Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Lipke Holthuis 1921-2008

Home

Esther Hageman

Een leven gewijd aan de Crustacea: Lipke Holthuis vond niets leuker dan kreeften, krabben en garnalen ontdekken en beschrijven.

De Friese achternaam van zijn moeder dreigde uit te sterven. Daarom kreeg Lipke Holthuis haar achternaam mee als tweede voornaam. Zo komt het dat hij Lipke Bijdeley Holthuis heette.

Hoewel hij z’n Friese wortels koesterde, was hij eigenlijk een Indische jongen. Hij werd geboren in de vissersplaats Probolinggo, in Oost-Java. Zijn vader werkte er als hoofd van een school voor inlandse ambtenaren, zijn moeder was tot haar huwelijk ook onderwijzeres geweest maar beperkte zich nu tot haar eigen kinderen. Later verhuisden ze naar het binnenland, naar wat nu Madiun heet. Het gezin ging terug naar Nederland toen Lipke Holthuis acht was, toen zijn vader niet langer hoofd mocht zijn omdat hij geen hoofdakte had.

Hij had één zus, de drie jaar oudere Antje. Ze waren bijzonder op elkaar gesteld - alsof opgroeien als twee witte kinderen in de tropen een extra band had geschapen. Hij ging in Leiden biologie studeren, want hij was al jong gegrepen door de studie van de natuur. Zijn zus was geneeskunde gaan doen. Toen de oorlog uitbrak – hij werkte inmiddels bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie – viel hij precies in de leeftijdscategorie die gedwongen in Duitsland moest werken, dus dook hij onder. Eerst in het museum, dat toen aan de Raamsteeg stond, midden in de stad. Er zaten wel meer onderduikers. Ze leefden op gekookte tulpenbollen, maar het moet een voordeel geweest zijn om op je werk te wonen.

Toen het daar te gevaarlijk begon te worden, bracht zijn zuster, neuroloog in het academisch ziekenhuis, hem onder in haar huis aan de Oude Singel. Daar verborg ze samen met haar huisgenote Mien Lubbe een heleboel mensen – joden, mannen die net als Lipke Holthuis de Arbeidsinzet ontdoken. Zij zou later voor haar verzetswerk als een van de ’Rechtvaardigen’ van Yad Vashem worden erkend. Via een van de onderduiksters leerde ze Salomon Kroonenberg kennen, haar latere man.

Lipke Holthuis daarentegen trouwde niet. Niet omdat hij niks met vrouwen had; niet omdat hij niet in trek was; evenmin omdat hij in de liefde zijn neus gestoten had. Hij trouwde niet omdat een andere liefde in zijn leven sterker was: die voor zijn werk.

De toewijding van Lipke Holthuis aan de Crustacaea – waartoe kreeften, krabben en garnalen behoren – kan nauwelijks worden overschat. Dat valt af te lezen aan de 617 publicaties die hij nalaat, maar ook aan de werktijden die hij gewoon was.

’s Morgens om 5 uur begon zijn werkdag. Hij had er al een halve dag op zitten wanneer de collega’s binnenkwamen. Aan het eind van de middag ging hij naar huis met wat werk in zijn tas, at ergens iets – hij kon zelf nog geen ei koken – werkte nog wat, ging tussen acht en negen uur naar bed en was de volgende dag opnieuw als eerste present.

Zijn leven lag in het museum. Direct na de oorlog was Holthuis gepromoveerd op de kreeften die tijdens de eerste Snellius-expeditie, in 1929, uit Nederlands-Indië waren meegebracht. Daarna was hij in het museum assistent-conservator geworden. Niet van de kreeftachtigen, maar van de ongewervelden. Het maakte hem in zoverre niet uit, dat zijn eigenlijke plezier erin school om soorten te beschrijven en ze in een systeem te plaatsen. Om te weten ’wat er allemaal is’. Om nieuwe soorten te ontdekken. In theorie had zijn werk ook over olifanten of planten kunnen gaan.

In 1950 keerde hij terug tot de kreeftachtigen en werd hij hun conservator. In die positie heeft hij honderden nieuwe soorten beschreven.

Hij had dan misschien zelf geen kinderen, zijn zus en haar man – zij zenuwarts, hij oogarts – kregen ze wel. Voor die kinderen was hij een belangrijke oom. Oom Lipke, die om de haverklap lange verre reizen maakte – zes maanden Nieuw-Guinea, zes maanden op de Antillen en in Suriname – en overal krabben en kreeften verzamelde, kon over die reizen prachtige verhalen vertellen. Dat werkte inspirerend op de Kroonenbergjes. Twee van hen gingen ook de wetenschap in.

Naarmate Holthuis als carcinoloog beroemder werd, ontving hij meer en meer vakgenoten uit de hele wereld. Hij werd hoogleraar in Miami – al heeft hij nooit gedoceerd – en lid van the International Commission on Zoological Nomenclature, het hoogste gezag in de officiële naamgeving van een dier. Hij nam zijn gasten in Leiden altijd mee uit eten naar hetzelfde restaurant: La Cloche. Daar wilde hij altijd dezelfde ronde tafel bij de ingang, en liefst at hij er hetzelfde als de vorige keer. Zo’n gewoontedier was hij ook wanneer het om kleding ging. Hij droeg altijd dezelfde pakken. Dat was handig, zei hij, dan kon je jasjes en broeken verwisselen. Op zijn stropdassen stond vaak een kreeft, krab of garnaal – hij had een enorme verzameling van zulke dingen. ’Krabbelaria’, noemde hij ze. Politiek was hij conservatief en een trouwe VVD-supporter. Een heel verschil met zijn zus, die de PvdA toegedaan was. Maar dat verschil leidde niet tot ruzies. Binnen de familie was men het erover eens: we zijn het nu eenmaal oneens. Toen wijlen keizer Hirohito van Japan (die behalve keizer ook bioloog was) hem op de thee uitnodigde, in de tijd dat Wim Kan zich opwond dat Nederland de oorlogsmisdadiger Hirohito ontving, ging Holthuis op de uitnodiging in. Hij zag Hirohito primair als een kenner van hydroidpoliepen.

Officieel ging Holthuis in 1986 met pensioen, maar in de praktijk veranderde er weinig. In het nieuwe gebouw had hij geen eigen sleutel meer, zodat hij nu pas ’s morgens om half acht kon beginnen, wanneer de bewaking kwam – op zaterdagen zelfs pas om half negen. Een jaar of tien geleden verhuisde hij naar een serviceflat vlakbij de nieuwe plek van het museum, in een nieuw gebouw en met een nieuwe naam: Naturalis.

Hij overwon versleten heupen, huid- en prostaatkanker. Afgelopen herfst kreeg hij longontsteking, herstelde en ging weer aan het werk, in zijn kamer zonder daglicht die hij deelde met een andere onstuitbare 65-plusser. Alleen fietste hij nu niet meer, hij wandelde nu naar Naturalis. Hij rondde zijn commentaar af, 40 pagina’s, op het nieuwe, vuistdikke boek waarin alle tot nu toe bekende krabben staan opgesomd. Begin februari kwam hij met een infectie aan zijn urinewegen in het ziekenhuis terecht. Aan de koorts van die infectie overleed hij, zonder spijt. Hij vond dat hij een mooi leven had gehad. Hij laat een schat aan zeldzame boeken over kreeften en krabben aan het museum na.

Lipke Bijdeley Holthuis werd op 21 april 1921 in Probolinggo, Oost-Java geboren. Hij overleed in Leiden op 7 maart 2008.

Deel dit artikel