Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Kinderen uit het register van de dood

Home

Stevo Akkerman

"De gynaecoloog zei geen stom woord, en liet 'de vrucht' onmiddellijk na de geboorte verdwijnen." © Jörgen Caris

Kinderen die rond de geboorte overlijden bestaan juridisch niet. Redacteur Stevo Akkerman beschrijft aan de hand van zijn eigen familieverhaal hoe het rouwen om een kind dat 'nooit heeft bestaan' eindelijk is toegestaan.

Dit is het verhaal van een man die tachtig jaar oud moest worden om bij het graf te staan van twee kinderen die 52 jaar geleden stierven. Deze man is mijn vader. Tot begin dit jaar wist hij niet anders of het graf van 'de tweeling', zoals er in ons gezin over werd gesproken - voor zover erover gesproken werd - bestond niet meer.

En nu neem ik hem mee naar de Algemene Begraafplaats aan de Kerkstraat in Hoogkerk, waar 3043 mensen begraven liggen, onder wie de ouders van mijn vader, en dus ook de twee jongetjes die in 1964 ter wereld kwamen zonder er te mogen blijven. De één overleed op de dag van de geboorte, de ander twee dagen later.

We hebben een grafnummer (OC/09/003B) en als het goed is staat er een stokje in de aarde om de plek aan te duiden waar we moeten zijn. Het is een mooie dag, al heeft de koude wind vrij spel op de kleine doodsakker tussen de weilanden.

Lees verder na de advertentie
Dit is het verhaal van een man die tachtig jaar oud moest worden om bij het graf te staan van twee kinderen die 52 jaar geleden stierven

Voor het eerst
Onderweg, in de auto, heeft mijn vader voor het eerst alles verteld wat hij zich herinnerde over de dood van Reint en Galke, de tweeling. En over Ubbo, het jongetje dat een paar jaren later werd geboren en na twee weken overleed. Het is een strikt persoonlijke geschiedenis. Maar wel één die iets zegt over de manier waarop de vorige generaties omgingen - of níet omgingen - met wat officieel 'perinatale sterfte' heet: de dood van een foetus vanaf 24 weken zwangerschap of van een baby in de eerste zeven dagen na de geboorte.

Er is op dat vlak veel veranderd, getuige de knuffelberen, speelgoedauto's en windmolentjes die de kindergraven van tegenwoordig sieren, en de veranderingen zijn nog niet ten einde. Dit voorjaar kreeg minister Plasterk van binnenlandse zaken een petitie aangeboden met 82.000 handtekeningen, een oproep om ook doodgeboren kinderen in te schrijven bij de Basisregistratie Personen (BRP) en hen een geboorteakte te geven.

Nu nog worden deze kinderen, in de juridische termen van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek, 'geacht nooit te hebben bestaan'. Een meerderheid van de Tweede Kamer steunt in principe de wens van de ouders, minister Plasterk laat - na de nodige aarzeling - onderzoeken wat er mogelijk is.

Deze kinderen worden 'geacht nooit te hebben bestaan'

© Jörgen Caris

Geen spoor
Ik ben eerder op de begraafplaats in Hoogkerk, onder de rook van Groningen, geweest; een jaar of zeven geleden, op zoek naar de jongens die nog geen jaar na mij werden geboren en die ik alleen ken van horen zeggen. Het graf van mijn grootouders vond ik snel genoeg ('Rustplaats tot de wederkomst van Christus'), maar geen spoor van het kindergraf - en dat had ik ook niet verwacht: mijn ouders hadden me al gezegd dat het wel geruimd zou zijn, dat lag voor de hand.

"Bent u er ooit wezen kijken?" vroeg ik mijn moeder, toen nog niet de alzheimerpatiënt die ze nu is.

"Nooit", antwoordde ze.

Ik schreef erover in 'Donderdagmiddagdochter', een boek dat draait om de dood van mijn dochter Evy, vijf kwartier na haar geboorte: "Het is goed, bedenk ik, dat Evy op een beschermde plek ligt, waar niet geruimd wordt. Alleen het woord al."

In dat boek beschreef ik ook hoe jaren daarvoor ons eerste kind in een ziekenhuis was weggefrommeld, achttien weken oud, overleden in de baarmoeder. De gynaecoloog zei geen stom woord, en liet 'de vrucht' onmiddellijk na de geboorte verdwijnen. Toen ik een paar minuten later op zoek ging naar een verpleegster, kwam ik in een soort keuken terecht waar op het aanrecht, in een aluminium bakje, ons kind lag. Het was een jongetje, zag ik, en hij was heel klein. Hij mocht geen naam hebben.

Het waren de jaren tachtig van de vorige eeuw, dertig jaar geleden alweer, en ik realiseer me dat nog eenzelfde achterwaartse sprong ons in de jaren vijftig brengt - de tijd waarin mijn ouders opgroeiden: tanden op elkaar, niet zeuren, geen vragen stellen ('Wat God doet, dat is welgedaan') en doorgaan met leven. "We verhuisden veel, er kwamen meer kinderen, we hadden het druk", zei mijn moeder.

Bij de dode kinderen werd nauwelijks stilgestaan. Wij, de broers en zussen, wisten dat er een Reint en Galke waren geweest. Rare namen, hoor. Later kwam Ubbo nog. Ook een rare naam. Ik was toen vijf jaar oud en ik herinner me hoe er een wolk van angst door het huis was getrokken; nerveuze bedrijvigheid in de gang, gedempte stemmen, witte jassen, en het nieuwe broertje was zomaar weg.

Het was een jongetje, zag ik, en hij was heel klein. Hij mocht geen naam hebben

© Jörgen Caris

Dramatische verhalen
Na afloop van lezingen over 'Donderdagmiddagdochter' word ik altijd aangesproken door mensen die me hun eigen verhalen vertellen, dramatische verhalen vaak. Ik heb verschillende gevallen van zelfdoding voorbij horen komen, en veel slecht aflopende ziektegeschiedenissen, vaak van kinderen. Maar wat me het meest is toevertrouwd is hoe ouders - moeders vooral - na tientallen jaren nog steeds worstelen met miskramen, vroeggeboortes en het sterven van baby's. Of nee.

Ze doen dat niet 'nog steeds', ze zijn dat pas lang na het grote onheil gaan doen, omdat er eerder geen ruimte voor was. Soms bereikt hun relaas me per mail, zoals dat van Ank van Tongeren. Uit Hoogkerk. Ze schreef me eind vorig jaar dat ze door een vroeggeboorte een tweeling was verloren. En dat ze, als lid van Graftombe.nl - 'voor genealogen en andere belangstellenden' - na het lezen van mijn boek op zoek was gegaan naar het graf van Reint en Galke, maar niets had aangetroffen. 'Wel heb ik de overlijdensaktes van je broertjes gevonden. Je broertje Galke is aangegeven als levenloos geboren, zonder naam, en zonder geslacht.'

Dat was het verschil van twee dagen: de aangifte van een kind dat heeft geleefd, 'Reint Bouwe, oud twee dagen, zonder beroep, geboren en wonende te Den Helder'. En dat van 'het kind, levenloos, dat is geboren uit: de Vries, Renia Wilhelmina, zonder beroep, echtgenote van: Akkerman, Aginus Frans, onderwijzer, beiden wonende te Den Helder.'

De schokkende praktijk is dat het doodgeboren kind niet bestaat in het ge­boor­te­re­gis­ter, maar alleen in het register van de dood

Jaap Doek

Schokkende praktijk
Wat schreef Jaap Doek, emeritus hoogleraar jeugdrecht, naar aanleiding van de petitie aan minister Plasterk? "De schokkende praktijk is dat het doodgeboren kind niet bestaat in het geboorteregister, maar alleen in het register van de dood."

Hier zie ik het op de documenten uit 1964 gebeuren: de ene helft van de tweeling wordt naar links gestuurd, de andere helft naar rechts.

Er kwam een volgende mail van Ank van Tongeren, waarin ze meer vertelde over haar eigen tweeling. "Het waren twee jongetjes. Het eerste kindje is normaal geboren, maar was toen al overleden. Het tweede kindje is onder narcose bij mij weggehaald. Het eerste kindje heb ik (mogen) zien. Vier maanden oud, en volkomen gaaf. Het werd in een spuugbakje gelegd. Het staat op mijn netvlies gebrand! Toen werd het weggebracht."

Mijn kindje werd in een spuugbakje gelegd. Toen werd het weggebracht

Ank van Tongeren

"Ik vind het ongelooflijk spijtig dat ik er geen van foto van heb. Wat er verder met de kindjes is gebeurd... ik weet het niet. Niet begraven in elk geval! Al vrij snel daarna was ik weer zwanger, en ik heb weinig gerouwd.

"Pas toen alle kinderen de deur uit waren, kwam het onverwerkte verdriet weer naar boven, en heb ik bij het ziekenhuis alle gegevens opgevraagd, en ben nog bij de verloskundige geweest. Toen heb ik heel veel gehuild! Tranen verdunnen verdriet! Zij vertelde: 'Als dit bij jou thuis was gebeurd, had ik gevraagd wat je met de kindertjes wilde doen.' Bij miskramen nam zij de vruchtjes mee naar huis, en begroef ze in haar tuin. Dat vond ik zo ontroerend lief!"

De Vlaamse klinisch psycholoog Manu Keirse, bekend auteur van verschillende boeken over rouw, promoveerde eind jaren negentig op 'eerste opvang bij perinatale sterfte'. Hij ontving honderden brieven van ouders die twintig, dertig jaar hadden moeten zwijgen. "Een doodgeboren kind was vroeger een non-event", zei Keirse in De Morgen. "Men ging er ten onrechte vanuit dat het verlies van een doodgeboren kind minder erg was."

Grootste frustratie van de ouders: dat ze hun kind geen naam konden geven. Een gevaar ook in het rouwproces, omdat het mensen in de verleiding kan brengen de naam van het overleden kind te reserveren voor een volgend kind. Dat dreigt dan, aldus Keirse, een 'vervangkind' te worden, wat geen goed idee is, noch voor dat kind, noch voor de rouwende ouders. Dode kinderen verdienen hun eigen plek, al was het maar voor de zielerust van hun vader en moeder.

Men ging er ten onrechte vanuit dat het verlies van een doodgeboren kind minder erg was

Manu Keirse

© Jörgen Caris

Ank van Tongeren kwam met ongedacht nieuws: "Het graf van je broertjes is er nog. Het was voor onbepaalde tijd, is ons verteld, dus niet geruimd. De plek staat op papier en dhr. Bosscher, de voormalige beheerder, zal er een stokje plaatsen, zodat het te vinden is."

Ik stelde mijn vader voor er een keer heen te rijden. Dat wilde hij wel.

Petitie voor Plasterk
Parool-columniste Roos Schlikker, zelf moeder van een doodgeboren dochter, wendt zich eind februari via de voorpagina van haar krant tot de minister: 'Zet deze ouders niet weg'. Ze probeert Plasterk een reactie te ontlokken - hoeveel handtekeningen moet de petitie 'Ik wil ook in het brp!' opleveren voor hij van zich laat horen? "Ik voel me als een kind dat aan de broekspijp van een familielid om aandacht jengelt."

Wat ze uiteindelijk krijgt, is een verklaring van de woordvoerder van het ministerie. "De Basisregistratie Personen is bedoeld om gegevens te verstrekken aan overheidsorganen die nodig zijn om taken uit te voeren. Gegevens die niet nodig zijn, zoals in het geval van een doodgeboren kindje, worden niet opgeslagen, omdat dat niet doelmatig is en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan schaden."

Ik voel me als een kind dat aan de broekspijp van een familielid om aandacht jengelt

Roos Schlikker

Niet doelmatig? Niet voor overheidsorganen misschien, maar hier zijn nog andere partijen in het geding. Ouders. Hoe kan het dat zij over het hoofd worden gezien? Omdat doodgeboren minder erg is dan gestorven? De bureaucratie mag er zo tegenover staan, ouders niet.

Pijn van lang geleden
Toen Trouw-redacteur Elisa Hermanides dit voorjaar in 'Tijd' de geschiedenis optekende van de geboorte van haar tweeling David en Eleni - haar dochter redde het, haar zoon niet - riep dat bij verschillende lezers de pijn wakker van lang geleden, en die pijn trok zich niets aan van het onderscheid tussen 'levenloos' en 'overleden'.

"Het is vijftig jaar geleden", schreef Nanny van der Ham-Gijtenbeek over de geboorte van haar vierde kind, na zes maanden zwangerschap. "Was het een zoontje? Was het een dochtertje? Ik heb het nooit geweten. Ik mocht er ook niet verdrietig over zijn want ik had drie gezonde kinderen! Jaren later zag ik een film over een doodgeboren baby. Ik heb verschrikkelijk gehuild."

© Jörgen Caris

Direct daaronder stond de brief van Marijcke ten Brink afgedrukt. "Door het lezen van het mooie artikel van Elisa Hermanides heb ik voor het eerst tranen vergoten over mijn 48 jaar geleden overleden zoontje. Misschien is na al die jaren nog enige verwerking mogelijk. In die tijd was de opvatting dat als een moeder haar kind verloor in het kraambed, vermeden moest worden dat er hechting plaatsvond." Haar zoon Basje overleed na vier dagen. "We kregen hem niet meer te zien."

Vijftig jaar geleden, 48 jaar geleden; de periode van Reint, Galke en Ubbo. De tijd waarin verdriet niet zomaar werd genegeerd, maar actief onderdrukt. Op recept zelfs: 'Hechting vermijden'. Was het omdat er zoveel meer gestorven werd? Het kindertal was hoger, de kindersterfte ook, misschien was het gewoon handiger niet te lang stil te staan bij de dood? In de jaren zestig bedroeg de zuigelingensterfte in Nederland ongeveer vijftien per duizend levendgeborenen; vijf keer zoveel als nu. Toch was dat in historisch perspectief niet veel. We kwamen van ver. In 1900 ging het nog om 155 per duizend.

Haar zoon Basje overleed na vier dagen. "We kregen hem niet meer te zien"

Er was een tijd dat geen gezin ontkwam aan 'enen scherpen flits, te dood'lijk en te bits' (Vondel, 'Uitvaart van mijn dochtertje', 1633). Ik vind het in mijn eigen familiegeschiedenis, waar tenminste vier generaties achtereen werden getroffen, en ik hoor het van anderen. Een collega komt op de proppen met een stamboom vol verlies. Zijn betovergrootvader Marinus, geboren in 1842 en overleden in 1909, kreeg zeventien kinderen; twaalf met zijn eerste vrouw en, na haar overlijden, nog eens vijf met zijn tweede .

Van deze zeventien kinderen bereikten slechts acht de volwassenheid. Wat rest leest als een repeterende breuk van droefenis. Op 16 januari 1868 werd geboren Jan Arie, hij overleed op 2 juli. Op 2 februari 1870 de volgende Jan Arie, hij overleed op 17 juli. Op 26 december 1871 weer een Jan Arie, hij overleed op 5 juli 1872. Op 16 januari 1873 nog een Jan Arie, hij overleed 13 april. Op 2 januari 1874 werd Jenneke Maria geboren, ze overleed op onbekende datum. Daarna kwam Teuntje, geboren 1 februari 1875, overleden 23 maart.

Waarna op 6 november een doodgeboren tweeling volgde; dit is tevens de sterfdatum van Marinus' eerste echtgenote Martijntje, zij werd 34 jaar oud en had twaalf kinderen gebaard toen ze de geest gaf. Van de vijf kinderen die Marinus daarna kreeg met zijn tweede vrouw, bleven er vier in leven: de laatste werd geboren op 13 april 1885 en stierf op 8 juli. Ook hij heette Jan Arie.

© Jörgen Caris

Politiebureau
Mijn moeder heeft de dood altijd op afstand willen houden, vertelt mijn vader onderweg naar Hoogkerk. In dat opzicht was ze een kind van haar tijd, al kwam haar afwerende houding waarschijnlijk evenzeer voort uit haarzelf als uit de wereld waarin ze opgroeide. Hoe dan ook, het graf van haar ouders heeft ze nooit bezocht. De graven van haar kinderen evenmin.

In zekere zin ging zelfs het sterven van haar jongens buiten haar om, maar daarin had ze geen keuze - wat gebeurde lag niet in haar macht, hoe het gebeurde ook niet.

Reint en Galke werden thuis geboren. Ze kwamen veel te vroeg, vertelt mijn vader. Hij moest naar het politiebureau om de verloskundige te bellen - mijn ouders hadden nog geen telefoon - en hij belde ook een bevriende arts, werkzaam in het ziekenhuis van Den Helder. Het was duidelijk dat de kinderen groot gevaar liepen. Met de auto van een buurman - mijn ouders hadden ook nog geen auto - reden ze naar het ziekenhuis, waar een ambulance klaar stond om de tweeling naar het Academisch Ziekenhuis in Groningen te brengen. Mijn vader reed mee.

In zekere zin ging zelfs het sterven van haar jongens buiten haar om, maar daarin had ze geen keuze

"Een vreselijke rit. Die kinderen huilden en huilden."

Galke was al overleden toen ze aankwamen, waardoor hij als 'levenloos' werd aangegeven. Reint overleed twee dagen later. Mijn vader was toen net weer terug in Den Helder, waar hij mijn moeder in het kraambed had achtergelaten. Nu moest hij in zijn eentje retour naar Groningen, om de kinderen te begraven. Zijn ouders in Hoogkerk ontfermden zich over de praktische beslommeringen. Ze hadden zelf een doodgeboren kind gehad, dat lag op de plaatselijke begraafplaats; de tweeling kon in hetzelfde graf.

"Ik was daar niet gelukkig mee", zegt mijn vader. "Wij woonden in Den Helder, niet in Hoogkerk."

"Waarom stemde u er dan toch mee in?"

"Tja." Hij aarzelt. "Het wordt je uit handen genomen."

"Tja." Hij aarzelt. "Het wordt je uit handen genomen."

© Jörgen Caris

Later was hij, op bezoek bij zijn ouders, nog een keer wezen kijken. Zonder mijn moeder - zij kon dat niet opbrengen. "Het voelde alsof ik iets stiekems deed", zegt hij.

Vijf jaar later had hij weer alleen aan een kindergraf gestaan, ditmaal op een kerkhof in Amersfoort, aan de Dodeweg. Ubbo was een week na zijn geboorte ziek geworden, en wat was begonnen als een hersenvliesontsteking ging over in een hersenontsteking. Een week later was hij gestorven.

"We hadden hem zo zien lijden in zijn couveuse", zegt mijn vader, "dat we er vrede mee hadden."

Mijn moeder kon niet mee naar de begrafenis, ze lag met een baarmoederontsteking op bed. Toen mijn ouders samen nog eens wilden gaan kijken - ze woonden al niet meer in Amersfoort - bleek het graf al te zijn geruimd. Misschien was het daarom dat ze er zondermeer van uitgingen dat hetzelfde was gebeurd met het graf van Reint en Galke toen ik zeven jaar geleden vertelde niets te hebben kunnen vinden op de begraafplaats in Hoogkerk.

Mijn moeder kon niet mee naar de begrafenis, ze lag na de bevalling ziek op bed

Nu loop ik met mijn vader op dezelfde plek, op zoek naar het ongemarkeerde graf OC/09/003B.

"Het was ergens rechts aan de rand", herinnert mijn vader zich, maar we vinden het pas als de oud-beheerder aanwijzingen komt geven. Een onbeduidend stukje gras tussen een steen en een conifeer, dat is het. Er staat inderdaad een stokje in. "Vijftig jaar", zegt mijn vader. "Dat is lang." Hij kijkt naar het zwijgende gras. "Nu moet er ook maar een gedenkteken komen."

Deel dit artikel

Dit is het verhaal van een man die tachtig jaar oud moest worden om bij het graf te staan van twee kinderen die 52 jaar geleden stierven

Deze kinderen worden 'geacht nooit te hebben bestaan'

Het was een jongetje, zag ik, en hij was heel klein. Hij mocht geen naam hebben

De schokkende praktijk is dat het doodgeboren kind niet bestaat in het ge­boor­te­re­gis­ter, maar alleen in het register van de dood

Jaap Doek

Mijn kindje werd in een spuugbakje gelegd. Toen werd het weggebracht

Ank van Tongeren

Men ging er ten onrechte vanuit dat het verlies van een doodgeboren kind minder erg was

Manu Keirse

Ik voel me als een kind dat aan de broekspijp van een familielid om aandacht jengelt

Roos Schlikker

Haar zoon Basje overleed na vier dagen. "We kregen hem niet meer te zien"

In zekere zin ging zelfs het sterven van haar jongens buiten haar om, maar daarin had ze geen keuze

"Tja." Hij aarzelt. "Het wordt je uit handen genomen."

Mijn moeder kon niet mee naar de begrafenis, ze lag na de bevalling ziek op bed