Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

KUNSTGESCHIEDENIS

Home

HARM IKINK

Te zien in Teylers museum, Spaarne 16 te Haarlem, tot en met 18 juni. Di. tot za. 10.00-17.00 uur, zon- en feestdagen 13.00-17.00 uur.

In vijftien van de negentien laatjes van een verder onaanzienlijk kastje legde Michiel Hafkenscheid (1772-1846) een soort staalkaart aan van de verfstoffen uit zijn handel. Het bood zijn klanten een keus uit de collectie kleurstoffen, pigmenten, gommen en harsen. Zelf gebruikte hij de grondstoffen en halffabrikaten in het kastje als vergelijkingsmateriaal bij de inkoop van nieuwe partijen.

Hafkenscheids firma, en daarmee ook het kastje, bleef bijna een eeuw in de familie. In 1927 hadden de nazaten genoeg van de verfbusiness en werd de hele boedel verkocht. Michiel Hafkenscheids kastje zou waarschijnlijk bij het grof vuil zijn terechtgekomen, als een oplettende curator niet de waarde van de verzameling had beseft. Hij zorgde ervoor dat die aan de faculteit Scheikundige Technologie van de toenmalige TH Delft werd geschonken. Sinds vorig jaar behoort het tot de Teylercollectie.

De vrijwel volledige verzameling van het verfarsenaal van de oude meesters geeft het kastje grote kunst- en wetenschapshistorische betekenis. Maar daar maak je nog geen tentoonstelling mee. De bezoeker van Teylers waardeert vooral de uitputtende beschrijving van de 320 monsters die Hafkenscheid bij elkaar bracht.

Die is het werk van dr. Ineke Pey. Ze wijdde in 1985 tijdens haar studie kunstgeschiedenis een doctoraalscriptie aan het kastje. Met een achtergrond als chemisch analiste was ze de aangewezen persoon om de collectie onder de loep te nemen. Haar werk (helaas niet in druk verschenen) bevat een schat aan interessante en bij vlagen hoogst curieuze informatie. Zo bevat vakje 106 'ongeprepareerde cochenille': een handjevol eeuwenoude geslachtsrijpe vrouwelijke zilvergrijze cactusschildluizen (Coccus cacti). Ze werden gevangen in Mexico en Centraal-Amerika, vlak voor het moment waarop ze hun eitjes gingen leggen. Dan bevat het bloed namelijk veel karmijnzuur, een favoriete rode kleurstof waar de verfhandelaar goed geld mee kon verdienen.

Luizen waren gewilde slachtoffers: ook de rode 'stoklak' uit vakje 165 dankt zijn kleur aan een schildluis (Coccus lacca).

Mummiebruin

De achttiende-eeuwse verfindustrie ging (niet alleen ten behoeve van de schilders, maar ook voor textielververijen) heel ver in de speurtocht naar de beste kleurstoffen en pigmenten. Zowel letterlijk als figuurlijk. Het kastje bevat materialen uit de hele wereld, van Europese uithoeken tot Kazachstan, de Amerika's en het Verre Oosten.

In vakje 317 vinden we 'Indiaans geel', dat eigenlijk Indisch geel is (waarschijnlijk werd het Engelse indian yellow ooit verkeerd vertaald). Het is een extract van de urine van Indische koeien, die voor een kleurig resultaat met mangobladeren gevoed werden. Uit het oogpunt van dierenbescherming is deze kleurstof tegenwoordig verboden.

Ongetwijfeld ook niet meer erg in trek is pigment 249: mumia. De in deze naam besloten verschrikking blijkt op waarheid te berusten: op zoek naar een mooie bruine kleur deinsden Hafkenscheids toeleveranciers er niet voor terug, Egyptische mummies te ontleden. Vooral de vleeshoudende delen van de farao's en hun gevolg bleken erg in trek als grondstof voor dit macabere pigment.

Hafkenscheids verzameling is niet alleen curieus, maar een verplicht nummer voor de liefhebber van de schilderkunst, die er bijvoorbeeld het antwoord vindt op de vraag waarom de bomen van Vermeer blauw zijn. Schijtgeel, daar ligt het aan. Groen was voor de oude meesters een moeilijke kleur, natuurlijke pigmenten waren te zacht of te fel. De juiste nuance werd dus gevonden door het mengen van blauw en geel. Schijtgeel bleek echter niet bestand tegen de inwerking van zonlicht en verdween langzaam van het doek. En waarom die naam? Zie vakjes 220-222. Het gele pigment werd meestal gemengd met krijt om het beter dekkend te maken. De resulterende massa had de consistentie van 'menschendrek' - vandaar.

Teylers' collectie betreft zowel kunst als wetenschap en Hafkenscheids kastje ligt precies op het raakvlak daarvan. De tentoonstelling besteedt daarom ook aandacht aan het werk van Delftse onderzoeker dr. ir. A. M. de Wild, die de inhoud van de laatjes in 1928 gebruikte voor zijn dissertatie 'Het natuurwetenschappelijk onderzoek aan schilderijen'.

Naast een microscopisch onderzoek van verfmonsters onderzocht De Wild schilderijen met behulp van röntgenfoto's. In Teyler zijn enkele van die historische opnamen te zien. Ze zijn pas een week voor de opening ontdekt in een lade van de oude platencamera van De Wild.

Veel meer tot de verbeelding spreekt het onderzoek naar de schilderijen van meestervervalser Han van Meegeren. Hoe grondig die te werk ging, blijkt uit het feit dat zijn pigmenten vrijwel identiek zijn aan die uit Hafkenscheids collectie. Zo goed was zijn imitatie van de stijl en techniek van Vermeer, dat alleen een onderzoek naar het gebruikte bindmiddel uitsluitsel kon bieden. Een onderzoekscommissie uit 1946 kon Van Meegeren ontmaskeren omdat hij een 20-eeuwse bakeliet-kunsthars gebruikte, die uiteraard in Hafkenscheids collectie niet voorkomt.

Deel dit artikel