Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Kritisch over Mohammed

Home

Pieter W. van der Horst

Het duurde lang voordat er onder christenen een theologisch debat op gang kwam over de islam, de nieuwe religie die het Midden-Oosten vanaf de zevende eeuw stormenderhand veroverde. Pieter W. van der Horst bestudeerde het alleroudste christelijke document dat polemiseert met de islam, geschreven door Johannes van Damascus. „Hij drong direct door tot de kern van de zaak. Maar wel een kern die tot de dag van vandaag onbespreekbaar blijft.”

Hoewel volgens de islamitische overlevering de profeet Mohammed (569-632 na Chr.) al tijdens zijn leven met aanhangers roofovervallen pleegde op handelskaravanen die door Arabië trokken, vonden de grote veroveringsoorlogen toch pas na zijn dood plaats. De kolonisatie van het Midden-Oosten door Arabisch-islamitische legers in de decennia na 632 zou ingrijpende en blijvende gevolgen hebben voor het aldaar in die tijd dominante christendom. De overwegend christelijke, Byzantijnse cultuur in die streken kwam onder grote druk te staan.

Inmiddels is in onze eigen tijd door de recente radicalisering van de islam een groot deel van de christenen uit het Midden-Oosten verdreven. Maar hoe waren de vroegste christelijke reacties op de komst van de islam, in de eerste eeuw na de veroveringen?

Hoewel de meeste christenen diep ongelukkig waren met het nieuwe regime, kun je toch constateren dat sommige groeperingen aanvankelijk blij waren met de nieuwe heersers. Vooral de christenen wier denkbeelden afweken van de Byzantijnse orthodoxie, en ook Joden en Samaritanen die leden onder de onderdrukking en ontrechting van Byzantijnse zijde, hoopten op een betere behandeling dan ze gewend waren. Inderdaad mochten Joden, die van de christelijke overheid niet of nauwelijks toegang tot hun eigen heilige stad kregen, zich van de islamitische heersers weer in Jeruzalem vestigen – zij het met allerlei beperkingen. Veel Joden zagen de komst van de Arabische strijders als een bevrijding van het Byzantijnse juk. Ook niet-orthodoxe christenen waren aanvankelijk verheugd, omdat de islamieten hun onorthodoxe ideeën veel gemakkelijker tolereerden dan de Byzantijnse overheersers. Maar het gaat hier om uitzonderingen, en meestal was de vreugde van korte duur.

De grondtoon van de meeste reacties op de komst van de legers van Allah was er toch een van afschuw en woede. In de eeuw na de veroveringen kwam een stroom van joodse en christelijke apocalyptische literatuur op gang, waarin de islam werd gezien als de ’gruwel der verwoesting’ uit het bijbelboek Daniël en waarin de onderdrukte gelovigen werden getroost met de voorspelling dat het einde der tijden nu toch echt nabij was. God zou snel ingrijpen ten behoeve van zijn volk.

In de geschriften van christenen domineert heftige kritiek op islamitische strijders die slachtingen aanrichtten in kerken, kloosters platbrandden, kunstschatten stalen, kruisen kapotsloegen, iconen kapotschoten, krijgsgevangenen verkochten of tot slaaf maakten, Joden en christenen tot slavenarbeid dwongen. (Over dwangbekeringen lees je trouwens zelden.)

Een van de vroegste Joodse critici van de islam merkt rond 640 op: „Mohammed kan geen echte profeet zijn want echte profeten treden niet op met getrokken zwaard.” Ofwel: een echte profeet overtuigt door zijn boodschap, maar intimideert niet door dreiging met geweld. Rond 700 antwoordt een christelijke geleerde op de vraag van de islamitische heerser van Palestina, Abd al-Malik, wat hij van de religie der Arabieren vindt: „Het is een religie die zich alleen maar met het zwaard vestigt.” Ofwel: een religie die met geweld wordt opgedrongen kan nooit een werkelijk innerlijke overtuiging worden.

Niet toevallig staat in zowel de Joodse als de christelijke uitspraken ’het zwaard’ centraal. Het zijn de motieven van geweld, meedogenloosheid, roofzucht, en intimidatie die in deze eerste reacties de boventoon voeren – enkele opvallende uitzonderingen daargelaten.

Voor alle duidelijkheid zij hier benadrukt dat ik hier niet een beeld schilder van de islam, maar van de niet-islamitische reacties op de komst van de islam. Dat in zulke polemische reacties vaak wordt overdreven, staat buiten kijf.

Wel valt direct op dat het in deze polemiek gaat om elementen die ons maar al te bekend in de oren klinken. De radicale islam beroept zich immers heden ten dage voor haar idealen juist op die gewelddadige beginperiode van ’de zuivere islam’ (en ’islam’ betekent ’onderwerping’, submission). Dat zal, vrees ik, zo blijven zolang de islamitische gemeenschap de eigen heilige boeken en tradities niet onder kritiek mag en durft stellen – in tegenstelling tot jodendom en christendom waar dat wél kan.

De hierboven besproken reacties hebben het vooral over de uiterlijke omstandigheden, niet over de inhoudelijke boodschap van de islam. Een gedachtenwisseling over de theologie van de islam heeft verbazend lang op zich laten wachten. Dat heeft voor een deel te maken met het feit dat het enige tijd duurde voordat christenen in de gaten kregen dat het in de islam om méér ging dan alleen een christelijke ketterij. De islam toont immers waardering voor Jezus, voor zijn ouders Jozef en Maria, en daarnaast ook nog voor een reeks oudtestamentische figuren als Abraham, Mozes en David. Op het oog leek de islam een nieuwe variant van de bijbelse religie. Pas langzaam drong door dat de schijn hier bedroog.

Alles wat ’bijbels’ lijkt in de Koran staat in het licht van Mohammeds overtuiging dat Joden en christenen de Bijbel ingrijpend hebben vervalst: zo wilden zij verdoezelen dat de grote bijbelse gestalten in feite helemaal geen Joden (of christenen) waren maar moslims. Pas toen tot Joodse en christelijke kringen doordrong welke zware en ongeloofwaardige beschuldigingen hier aan hun adres werden geuit, gingen zij in de tegenaanval.

Het oudste christelijke geschrift dat polemiseert met de islam stamt uit circa 740. Auteur is de Byzantijnse geleerde Johannes van Damascus (circa 675-750).

Hij was de zoon van een Arabische christen, genaamd Sargun ibn-Mansur, die minister van financiën van de Omayyadische kalief in Damascus was. Na zijn studie in de Griekse filosofie en de artes liberales had Johannes verschillende publieke functies, onder meer als hoogste adviseur van de kalief. Hij kende de islam dus van nabij, sprak en las – naast Grieks – ook Arabisch.

Toen in de eerste decennia van de 8ste eeuw christenen gaandeweg uit alle bestuurlijke functies werden verjaagd, trok hij zich rond 720 terug in het klooster van de beroemde Sabas in de woestijn van Judea, zo’n twintig kilometer ten zuidoosten van Jeruzalem – een klooster dat nog steeds bestaat. Daar schreef hij zijn vele, invloedrijk geworden werken, waaronder ook een boek met een uitvoerige bestrijding van allerlei vormen van dwaalleer. Als laatste behandelt hij daar de islam, overigens zonder dat hij de term gebruikt; hij spreekt van de godsdienst der Saracenen of Ismaëlieten of Hagarenen (naar Abrahams zoon Ismaël, verwekt bij Hagar).

Johannes begint met de constatering dat Mohammed kennis had van het Oude en het Nieuwe Testament, ook nog onderricht had ontvangen van een ketterse (Ariaanse) monnik en met die kennis zijn eigen leer ontwierp. Sindsdien verkondigde hij overal dat God vanuit de hemel een (Heilige) Schrift naar hem had neergezonden. Hij predikt dat er slechts één God is, de Schepper van alle dingen, die noch verwekt is noch iets verwekt heeft (dus ook geen zoon).

Mohammed zegt dat Christus het Woord van God is en ook diens Geest, maar dan wél geschapen en een dienaar, en dat hij zonder zaad is verwekt uit Maria, de zuster van Mozes en Aüron (een merkwaardige en foute identificatie van Mirjam en Maria – Maria is de Griekse vorm van Mirjam). De Joden wilden hem kruisigen, maar toen ze hem hadden gegrepen, kruisigden ze slechts zijn schaduw (Jezus), want Christus zelf is nooit gekruisigd en ook niet gestorven. Toen Christus ten hemel gevaren was, vroeg God hem: „Jezus, heb jij gezegd: Ik ben de zoon van God en ik ben God?” Waarop Jezus antwoordde: „U weet dat ik dat niet gezegd heb en dat ik het niet beneden mijn waardigheid acht uw dienaar te zijn. Maar de overtreders hebben geschreven dat ik dat gezegd heb, en ze hebben over mij gelogen en zijn op een dwaalspoor.” En God antwoordde: „Ik weet dat jij dat niet gezegd hebt.”

Dit is een belangrijke passage. Met Mohammeds geloof dat God „de Schepper van alle dingen is die niet verwekt is” kon Johannes van harte instemmen – al zal hem de anti-nieuwtestamentische pointe van de toevoeging ’en die niets verwekt heeft’ niet ontgaan zijn. Johannes’ weergave van de islamitische opvatting dat Jezus, hoe verheven ook, een gewoon mens was en dat Gods Woord en Geest geschapen zijn, laat zien dat hij goed wist wat de theologische verschilpunten tussen het orthodoxe christendom en de ’ismaëlitische ketterij’ waren.

Ook zijn andere opmerkingen over Jezus komen overeen met wat in de Koran te vinden is. Johannes’ verwijzingen naar de Koran (bij hem ’Schrift’) bewijzen dat hij dat boek kende. De gedachte dat God zijn ’Schrift’ naar Mohammed had neergezonden kom je overal in de Koran tegen. Ook verwijzingen naar enkele soera’s getuigen van zijn kennis van de Koran; hij noemt de namen van een aantal: ’De vrouwen’, ’De kameel’, ’De tafel’, ’De koe’. En het is evident dat hij veel meer soera’s goed kende.

Maar hier zet ook direct Johannes’ kritiek in. Hij vraagt hoe het kan dat Mohammed enerzijds voorschrijft dat bij allerlei belangrijke zaken als huwelijkssluiting en koopcontracten altijd getuigen aanwezig moeten zijn, terwijl hij anderzijds zegt de tekst van de soera’s te hebben ontvangen in dromen of visioenen waarbij uiteraard geen enkele getuige aanwezig was. Hoe betrouwbaar, kortom, is zijn claim openbaringen van God ontvangen te hebben zonder dat iemand anders dat kan bevestigen?

Johannes contrasteert daarmee de wijze waarop Mozes Gods openbaring op de berg Sinaï ontving, waarbij het hele volk Israël aanwezig was als getuige. Die openbaring vond in alle openlijkheid plaats. Hij maant Mohammeds volgelingen een kritischer houding aan te nemen en te zeggen: „Bewijs eerst zelf maar eens met getuigen dat jij een profeet bent en dat je van God komt!” En hij voegt eraan toe: „Degene die jullie dat geschrift heeft gegeven kan jullie geen enkele garantie bieden want er is niet één getuige bekend. Immers, hij ontving het in zijn slaap.”

Of Johannes de intellectuele eerlijkheid zou hebben gehad om op dezelfde manier ook Jezus’ claim kritisch te bevragen dat hij bepaalde zaken in visionaire toestand heeft beleefd en geleerd (zie bijvoorbeeld Lucas 10:18 en Matteüs 4:1-11) mag betwijfeld worden. Ook had Numeri 12:6 (’Als er bij jullie een profeet van de Heer is, maak ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek ik met hem in dromen’) hem aan het denken moeten zetten. Hier lijkt Johannes toch in zijn eigen voet te schieten.

Vervolgens gaat Johannes uitvoerig in op de islamitische beschuldiging dat christenen aan God een ’metgezel’ toewijzen, Jezus Christus, en daarmee het monotheïsme opgeven. Hij beroept zich op de bijbelse profeten die zijns inziens al hadden gezegd dat God zijn zoon zou zenden en verweert zich tegen de islamitische kritiek die stelt dat zulke passages in de Bijbel latere vervalsingen zijn, bedoeld om de mensen op een dwaalspoor te zetten.

Belangrijker is zijn betoog dat als Mohammed zegt dat Christus Gods Woord en Geest is, dat ook diens goddelijkheid impliceert. „Want Woord en Geest zijn onscheidbaar van degene in wie zij zijn. Als hij dus in God is als diens Woord, dan is hij uiteraard ook zelf God.” De islamitische leer is dus volgens hem niet consequent op dit punt.

Een volgende punt van islamitische kritiek is dat het christendom aan afgoderij doet die zich uit in de verering van het kruis (waaraan Christus nooit gestorven was). Johannes’ korte respons is dat de pot hier de ketel verwijt dat hij zwart ziet, want de betuigingen van diepe eerbied die moslims jegens de Kaüba in Mekka tentoonspreiden, ontnemen hun het recht de christelijke verering van het kruis te laken. En venijnig voegt hij eraan toe dat op de Kaüba voor mensen met goede ogen nog steeds, zij het vaag, een afbeelding van het hoofd van de godin Afrodite te zien is, Dat herinnert aan het feit dat nog maar kort geleden de Saracenen zélf aan afgoderij deden (wat inderdaad door islamitische bronnen bevestigd wordt).

Dan bekritiseert Johannes de huwelijksethiek zoals die te vinden is in soera 4 (’De vrouwen’). Hij insinueert dat die deels is geïnspireerd door Mohammeds seksuele driften en illustreert dat met een verhaal dat ook in de Koran verteld wordt (soera 33:37), zij het in andere vorm. Het verhaal is dat Mohammed een vriend had genaamd Zaid. Die had een mooie vrouw op wie Mohammed verliefd werd. Toen ze eens bij elkaar zaten, zei Mohammed tegen hem: „God heeft mij opgedragen jou te zeggen dat jij van je vrouw moet scheiden.” De vriend scheidde van haar. Enkele dagen later zei hij: „God heeft mij bevolen dat ik haar zelf moet nemen.” Na haar genomen te hebben en echtbreuk met haar te hebben gepleegd, aldus Johannes, maakte hij de volgende wet: ’Een man die dat wil mag van zijn vrouw scheiden. Maar als hij na de scheiding naar haar terug wil, moet eerst iemand anders met haar trouwen. Want hij mag haar niet terugnemen als ze niet eerst met iemand anders getrouwd is geweest.’

De wijze waarop Johannes dit verhaal vertelt impliceert opnieuw dat Mohammeds openbaringen vooral werden ingegeven door uiterst dubieuze vormen van eigenbelang.

Ten slotte gaat Johannes uitvoerig in op het koranverhaal over de kameel (soera 26:141-159). Hij vertelt dat er een van God gezonden kameel was die een hele rivier placht leeg te drinken en daardoor niet meer tussen twee bergen door kon lopen omdat er niet genoeg ruimte voor haar was. Er woonde daar een stam die de ene dag het water van de rivier placht te drinken, terwijl de volgende dag de kameel dat deed. Wanneer zij het water dronk, voedde zij het volk door het melk te geven in plaats van water.

Op een dag doodden slechteriken de kameel. Maar ze had nog een nakomeling, een klein kameeltje, dat tot God riep toen haar moeder vermoord was. En God nam haar tot zich. Johannes vraagt: „Waar kwam die kameel vandaan?” De moslims zeggen: „Van God.” En hij: „Was er een andere kameel aan haar gekoppeld?” Zij antwoorden: „Nee.” „Maar”, zo vraagt Johannes dan, „hoe komt zij dan aan een nakomeling? We zien dat jullie kameel zonder vader en moeder is, en nadat ze een nakomeling gebaard heeft, treft haar een ramp. Maar de vader van het kleintje is nergens te bekennen en de kleine kameel wordt ten hemel opgenomen. Waarom heeft jullie Profeet, tot wie volgens jullie God gesproken heeft, niet vernomen waar de kleine kameel graast en wie haar melken om haar melk te drinken? Is ook zij wellicht ooit, net als haar moeder, in de handen van booswichten gevallen en vermoord of is zij jullie voorgegaan naar het paradijs en zal van haar de rivier van melk komen waarover jullie praten? Want jullie beweren dat er drie rivieren stromen in jullie paradijs: een van water, een van wijn en een van melk. Als de kameel die jullie is voorgegaan buiten het paradijs is, dan is zij uiteraard omgekomen van honger en dorst, of anderen profiteren van haar melk, en dan is het ijdele praat van jullie profeet dat hij met God heeft gesproken want het mysterie van de kameel is hem niet geopenbaard.”

Deze satirische passage over de kameel en het paradijs mag in onze ogen misschien wat flauw lijken, Johannes’ tekst heeft duidelijk opnieuw als pointe dat Mohammeds openbaringsclaim onhoudbaar is.

Nu kun je natuurlijk stellen dat élke openbaringsclaim onterecht is, omdat die altijd een gewiekste manier is om macht naar je toe te trekken. Dat verwijt zou ook Johannes’ eigen geloofsovertuiging ten aanzien van het openbaringsgehalte van de Bijbel treffen. Maar dat doet in een historische beschouwing weinig ter zake.

Hier gaat het erom zicht te krijgen op de eerste theologische confrontatie van de islam met het christendom. En dat was precies de kwestie van de conflicterende openbaringsclaims. Wat dat betreft drong Johannes direct door tot de kern van de zaak, maar wel een kern die helaas tot op de dag van vandaag onbespreekbaar blijft.

Johannes’ kritische vragen naar de legitimiteit van Mohammeds openbaringsclaim zouden nu vermoedelijk beschouwd worden als beledigingen van de Profeet en leiden tot woedende reacties. Tegenwoordig kunnen – met een beroep op de plicht ’respect’ voor elkaar te hebben – zulke fundamentele vragen aan het adres van religies niet eens meer aan de orde komen.

Het ontbreken van zo’n fundamenteel debat is geen winst, maar verlies.

Prof. dr. Pieter W. van der Horst is bijbelwetenschapper en judaïst.

Deel dit artikel