Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Lees, er staat wat er staat

Home

Janita Monna

Een Fries en een Belg dragen de vlaggen van Gedichtendag. De Friese dichter Tsjêbbe Hettinga schreef de traditionele Gedichtendagbundel, de Vlaming Charles Ducal maakte het Gedichtendagessay.

Het initiatief voor een Gedichtendagessay kwam drie jaar geleden van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Na Paul Bogaert en Luuk Gruwez schreef nu Charles Ducal een persoonlijk pleidooi voor poëzie in ’Alle poëzie dateert van vandaag’. Een sympathiek essay waarin hij vanuit jarenlange ervaring in het onderwijs pleit om te lezen wat er staat.

Zijn pleidooi is een reactie op Nijhoffs aloude adagium ’Lees maar, er staat niet wat er staat’. „Het is in zijn context een prachtige regel, maar of hij de leesvaardigheid van poëzie heeft bevorderd, betwijfel ik”, schrijft Ducal. Te veel zijn Nijhoffs woorden misbruikt om in een gedicht alles maar te mogen lezen.

Een gedicht is een taalervaring, zo benadrukt Ducal. En daarom vraagt het lezen van poëzie een ’strikter, secuurder en geconcentreerder’ lezen dan gewoonlijk. Veel beschouwingen die zich richten op het literatuuronderwijs zijn nogal eens drammerig of bitter van toon. Ducal is realistisch, hij laat zien dat ook met goed poëzieonderwijs het aantal mensen dat daadwerkelijk een gedicht zal lezen, klein blijft. Maar iedereen moet op z’n minst de mogelijkheid hebben om een poëzielezer te worden.

Nadat in eerdere jaren grote Nederlandstalige dichters als Judith Herzberg, Hugo Claus en Gerrit Kouwenaar de eer te beurt viel, is de keuze voor Tsjêbbe Hettinga als auteur voor de Gedichtendagbundel opvallend en gewaagd. En niet alleen omdat Hettinga in het Fries schrijft.

Het lezen van zijn beeldende epische poëzie, waarin de zinnen worden voortgestuwd door klank en ritme, vergt een onalledaagse concentratie –precies die concentratie waar Ducal voor pleit. Maar wie Hettinga ooit hoorde voordragen, is voorgoed betoverd door de zangerige toon waarmee de nagenoeg blinde dichter zijn gedichten declameert. Niet voor niets geniet hij wereldfaam.

Ter gelegenheid van Gedichtendag verschijnen twee lange, nieuwe gedichten, gebundeld in ’Aan schor en Stad Niks voorbij’/ ’Oan leech en Stêd Niks foarby’. De poëzie biedt vertrouwde Hettinga-beelden en thema’s en heeft een indrukwekkende kracht.

Het titelgedicht, vier zangen met typografisch gelijkvormige strofen, bezingt een weids kustlandschap –een schor is buitendijks gebied dat bij hoog water onderloopt. Het is een woest en grimmig land, met hoge luchten, wind en ’wolken op bedevaart’. In deze sinistere, maar bezielde leegte is alles wat menselijk is nietig en klein. Hettinga toont het scherp in een regel als deze, waarin een vrouw loopt, ’uit het lood hangend door de gesel van de wind’. ’Aan schor en Stad Niks voorbij’ roept een oude, trage wereld op van armoe, hard werken en gegroefde huid.

’Gezicht vol zeevogels’, het tweede gedicht uit de bundel is daarentegen mondain. De rivier in deze lange zang meandert door de grote, vuile stad. De steeds herhaalde en licht variërende regel ’Breder dan Bremen de rivier’ verbindt Turkse vrouwen, markten met ’lommerdwaar’, vrachtschepen, stoere mannen en erotiek.

Laat niemand zich door de lengte van deze gedichten afschrikken, en vooral ook niet door de Friese taal. De uitdijende, door klank en herhaling bijeengehouden Friese poëzie werd vertaald door Hettinga’s vaste vertaler Benno Barnard. En ook in het Nederlands voeren de gedichten tot voorbij de horizon, naar een wereld van haast mythische omvang.

Deel dit artikel