Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Kilte maar ook warmte na WO II

Home

Hélène Butijn

Nederland had na de Tweede Wereldoorlog te weinig aandacht voor de mensen die terugkeerden uit de concen tratie kampen. De eigen wederopbouw stond voorop. Maar berust het wel op waarheid, die kille opvang destijds? Historicus Martin Bossenbroek deed er uitgebreid onderzoek naar.

Het is langzamerhand een begrip geworden, die kille, bureaucratische ontvangst in Nederland na afloop van de Tweede Wereldoorlog. ,,Hebt u nog iets aan te geven'', vroeg een douanier aan een Joodse man die uit het concentratiekamp kwam. De man was verbijsterd en antwoordde: ,,Nee, alleen mijn leven.'' Maar volgens historicus Martin Bossenbroek liet de opvang van duizenden terugkerenden Nederland destijds helemaal niet koud. De visies op wat wenselijk was bij die opvang, verschilden van nu. En niet te vergeten: Nederland lag in puin.

Bijna 820 miljoen gulden (372 miljoen euro) zegde de Nederlandse regering vorig jaar en dit jaar toe aan verschillende groepen oorlogsslachtoffers. De groep die voor de Joodse gemeenschap onderhandelde, sprak nadrukkelijk van 'restitutie'. Zelf noemde de regering de bedragen liever 'smartengeld'. Smartengeld dat beschikbaar werd gesteld, zei premier Kok, vanwege een te 'kille' ontvangst van de vele ontheemden die na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland terugkeerden. In het rechtsherstel was 'te veel formalisme, 'ureaucratie en vooral kilte', zei de premier. 'Er zijn fouten en tekortkomingen geconstateerd die onder ogen moeten worden gezien'.

Maar was de terugkeer en opvang destijds inderdaad zo kil en harteloos? In opdracht van de overheid werd in 1998 de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (Soto) opgericht. Historicus Martin Bossenbroek werd gevraagd om, met hulp van vele historisch medewerkers, de resultaten van dat onderzoek op te schrijven. Gisteren presenteerde hij in de Amsterdamse Nieuwe Kerk zijn indrukwekkende boek 'De Meel streep' en het bijbehorende 'Mensenheugenis'. Daarin zijn, onder redactie van Hinke Piersma, de persoonlijke ervaringen van de verschillende groepen oorlogsslachtoffers vastgelegd.

In de openingsscène van zijn boek beschrijft Bossenbroek prachtig hoe koningin Wilhelmina op 13 maart 1945 terugkeerde naar Nederland. Het Zeeuws-Vlaamse grensdorp Eede weet pas op het laatste moment dat de koningin zal komen. Om de grens precies aan te geven wordt inderhaast een zak meel uitgeschud. Als de koningin er eenmaal is, omringd door hoogwaardigheidsbekleders, schuifelt ze eerst 'al handenschuddend' ongemerkt Nederland binnen. Tot haar schrik bemerkt ze dat ze ineens op vaderlandse bodem staat. Ze doet een paar passen terug en 'schrijdt alsnog waardig over de meel streep'.

Bossenbroek: ,,Die streep markeert symbolisch het einde van de oorlog. En een streep trekken geldt meestal als iets definitiefs. Maar dit is een heel vluchtige streep. Het meel verstuift. De Tweede Wereldoorlog werkte nog veel en veel langer door dan verwacht. Elke keer lijkt iets afgesloten, maar steeds weer komt het later opnieuw boven.''

Bossenbroek neemt een helder standpunt in over de naoorlogse opvang. De Nederlandse overheid heeft volgens de historicus destijds wel degelijk aandacht besteed aan de terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Sterker nog: de Nederlandse regering in Londen had al vroeg plannen klaar. Dat het in de uitwerking niet altijd goed ging, is voor een groot deel te wijten aan de rampzalige toestand waarin Nederland begin 1945 verkeerde na zo'n acht maanden strijd op eigen grond. ,,Dat zijn we de laatste jaren vergeten'', zegt Bossenbroek, ,,de verwoestingen, de honger, de bittere armoede en de chaos kort na de bevrijding. Daardoor werden de problemen onbeheersbaar.'' Het was vreselijk moeilijk om vervoer en voorraden op de juiste plek te krijgen. Communicatie was vrijwel onmogelijk. Verder was Nederland bij de uitvoering van de opvangplannen en bij het opeisen van eventuele restitutie afhankelijk van de geallieerde mogendheden. Bossenbroek: ,,In Londen is wat dat betreft wel een totaal verkeerde beleidskeuze gemaakt, een taxatiefout. Nederland dacht dat het de opvang wel op eigen houtje kon regelen. Terwijl duidelijk was dat de geallieerden dat natuurlijk zouden doen. Nederland paste zich niet aan, met als gevolg dat twee organisaties zich met de opvang vanuit Europa bezighielden. Dat pakte falikant verkeerd uit.'' Het verwijt dat de Nederlandse regering te weinig had gedaan voor de Nederlanders in Duitsland, achtervolgde de regering vervolgens nog jaren. De terugkeer uit Nederlands-Indië - gecoördineerd door dezelfde Van Os van Delden die ook de terugkeer uit Duitsland had geregeld - verliep uiteindelijk soepeler, beschrijft Bossenbroek.

Van een kille, harteloze opvang was in een aantal gevallen inderdaad sprake, concludeert de historicus. Maar in andere gevallen wachtte terugkerenden juist een warm welkom, betrokkenheid, daadkracht en improvisatie. Wie kort na de oorlog terugkeerde, kwam in de grootste chaos terecht. Maar de ontvangst in de verwoeste delen van Zuid-Nederland was heel anders dan die in het relatief ongeschonden Friesland. En wie bijvoorbeeld via Frankrijk of het vrije Zweden was gereisd, had veel hogergespannen verwachtingen van de ontvangst (en waren dus vaak dieper teleurgesteld), dan zij die door het verwoeste Duitsland naar huis trokken. Kortom: verschillen in tijd en plaats bepaalden veel, evenals de verschillen in ervaringen tijdens de oorlog en in geestelijk weerstandsvermogen van de mensen zelf. Dit alles zorgde voor 'extreme verschillen' in de opvang, 'van inktzwart tot parelwit', schrijft Bossenbroek.

Het Veemgebouw in Eindhoven bijvoorbeeld, dat kort na de bevrijding het grootste centrum was waar gerepatrieerden werden opgevangen. 'Een kille kampsfeer hangt daar als een loden wolk', meende G.L. Durlacher na terugkeer uit Auschwitz. Hij schrijft over 'mensen in muffe kleding', rijen voor wc's en luidsprekers die boodschappen schetteren. H. Wolff, terug uit Theresienstadt, is juist lovend: ,,Dat was ongelófelijk, (...) dat was zoiets ontroerends. Daar stonden ze met chocola en allerlei lekkere dingen.''

De ontvangst van de familie Dasberg, opgetekend in de bijdrage van Boris de Munnick in het bijbehorende 'Mensenheugenis', is juist een voorbeeld van kilte.

VERVOLG OP PAGINA 13

Kilte maar ook warmte na WOII

VERVOLG VAN PAGINA 11

Het Joodse gezin Dasberg, man vrouw en drie kinderen, allen gered uit de concentratiekampen, arriveerde eind juni 1945 op het station van Breda. Onmiddellijk moesten ze aan de kant gaan staan. De controlerende beambte meende dat een Joodse familie die als geheel had overleefd, wel uit collaborateurs móest bestaan. ,,Alle andere Joodse repatrianten die hij registreerde, hadden hun familie geheel of grotendeels verloren.'' Mevrouw Dasberg bestreed de vreselijke beschuldiging en eiste dat hij zich liet informeren door leden van de groep waarmee de familie was teruggekeerd. ,,Hetgeen geschiedde, waarna hij zijn verontschuldigingen maakte. 'Een zo complete familie, was zeer ongewoon!' ''

Voor de psychische en emotionele problemen van de gerepatrieerden had de overheid volgens Bossenbroek overigens juist een 'tamelijk scherp oog'. Die nood werd kort na de oorlog echter niet als individueel leed gezien, maar als een sociaal probleem. Daarvoor moest dus ook een collectieve oplossing komen: resocialisering om het normbesef en de gemeenschapszin te herstellen.

Bossenbroek: ,,De 'volksgemeenschap' werd heel plastisch voorgesteld, als een echt mensenlichaam, met butsen en builen en bloedende wonden.'' Het belang van die gemeenschap ging voor dat van het individu. Sterker nog, aan dat individu werd vaak gewoonweg niet gedacht. Door snel weer aan het werk te gaan, zouden mensen hun psychische problemen na korte tijd wel weer te boven komen, was de heersende opvatting. ,,Niet alleen de overheid, maar ook de verschillende belangengroepen zoals de Stichting '40 - '45 en Pelita onderschreven die visie.''

De overheid bouwde ook zorgvuldig een historisch beeld op van de oorlogstijd, waarin de nadruk lag op 'een klein en onverschrokken volk' dat zich, vooral via de verzetshelden, met succes boven de nazi-overheersing had uitgevochten. Oud-verzetsstrijders en ex-politiek gevangenen kregen daardoor een bijzondere plaats toebedeeld. Voor speciale aandacht voor andere groepen was geen ruimte: dat zou de verdeeldheid alleen maar bevorderen. Wat betreft het leed dat de Nederlandse Joden was aangedaan, leed de regering, maar ook de samenleving als geheel, kort na de oorlog aan ernstige 'bijziendheid', aldus Bossenbroek.

Maar ook het begrip 'oorlogsslachtoffer' had kort na de oorlog een heel andere betekenis dan nu. Bossenbroek pakt een groot, vergeeld boek en slaat het open bij een landkaart in felle kleuren. In helrood staan de gebieden in Nederland aangegeven die door de oorlog waren verwoest, in vuilgroen de gebieden die onder water stonden en in zwart de gebieden die zowel verwoest als overstroomd waren. Bossenbroek: ,,Op al die plekken woonden, volgens de definities van die tijd, de oorlogsslachtoffers. Als slachtoffers werd in die tijd iedereen beschouwd die materiële schade had geleden, mensen van wie hun huis was verwoest en die niet meer in hun levensonderhoud konden voorzien. Naar hen ging de eerste hulp uit, niet naar de terugkerenden met emotionele of psychische problemen.''

Kortzichtig wil Bossenbroek dat niet noemen. ,,Het is voor de hand liggend om in zo'n situatie eerst te kijken hoe je ondererlies aan inkomsten. Villareal: ,,Aan de ene kant heb je de directe kosten van medicijnen en verzorging en later van de begrafenis. Die zijn vaak hoger dan het jaarlijkse inkomen van de familie. Het komt voor dat de enige koe geslacht wordt voor de gasten van de begrafenis. Een indirect effect is dat de schaarse arbeidskracht boerengezinnen ertoe dwingt om om te schakelen naar minder veeleisende gewassen, zoals cassave. Dat zijn vaak ook gewassen die minder opbrengen. Cijfers uit Kenia laten zien dat een id er ook ruimte om over schadevergoeding te praten. Dat alles culmineerde eind jaren negentig in zo'n sterke politieke en maatschappelijke druk, dat de Nederlandse regering overging tot het onderhandelen over en uitbetalen van smartengeld aan groepen oorlogsslachtoffers. Alleen de ex-tewerkgestelden kregen niets, de repatrianten uit de Joodse en Indische gemeenschap, Roma en Sinti en het Breed Homo Lesbisch Platform, kregen wel geld.

Met de historische feiten heeft dat niet veel te maken, meent Bossenbroek. ,,Het kabinet heeft zich laten leiden door de actuele politieke en maatschappelijke situatie aan het eind van de twintigste eeuw. Het is een politieke afweging. Er ontstond maatschappelijke commotie, die gezien werd als een politiek probleem en daar werd deze oplossing voor gevonden. Maar als je kijkt naar de omstandigheden van toen, kun je niet volhouden dat de opvang in zijn algemeenheid kil en bureaucratisch van aard is geweest. Behalve kilte was er ook warmte. Je kunt het niet allemaal afdoen als onverschilligheid, als in de kou laten staan.''

Deel dit artikel