Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jury prijst originaliteit van de aanpak

Home

Van een onzer verslaggeefsters DEN HAAG - Ze komen allebei uit een rooms-katholiek 'politie-milieu', ze studeerden samen in Nijmegen in de jaren zeventig en ze werken allebei bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst. De een is getrouwd en heeft drie dochters, de ander is vrijgezel. Vanmiddag krijgen dr. Paul Abels en dr. Ton Wouters de Eismaprijs voor lokale en regionale geschiedenis uitgereikt.

Twee jaar geleden promoveerden zij op hervormingsdag op een studie naar de veranderingen in kerk en samenleving in Delft en omstreken tussen 1572 en 1621.

Op hun gezamenlijke lunch-wandelingen door het Haagse Statenkwartier ontstond ergens halverwege de jaren tachtig het idee om de draad van de kerkgeschiedenis weer op te pakken. Een gemeenschappelijke passie uit hun tijd op het Instituut voor de geschiedenis van het Nederlands rooms-katholicisme in Nijmegen. “Om je ambities kwijt te kunnen, en om wat te ontsnappen aan de 'parafencultuur' die zo'n ministerie toch is”, zegt Paul Abels erover. Negen jaar noeste arbeid leverde een proefschrift in twee delen op (samen een dikke 1200 pagina's) en nu dus ook een prijs. De Eismaprijs, 7500 gulden groot, is ingesteld door een gelijknamige uitgeverij in Leeuwarden en wordt elke twee jaar toegekend.

Eén van de dingen die Wouters en Abels vaststellen is dat het calvinisme maar heel geleidelijk terrein won. Vlak na 1572 had hooguit 10 procent van de Delftse bevolking zich bij de gereformeerde kerk aangesloten. Uiteindelijk (dus in 1621) was het niet meer dan 30 procent. Delft en Delfland bleven multiconfessioneel. De overheid beriep zich bij de inrichting van het publieke leven op de wil van God, zonder de bijbehorende godsdienst dwingend op te leggen.

“Ik heb nooit het idee gehad dat ik regionale kerkgeschiedenis schreef”, zegt Paul Abels, die tekende voor deel 2 van 'Nieuw en Ongezien' (uitg. Eburon, Delft 1994). “Zodra je over de gereformeerde kerken schrijft ben je met plaatselijke en regionale geschiedenis bezig. Dat heeft alles te maken met de manier waarop die kerken georganiseerd zijn, namelijk van onderaf.”

De Eisma-jury prijst de originaliteit van de aanpak, dat niet alleen naar het calviniseringsproces in de stad Delft is gekeken, maar ook naar de ommelanden. Die keus was eigenlijk toevallig, maar heeft onder meer de conclusie opgeleverd dat de stad via de classis (de regionale kerkvergadering, door prof. Van Deursen omschreven als 'de hoeksteen van de gereformeerde kerken') zijn invloed op het kerkelijk leven in de hele regio deed gelden.

De studie van Wouters en Abels is gesplitst in twee delen. Het eerste handelt over de organisatie van de nieuwe kerk die vanaf 1572 ontstond, toen Delft zich vreedzaam aan de watergeuzen overgaf. Het vertelt het institutionele verhaal van classis, kerkenraden, predikanten, diakenen, ouderlingen en gelovigen. Het tweede deel gaat over de bemoeienissen van de kerk met het maatschappelijk leven. Abels: “Het is bijvoorbeeld grappig om te zien hoe met allerlei praktische zaken werd omgesprongen, zo vlak na de Reformatie. Neem de zondagsheiliging. De overheid garandeerde de rust zolang de godsdienstoefeningen duurden, maar om vier uur zondagsmiddags konden de brouwers weer aan de gang. Ook met de seksuele moraal sprong men veel soepeler om dan de latere kerk dat is gaan doen. In het geval van voorechtelijke gemeenschap was de grootste zorg van de kerk dat de mannen ook zouden trouwen met de vrouw die ze zwanger hadden gemaakt. Verder werd er niet moeilijk over gedaan.”

Aan de andere kant wilde de nieuwe kerk wel degelijk een voorhoede zijn, een voorbeeld voor de samenleving. Via de kerkelijke tucht probeerde men de Avondmaalstafel heilig te houden. Bij de handhaving van de tucht was trouwens een duidelijk verschil tussen stad en platteland waarneembaar. In de stad is het al gauw moeilijk om excessen te bestrijden, terwijl in de dorpen de kerk daadwerkelijk als conflictbeslechter optreedt. Als er ruzie was over de hoogte van een heining ging men daarmee vrijwillig naar de kerkenraad, wiens uitspraak men vervolgens als bindend accepteerde. In de stad worstelde de kerk veel duidelijker met de tegenstelling tussen enerzijds die heilige gideonsbende en anderzijds het verlangen een volkskerk voor de hele bevolking te zijn. Dan moet je je deuren wijd openzetten.

Hoewel zelf rooms-katholiek hebben Wouters en Abels een typisch protestantse geschiedenis geschreven. “Het heeft jaren geduurd voor we dat gereformeerde denken echt konden doorgronden”, zegt Abels, “maar ik durf nu de stelling aan dat we meer weten dan menige orthodoxe protestant die in de kerk van de Reformatie zijn wortels heeft.” Misschien was het wel een voordeel dat we er wat van buitenaf tegenaan keken, denkt hij. Het grootste compliment dat we kregen was 'Jullie hebben de Reformatie recht gedaan'.

En dan nu de prijs voor regionale geschiedschrijving. Ondanks de kanttekening dat 'Nieuw en ongezien' juist veel betekenis voor de nationale geschiedenis heeft, zullen de auteurs vanmiddag pleiten voor meer locale geschiedkunde.

Ook na hun promotie zijn beiden zich met de kerkgeschiedenis blijven bezighouden. Ze waren mede-oprichters van de Vereniging voor Nederlandse kerkgeschiedenis. En wie de geschiedenis van de gereformeerde kerken beschrijft, moet plaatselijk beginnen. Abels: “Wil je de diepte ingaan dan moet je je beperken.”

Deel dit artikel