Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Klaas Jan Mulder 1930-2008

Home

Wim Slagter

Rivieren en muziek vormden de rode draad in het leven van Klaas Jan Mulder, de organist wiens hart eigenlijk bij de piano lag.

In een nog niet eens zo heel grijs verleden was het opzeggen van het wekelijkse psalmversje een vast onderdeel op Scholen met den Bijbel. Dat kostte de jonge Klaas Jan Mulder wel eens moeite: hij werd meer bij de melodie dan bij de tekst van de psalm bepaald. Die interesse had Klaas Jan niet van vreemden. Familieleden van vaders- én moederszijde hadden een muzikale ader; zo zong vader Mulder tot zijn 93ste in een van de koren van zijn zoon.

Klaas Jan Mulder werd in 1930 geboren in Boven-Hardinxveld aan de Merwede en het gereformeerde domineesgezin – Klaas Jan was de oudste van twaalf kinderen – verhuisde steeds naar ’riviergemeenten’: aan de Lek (Langerak) en aan de IJssel (Hattem en, vanaf 1951, Kampen). Klaas Jan voelde zich er thuis en meende later een overeenkomst tussen de bewegingen van het water en die in de muziek te zien.

Na zijn Ulo-examen bezocht hij korte tijd het lyceum in Zwolle, maar boekhouden en wiskunde lagen hem niet zo. Hij kreeg piano- en orgelles en begeleidde inmiddels al kerkdiensten in Hattem, zodat het duidelijk was waarnaar zijn liefde uitging. Het predikantstraktement van zijn vader – die in 1944 met de Vrijmaking was meegegaan – liet een dure conservatoriumopleiding niet toe, maar na een uitvoering van het Pianoconcert in a van Grieg in de Buitensociëteit te Zwolle – volgens de overlevering ’uit het blote hoofd en in korte broek’ – moet een enthousiaste bankdirecteur het zeventienjarig muzikale talent een beurs hebben verstrekt.

In 1957 – Mulder deed nog twee jaar militaire dienst – deed hij eindexamen aan het Amsterdamsch Conservatorium voor het hoofdvak Piano. Orgel was zijn bijvak. Hij haalde achten en negens, een eervolle vermelding voor virtuositeit – en een zes voor muziekgeschiedenis. „In Amsterdam keek ik mijn ogen uit. Er was van alles te zien, ook slechte dingen. Daardoor studeerde ik minder dan eigenlijk zou moeten. Het spelen ging me te gemakkelijk af”, zou hij later in een vraaggesprek met het Nederlands Dagblad opbiechten.

Ondanks de prachtige examenlijst en een masterclass bij de befaamde Spaanse pianist Eduardo del Pueyo kwam er van een glanzende carrière op de Europese concertpodia weinig terecht. Een van de redenen was dat veel pianorecitals op zondag plaatshadden en daaraan kon en wilde Klaas Jan Mulder niet meewerken. Later dacht hij daar genuanceerder over: „We leven niet meer in de tijd van het Oude Testament”.

Terug in Kampen kwam Mulder al spoedig in het ’korencircuit’ en, omdat de koorzang doorgaans met orgel werd begeleid, daarmee ook op de orgelbank terecht. Bij een van zijn optredens ontmoette hij Teunie Flipse, met wie hij in 1962 trouwde. Vier kinderen kregen ze; de jongste dochter, Heleen, overleed in 1995 op 26-jarige leeftijd na een lang ziekbed. In die tijd, zei Teunie later, speelde haar man vaak de variaties over ’Mein junges Leben hat ein End’ van Jan Pieterszn. Sweelinck.

Zijn werkzaamheden breidden zich snel uit. Niet alleen trad hij op als begeleider van koren, hij ging ze ook dirigeren. Na een directiecursus bij Piet Ketting werd Klaas Jan Mulder door verscheidene koren als dirigent gevraagd. Bescheiden als hij was, wimpelde hij de ’aanzoeken’ af – hij vond dat hij te weinig ervaring had – om ten slotte schoorvoetend in een proefperiode van drie maanden toe te stemmen. Aan drie koren – het mannenkoor ’De Lofzang’ uit Heerde, de oratoriumvereniging ’Immanuel’ uit Kampen en het Kamper mannenkoor ’Door Eendracht Verbonden’ – zou hij uiteindelijk vele decennia zijn verbonden. Mulders koorrepetities hadden humor: „Jullie moeten de rusten laten horen. Het mooie is dat je dan even niet zingt!” Maar hij had de wind er wel onder. Een koorlid vertrouwde een journalist eens in onvervalst Kampers toe: „As Mulder zegt: Met zien all’n onder de stoel’n, dan kroep’n wie allemaol onder de stoel’n*!”

Ook als organist maakte Klaas Jan Mulder naam. Op lp en later cd werd zijn orgelspel veelvuldig vastgelegd, terwijl hij vele concerten in binnen- en buitenland gaf. Wel werd hem lange tijd verweten slechts voor het grote publiek te spelen en niet aan de ’echte’ orgelliteratuur toe te komen. Maar Mulder zag het niet als zijn opdracht om ’voor andere organisten’ te spelen en wilde vooral zijn eigen plezier op het concertpubliek overdragen. Dat maakte hem in het orgelwereldje niet onomstreden.

In zekere zin gold hij als de natuurlijke opvolger van de legendarische Piet van Egmond (1912-1982). Ook die was weinig puristisch ten aanzien van het spelen van een niet-oorspronkelijk orgelwerk, wat bijdroeg aan de popularisering van het instrument. Mulder sloot, evenals Van Egmond, zijn concerten steevast af met een improvisatie over een psalm of gezang – waarbij bij beider ’fans’ de melodie van ’Ruwe stormen mogen woeden’ het meest geliefd was – en hij kon, analoog aan de kwalificatie van Trouw-redacteur A.J. Klei voor Van Egmond, ’alles uit een orgel halen en alles op een orgel uithalen’.

Maar soms ging het ook Mulders bewonderaars een beetje te ver, bijvoorbeeld op het concert met uitsluitend transcripties van orkest- en fanfaremuziek, inclusief de mars ’Stars en Stripes’ van Sousa, of bij het Kajem-project, waarbij Mulder samen met anderen klassieke orgelmuziek in een modern jasje stak en synthesizers gebruikte. Later erkende hij de negatieve uitwerking te hebben onderschat, maar spijt had hij niet.

De laatste jaren groeide evenwel de waardering voor Mulders spel. Hij leek zich verder te hebben verdiept. Zelf gaf hij toe wel eens te veel op zijn routine te hebben vertrouwd. Hij had de lat inmiddels hoger gelegd: „Mijn spel en dan met name de benadering van de muziek is wel veranderd. Naarmate ik ouder word, wil ik alles bewuster spelen, (*) meer bij elke noot betrokken zijn”, verklaarde hij in het liber amicorum voor zijn zeventigste verjaardag.

Dat boek droeg de titel ’Wat harmonie vermag’, wat wonderwel bij hem paste. Naast de muzikale harmonieën was hem er veel aan gelegen in harmonie met anderen te leven. Dat verlangen én zijn bescheidenheid hinderden hem om zich prominent in de ’orgelrichtingenstrijd’ te mengen: conflicten meed hij liever en aan intensief contact met vakgenoten had hij weinig behoefte. Echte harmonie miste hij na enige tijd ook in de kerk van zijn jeugd en na verschillende kerkscheuringen van dichtbij te hebben meegemaakt, raakte Mulder los van zijn gereformeerde fundament, zonder daarbij zijn persoonlijke geloof te verliezen. Het waren vooral de dogma’s en opvattingen over de éne ware kerk waarmee hij steeds minder uit de voeten kon.

„Maar de psalmen, die blijven mooi (*). Ik herinner me dat we als kinderen psalm 6 ontdekten. Niet-ritmisch, zo ging dat toen. Die melodie ontroerde me, nu nog trouwens”, zei hij in het Nederlands Dagblad.

Ondanks het feit dat hij zijn naamsbekendheid vooral als organist en dirigent had verkregen, bleef de piano nummer één: „Alles begint vanuit de piano (*). Bij de piano moet je zelf de kleur aanbrengen, terwijl je op een orgel afhankelijk bent van de kleur van de registers.” Conservatoriumdirecteur Jan Odé had het destijds al gezien: „Als hij niet achter de piano zat, was hij er op weg naartoe.”

Vorig jaar oktober werd bij Klaas Jan Mulder een hersentumor operatief verwijderd. Maar van een terugkeer op het concertpodium of de orgelbank kwam het niet.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel