambt kon bekleden, past mij.”

De Groot noemt het achteraf gezien een gemiste kans van de kerken, zowel de protestantse als de rooms-katholieke, dat zij de basisbeweging niet hebben geïntegreerd. „Er zijn her en der nog kleine basisgroepen actief, maar die zijn buiten de kerk komen staan. De kerken zouden er nu anders, beter, voorstaan als zij die groepen binnenboord hadden gehouden. Minder gelovigen zouden onkerkelijk zijn geworden. Maar de kerk koos voor de veilige weg.”

In de tweede helft van de jaren zeventig stond zij, met vrouwen als Trudy Klijn, Tine Halkes en Gonny Scholten, aan de wieg van de feministische theologie. In 1980 bood een vrouwengroep van de theologische faculteit in Utrecht haar voor enkele maanden een onderzoeksplaats aan in de feministische exegese, en daarna volgde de verhuizing naar Woudsend. „Overal waar ik werkte, werden mij meteen beperkingen opgelegd als feministisch theologe, maar in mijn eigen werkplaats, die gevoed werd vanuit de basisbeweging, kon ik mijn gang gaan.”

Een jaar later, september 1982, kreeg zij het aanbod voor een promotieplaats in Utrecht. „Geweldig. Zo kon ik het fundament leggen onder alles wat ik deed, door een studie waarin ik beide vakken, theologie en letteren, kon verenigen.” Dit proefschrift, een vrouwelijke exegese van het Johannesevangelie, werd een van de grootste drama’s van haar leven. „Toen het in 1987 klaar was, wees de beoordelingscommissie van vier mannelijke professoren het unaniem af. Zonder werkelijke argumenten. Er zouden fouten in staan, maar op de vraag welke, kwam geen antwoord. Ik heb dat ervaren als een zeer onrechtvaardige zaak, en als seksisme in optima forma. Waarmee ik wil zeggen dat de heren het werk van vrouwen met onwil en tegenzin bekijken, vooral als er dingen in staan die zij zelf niet weten.” Haar promotor, de rk theoloog prof. De Kruijf kon niets doen, maar door tussenkomst van haar copromotor, literatuurwetenschapper prof. Mieke Bal, promoveerde ze een jaar later alsnog, maar dan aan de letterenfaculteit. „Van die vier professoren heb ik niets meer vernomen, en de medewerkers van de theologische faculteit kregen het consigne dat ze niet bij mijn promotie aanwezig mochten zijn.” Over haar proefschrift heeft ze trouwens nooit iets negatiefs gehoord. „Wel kreeg ik uitnodigingen, uit Hamburg, Cambridge en Amsterdam, om te solliciteren als hoogleraar vrouwenstudies.”

Terugziend op haar leven omschrijft Maria de Groot zichzelf als een pelgrim op de weg van de poëzie. „Ik voel mij op de eerste plaats dichter, daar heb ik alles in geïnvesteerd. Het belangrijkste, het kostbaarste is voor mij de poëzie – de twintig dichtbundels die ik heb gepubliceerd. Dat ben ik, dat is mijn leven en mijn rijkdom. Dat wordt meestal niet gezien. Ik vind dat wel moeilijk, ja, maar ik begrijp hoe het komt. Van die combinatie met pelgrimschap – het echt gevuld zijn met geloof, visioen en spiritualiteit - moeten de letteren niet veel hebben. En dan ben ik ook nog eens theoloog. Je kunt als dichter alles zijn, medisch specialist of vuilnisman, maar predikant? Dat is taboe. Niemand brandt zijn vingers aan mijn poëtisch oeuvre.”

Toch is ze daar niet ongelukkig over. „Ik heb het oeuvre gemaakt dat ik wilde maken en ik ben blij met de reacties die er wél zijn. De recensie in Roodkoper bijvoorbeeld van Henk van der Ent, over mijn keuzebundel met mystieke poëzie ’Hoe ver de weg nog is’. ’Het wordt langzamerhand tijd voor de staatsprijs voor poëzie’, schreef hij over mijn werk. Daar kan ik dan weer jaren op teren.”

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie