Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

LITERATUURONDERWIJS

Home

DORIEN PELS

Als er iets duidelijk wordt uit het proefschrift van Tanja Janssen over het Nederlandse literatuuronderwijs, is het wel dat geen docent hetzelfde van zijn leerlingen vraagt. En de onderzoekster betwijfelt of daarin met de vernieuwingen van havo en vwo verandering komt: “Literatuur zit dicht op je huid. En het is zo'n breed vakgebied dat een docent er niet aan ontkomt zijn eigen meningen en voorkeuren te laten meespelen.”

De discussie over het vak Nederlands binnen de vernieuwde havo en vwo, het studiehuis, kent twee uitersten: tegenstanders zijn bang dat de lessen veranderen in kletsen over 'leuke' boeken, voorstanders zijn blij af te zijn van het feitjes stampen.

Tanja Janssen (1958) ondervroeg voor haar proefschrift 'Literatuuronderwijs bij benadering' 1200 docenten Nederlands die les geven aan de twee hoogste klassen. Morgen promoveert de Amsterdamse onderwijskundige aan de Utrechtse universiteit op een onderzoek waaruit blijkt dat er globaal vier types docenten bestaan. Bijna de helft van de docenten schaart Janssen onder de noemer cultuurvormer, de verteller, die de nadruk legt op historische feitenkennis en de meeste aandacht besteedt aan vooroorlogse literatuur. “Vaak wordt beweerd dat door dit soort stoffige lessen leerlingen afkerig worden van literatuur. Maar het tegendeel blijkt. Leerlingen waarderen een goede verteller voor de klas.” Het grote nadeel, zo blijkt uit het onderzoek, is dat leerlingen niet leren zelf te lezen, te interpreteren en zich een mening te vormen. Daarom is de onderzoekster voorstander van het studiehuis, waarbinnen die vaardigheden belangrijk zijn. Janssen. “De Nederlandse beschaving gaat echt niet te gronde als er wat minder literatuurgeschiedenis gegeven wordt.”

Naast de enquête voerde Janssen uitvoerige gesprekken met twaalf docenten en volgde ze van vier van hen de lessen. Ook 120 leerlingen gaven hun oordeel. Zij moesten in stellingen aangeven wat ze dachten te leren, zoals: 'ik heb vooral geleerd dat schrijvers een slechte jeugd hebben.'

Tegenpool van de cultuurvormer is de 'individuele ontplooier'. Deze docenten (25 procent) leggen de nadruk op moderne literatuur en streven ernaar leerlingen zelfkennis te laten opdoen. Alex, een typische ontplooier: “Na de boekenlijst heb ik een beter beeld van mijn leerling als mens.” Een opvatting die haaks staat op die van een cultuurvormer. Chantal, een frikkerige docent, vraagt niet naar persoonlijke reacties op literatuur. “Dat vind ik veel te vrijblijvend. Ik ben niet zo teerhartig: ik zie leerlingen gewoon als lieden waarin kennis moet worden gestopt.”

Chantal wordt door de leerlingen op handen gedragen. Omdat ze boeiend vertelt, maar vooral - en dat geldt voor de meeste reacties van leerlingen op cultuurvormers - omdat de lessen overzichtelijk zijn. “Als leerlingen gewoon hun huiswerk maken en feitjes opdreunen, halen ze altijd een voldoende. Te bedenken wat je van een tekst vindt, vragen stellen en discussiëren, is voor een zestien- of zeventienjarige moeilijker. En laten we eerlijk zijn, de meeste scholieren gaan niet voor de lol naar school, die proberen met zo min mogelijk moeite er doorheen te rollen.”

Janssen noemt nog twee prototypes. De literair-esthetische vormer, met veel aandacht voor de technische kant van literatuur, zoals opbouw van de tekst en vertelperspectief. Waarschijnlijk is deze benadering te moeilijk, want de helft van de leerlingen van dit type docent meldt een hekel te hebben aan literatuur. “Deze methode is bijna universitair. De leerlingen moeten eerst een hele lijst aan moeilijke vragen over de technische kanten van een tekst beantwoorden, voor ze mogen vertellen wat ze van de inhoud vinden.” De laatste groep noemt Janssen de maatschappelijke vormer (12 procent), die via boeken de leerlingen een kritische kijk op de wereld wil meegeven. In de praktijk verschilt deze groep niet duidelijk van de individuele ontplooier.

Hoewel er natuurlijk geen docent is die niet hoopt dat hij zijn liefde voor literatuur kan overdragen, en daar zijn eigen manier voor kiest, vindt Janssen dat 'leesplezier' niet het doel moet zijn van het Nederlandse onderwijs. “Je verwacht toch ook niet van een middelbare scholier dat hij of zij na het eindexamen van wiskunde blijft houden? Ik vind het belangrijker dat leerlingen vaardigheden worden bijgebracht om teksten te kunnen lezen en begrijpen. Of ze daar nu plezier aan beleven of niet.”

Deel dit artikel