Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Louis Tas / Bewondering is de gedecafénieerde afgunst

Home

arjan visser

Louis Tas (Amsterdam, 1920) is psychotherapeut. Hij is vertaler en inleider van Sartre’s ’Magie en emotie’ (1967) en schrijver van essays over verscheidene emoties, met name schaamte. In 1947 verscheen ’Dagboek uit een kamp’, onder het pseudoniem Loden Vogel. In 1965 volgde een tweede en in 2000 een derde versie van het boek waarin hij ’Brief an eine Deutsche’ opnam, een uitvoerig nawoord.

I

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Op een dag vroeg mijn oudste zoon, toen vier jaar oud: ’Geloven wij God?’ ’Hoezo?’ vroeg ik. ’Het dienstmeisje, beneden, gelooft God.’ O. ’Nou, wij geloven God niet, maar er zijn heel aardige mensen die God wél geloven.’

Het gekke is dat ik niet goed weet wat geloven betekent; daar heb ik te weinig ervaring mee. Ik heb nog nooit iemand meegemaakt bij wie het geloof in God – en de heilige familie die daar bij hoort – zo groot is. Een collega heeft wel eens tegen mij gezegd: ’Zelfs het abstracte godsbegrip van de joden is jou nog te antropomorf. En dat noem jij dan atheïsme.’ Ik wist meteen: daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben. Als je de natuur, de wereld, ziet, dan heb je toch niet óók nog eens een extra God nodig? Hoe Henri Bergson het precies bedoelde, weet ik niet, maar er is een betekenis van het begrip L’évolution créatrice waarin ik het wel snap. De evolutie heeft zichzelf gemaakt. Daar een of andere Grote Knutselaar bij te bedenken is eigenlijk een anticlimax.”

II

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Beeldende kunst raakt het goddelijke niet, nee, ze ís het goddelijke. Hoe het komt dat ik erdoor ontroerd kan raken, zou ik je niet kunnen vertellen. Misschien hierom: de gedachte dat mensen dit kunnen. Een gewone meneer heeft dit gemaakt. Zoiets. Wat zorgt ervoor dat iets me raakt? Ik weet het niet. Maar er zijn nog meer wereldraadselen die ik nog niet heb opgelost.”

III

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Als ik met een hamer op mijn duim sla, bestaat de kans dat ik de naam van de Schepper ijdelijk gebruik, maar ik vind het niet erg. Als we die Schepper zien in de aardige definitie van Spinoza, waarin God alles is en alles God, dan lijkt het me ook nogal kras dat Hij gekrenkt zou kunnen worden. Tot dergelijke menselijke kinderachtigheid acht ik de geest van het heelal niet in staat.

Ik kan met enige ongerustheid kijken naar de vermenigvuldiging van het aantal mensen dat kennelijk beledigd raakt als je hun God of hun profeet beledigt. Ja, ik bedoel mohammedanen. Maar vrome joden kunnen er ook wat van. En met de calvinisten en de katholieken hebben we ook het een en ander meegemaakt.

Ik zal me niet inhouden. Als iemand me vraagt hoe ik over zijn religie denk, zal ik het zeggen. Of het moet levensgevaarlijk zijn. Dan zal ik proberen eronderuit te komen. Ik vind niet dat je eergevoel je dat moet verbieden.

Dit schiet me nu te binnen: er is in Parijs een gedenkteken voor een of andere chevalier die werd onthoofd omdat hij weigerde een processie te begroeten. Daar heb ik respect voor. Da’s een held. Hij wist welk risico hij liep en tóch verdomde hij het zich aan te passen.”

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik vier de sabbat op geen enkele manier. Ik kom nooit in sjoel. Als goede vrienden trouwen of als zij vinden dat hun kind bar mitswa is, vind ik het een affront om een uitnodiging te weigeren, maar eigenlijk vind ik het zonde van mijn tijd. Als ik ooit overlijd, wil geen religieus gedoe. Er hoeft voor mij geen kaddisj gezegd te worden. Ik heb die tekst wel eens gelezen en gedacht: nou, nou, nou, is het niet een beetje masochistisch om God te prijzen terwijl hij iemand heeft weggenomen? Later heb ik begrepen dat Hij wordt geprezen omdat Hij die persoon heeft laten bestaan. Dat is beter. Maar toch.

Laatst werden we uitgenodigd voor een seideravond. Ik had er absoluut geen zin in, maar ik wou ook geen lullige spelbreker zijn dus ik ging mee. Ik stapte daar binnen en barstte onmiddellijk in tranen uit. Toen dacht ik: nu begrijp ik waarom ik niet wou! Wat er aan de hand was? Dat kan ik je niet zo goed uitleggen. Het thema – het is toch een verhaal over bevrijding – ontroerde me, de herinnering aan opa Baard, de vader van mijn moeder* het zal allemaal meegespeeld hebben. Al snel daarna dacht ik: ik hoop dat ik er volgend jaar niet wéér heen moet. Alles wat met godsdienst te maken heeft – en dan ook nog in een taal die ik niet spreek – vind ik vervelend. Ik ken het verhaal van de uittocht uit Egypte wel, maar op den duur denk ik toch: gooi het maar in mijn pet.

Ik heb dezelfde voorgeschiedenis. Ik weet hoe de dingen zijn gegaan. En dat ik afstam van mensen die liever vervolging trotseerden dan dat ze zich lieten dopen. Vind ik ook wel tof. Maar verder? Ik ben jood. Daar kom ik niet vanaf. Ik kan hooguit iemand zijn die er niet voor uitkomt. Ik moet nog vaak denken aan een uitspraak van opa Baard. Hij had het grootste respect voor gedoopte joden, zei hij, ’maar als de joden de grote machtige meerderheid zouden vormen en de christenen een kleine verdrukte sekte, zou ik nog meer eerbied voor ze hebben gehad’.”

V

Eer uw vader en uw moeder

„Misschien is het wel erg braaf om te zeggen: ik, voor mij, heb dit gebod helemaal niet nodig. Ik vind het een vanzelfsprekendheid dat ik mijn vader en moeder eer. Ik keek tegen ze op. Doe ik nog steeds.

Ik heb met mijn vader niet veel strijd geleverd. Ik herinner me daar weinig van. Het wordt bijna psychoanalytisch om daar op in te gaan, maar ik denk dat ik veel te weinig met hem heb geconcurreerd. Ik denk dat ik, instinctief, dingen niet deed waar hij jaloers op had kunnen worden. Bijvoorbeeld: hij is nooit gepromoveerd. Ik ook niet. Achteraf kan ik zeggen dat ik niet uit was op een academische loopbaan. Wat is kip en wat is ei? Ik was onbewust, of impliciet, bang voor zijn reactie. Ik denk ook dat hij mijn zuster voortrok omdat hij van haar geen concurrentie op zijn eigen terrein hoefde te duchten.

Er was nooit iemand jaloers bij ons thuis. Dat heb ik later pas geleerd. Ik beleef het als een grote errungenschaft, een aanwinst, de familiemythe te hebben doorbroken door te weten hoe jaloers ik ben.

Mijn moeder was eerlijk. Een totaal echt iemand. Ze stelde zich niet aan. Ze was ook erg geestig. Toen bij haar een hersentumor werd ontdekt en ze geopereerd moest worden, zei ze: ’Dit is misschien wel de gelegenheid voor onvergetelijke laatste woorden. Of zijn dit ze al?’ En vlak voordat we uit het kamp werden bevrijd, zei ze tegen me: ’Zeg, als je nog een pondje boter over hebt, mag je je schoenen wel eens invetten. Ze zien er niet uit’. En ik: ’Ja, dat zou geen luxe zijn’. Daar lachten we geen van beiden bij.

Een beeld, je wilt je een voorstelling van mijn ouders kunnen maken. Het waren betrekkelijk kleine mensen. Daarom ben ik er de laatste tijd pas achter dat ik zelf klein ben. Terwijl ik mezelf tachtig jaar lang niet als klein heb beleefd. Haar ogen? Ik denk dat ik die nu, bij wijze van zelfbescherming, niet kan zien. Een diepe blik* Het spijt me, ik heb geen zin om mijn emotionele kunsten te gaan vertonen in een interview.

Ik ben er erg voor als mensen aangedaan raken, maar heus, het wordt zo droevig als ik ga proberen mijn moeder voor de geest te halen. Ik merk dat ik dat niet kan. Ze is er niet meer. Mijn ouders zijn er niet meer. Dat maakt me zo verdrietig. Gemis. Dat is het. Toen mijn moeder in 1970 stierf, gaf werken troost. Acht jaar later, na het overlijden van mijn vader, heb ik veertien dagen niets kunnen doen. Ik ben geneigd te beamen dat het gemis zo groot is doordat we met z’n drieën Bergen-Belsen hebben overleefd, maar dat is niet zo. Het gaat me eerder om de leuke dingen die we hebben meegemaakt dan het gevaar waarin we hebben gezeten. Weet je wat het is? Ik weet dat het onredelijk is, maar ik betrap mezelf op de gedachte dat het zo langzamerhand te lang begint te duren: ze mogen nu eindelijk wel weer eens terugkomen.”

VI

Gij zult niet doodslaan

„In Sobibor is een opstand geweest, een handjevol mensen heeft het er levend vanaf gebracht. Zij die daarbij eigenhandig een mof kapot hebben gemaakt, blijken – je zou het omgekeerde verwachten – geen last te hebben van schuldgevoelens. Ik denk nu wel eens: sommige van die nazi’s had ik zelf dood moeten maken. Het ging tegen mijn gevoel in. En ik heb de kans niet gehad. Ik zal niet weten of ik de voldoening van de wraak had kunnen smaken. Het enige wat ik kon doen, was mijn wraakgevoelens inslikken. De mensen die zich toen zo hebben misdragen zijn nóg ouder dan ik nu; wat heeft het voor zin om zo’n ouwe dibbes een stomp voor zijn kop te geven? Het is frustrerend. Belemmerend ook. Geen moord gepleegd en tóch schuldgevoelens. Survival guilt. Ik heb nog altijd de neiging om, als ik in bepaalde Amsterdamse buurten kom, mensen die al lang niet meer bestaan mijn excuses aan te bieden. Dat ik het wel heb overleefd. Dat ik er nog ben.”

VII

Gij zult niet echtbreken

„Je moet iemand gelukkig prijzen die zo dol is op zijn eigen vrouw dat hij een andere vrouw maar behelpen vindt. Ik geloof niet dat ik principieel monogaam ben, maar praktisch ben ik het wel want ik ben 87 en als ik in de tram contact denk te hebben met een leuke vrouw blijkt al snel dat ze voor me opstaat omdat ik een oud baasje ben, iemand die niet goed meer op zijn benen staat en kan omvallen in de bocht. En zelfs als het om iets anders gaat, zou ik er waarschijnlijk niet altijd gebruik van kunnen maken. Ik ben wat dat betreft dus noodgedwongen zeer monogaam. Over de tijd die hiervoor ligt, over de huwelijkse trouw, zullen we er het zwijgen toe doen want ik vind liegen uiteindelijk toch erger dan echtbreken.”

VIII

Gij zult niet stelen

„Meteen komt het kamp weer terug* En dan zeg ik dat het een heel essentieel gebod is. Ja. Dan denk ik aan situaties waarin ik iemands leven bedreig door van hem te stelen. Ik heb dat niet gedaan. De meeste mensen deden het niet. Dat viel me wel op, eigenlijk: hoe fatsoenlijk het grootste deel van de mensen is. Gesocialiseerd. Het heeft niets met straf te maken; de schande van een ontdekking is al genoeg. Die naam wil je niet hebben.

Of het nooit geoorloofd is? Wacht even! Ik maak een verschil tussen doen en goedkeuren. Ik kan me voorstellen dat ik chocola pik, als ik daar trek in heb. En als het toch niet opvalt. Maar niet van anderen, in tijden van hongersnood; dan komt het er inderdaad op aan dat zoiets niet gebeurt.”

IX

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Een valse getuigenis spreken waardoor iemand die onschuldig is moeilijkheden krijgt, dat is natuurlijk het summum van etterigheid. Maar liegen om niet zelf te worden betrapt op iets dat niet mag, ja* dat heb ik meer dan eens gedaan natuurlijk. Vraag me niet om voorbeelden. Die willen me niet te binnen schieten. Loog hij.

Het kamp. Niemand gelooft dat ik het meen, maar in verhouding tot andere kampen was Bergen-Belsen niet zwaar. Ik weet nog dat een medegevangene, een Griekse schurk – toen we net bevrijd waren – zei: ’Denk erom dat je, wat wij hebben meegemaakt, niet bagatelliseert. Overdrijf het liever’. Dat vond ik vreselijk gênant. Natuurlijk bagatelliseer ik. Ik neig altijd naar het understatement. Als stijlfiguur. Het werkt ook beter. Mensen denken dan: die meneer overdrijft niet, die nemen we serieus. Ik vind het gênant om dingen op een doorzichtige manier te overdrijven. Nee, niet vanwege de ander. Bij schaamte blijkt wat andere mensen vinden niet eens zo’n grote rol te spelen. Het zijn gefantaseerde anderen. Schaamte is een heel eigenwijze emotie; ík bepaal waar ik een figuur mee sla. En als iemand zegt: ’O, maar da’s helemaal niet zo erg, dat is mij ook herhaaldelijk gebeurd!’ dan denk ik: ja ja, dat zou ik ook zeggen om iemand op z’n gemak te stellen.

Die groep gefantaseerde anderen begint zich vanaf je jeugd te vormen. De psychoanalytica mevrouw Groen Prakken heeft eens bedacht dat het met vies zijn te maken heeft. Iemand wijst je erop dat je vies bent. Daar kom je zelf niet op, want je kunt je achterste niet zien. In een fase van je wording waarin je maximaal afhankelijk bent van je opvoeders hoor je van anderen dingen die gênant zijn of die daardoor gênant worden. Daar begint het: met bestaande anderen die gaandeweg veranderen in anderen die jij bedenkt.

Schaamte is mijn onderwerp. Ik weet niet hoe het zo ver is gekomen. Mijn ouders waren bohémien-achtig; als zij iets gewoon vonden, kon je er nooit helemaal op vertrouwen dat het dan ook echt gewoon was. Dus ga je opletten, of denken dat je moet opletten. Maar schaamte* In mijn rol van therapeut is schaamtegevoel een enorme uitdaging want het kost een heleboel moeite en subtiliteit om iemand daarmee te helpen. En ik herinner me slechts een paar interventies die geholpen hebben.

Deze is misschien wel leuk. Iemand was me iets aan het vertellen, onderbrak zichzelf en zei: ’Toch heb ik het gevoel dat je er tegen bent, tegen wat ik je nu vertel’. In plaats van ’dat is niet waar’ of ’dat denk je maar’ te zeggen, antwoordde ik: ’En moet ik dan op mijn wenken bediend worden?’ Waarop die persoon zei: ’Dat geeft ruimte’. Hij hoorde dat ik het onderdanige element in de schaamte aanwees; dat je het in je macht hebt om te zeggen: ik weet dat jij het afkeurt, maar ik doe het lekker toch. En als je op die mogelijkheid komt dan heb je de afhankelijkheid voor even buiten haakjes gebracht. Dan zie je dat die afhankelijkheid een fantasie is. Dat werkt.”

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Zie jij dit meteen al als afgunst? Wat leuk. Zo heb ik er nooit naar gekeken. Ik las het als ’gereed maken om te stelen’. Afgunst is niet helemaal hetzelfde als begeren. Je kunt afgunstig zijn zonder het zelfs te willen hebben; gewoon een ander iets niet gunnen. Ik leg mijn patiënten altijd uit dat gunnen alleen maar kan als je afgunstig bent. Wat zou het anders voor inhoud hebben? Ik ben zelf nogal een bewonderaar, maar bewondering is de gedecafénieerde afgunst; een afgunst die je niet hoeft te voelen. Echte afgunst is er ook nog wel, maar ik weet niet meer genoeg van wat er allemaal gebeurt. Ik kan er niet meer bij. Het is gênant om oud te worden. Ik word ook angstiger. Ik heb eens aan Sjef Teuns, een collega van me, gevraagd: ’Hoe kan het nou dat jonge mensen, die zo veel te verliezen hebben, zo moedig zijn terwijl wij, oude mensen, ons aan het bestaan vastklampen?’ Hij zei: ’Dat komt doordat we zijn beschadigd door allerlei rouwprocessen’. Daardoor zijn we minder robuust. Je begint je aan dingen vast te grijpen als je je niet safe voelt. Er worden steeds hogere eisen aan je gesteld met steeds geringere mogelijkheden. Ik kan minder. Ik tel minder. Ik kan al niet meer schaatsenrijden. Vind ik heel vervelend. Fietsen durf ik haast niet meer omdat iedereen steeds zegt: ’Fiets jij nog?’ Dan voel ik me een uitslover en denk: laat ik de tram maar nemen. Er kan een moment komen waarop het voor mij niet meer hoeft. Dat zou geen aanvaarding, geen berusting zijn, maar woede. Woede. En schaamte. Je besterft het ten slotte van de schaamte. Niet meer verder te kunnen. Iedereen mag lekker doorgaan met waar hij mee bezig is, maar ik ben er niet meer bij. Lullig.”

Deel dit artikel