Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

John Lanting: 'Je mag niet leunen op een grap'

Home

SHIRAH LACHMANN

ZOETERMEER - Nog zeventig maal gaat het doek op voor John Lantings Theater van de Lach. Voor de laatste keer kan het publiek in plaatsen als Maastricht, Cuyk, Stadskanaal, Middelburg of Den Helder, naar adem happend van de pret, genieten van de verrichtingen van de acteurs in 'Jubileumhotel'. Maar dan is het definitief voorbij. Na 25 jaar zet de Koning van de Lach er een streep onder. “Ik heb mijn werk gedaan.”

Het lijkt soms wel of Lanting (1930) het eigenlijk met de critici eens is: wat heeft hij nou helemaal gedaan waar hij trots op zou mogen zijn. “Ik heb 25 jaar volle zalen gehad, dus het zal wel goed geweest zijn, maar ik doe maar wat.” De omschrijving 'bekendste acteur van Nederland' relativeert hij met de woorden: “Ach, over vier maanden is dat ook afgelopen.” En dat zegt hij duidelijk niet om te koketteren met zijn bescheidenheid; hij lijkt het echt zo te voelen.

Volgens Lanting is dat ook het wezen van de echte kluchtspeler: relativeren tot op het bot. “Het is een beroepsdeformatie: het is of nul of honderd, zwart of wit. De kluchtspeler denkt zó rechtlijnig dat als iedereen al lang is afgehaakt hij nog rechtdoor loopt, ook al ziet hij de grote sloot in de verte. Hij is logisch tot in het absurde.”

Lanting vermoedt dat dat voor veel mensen ook de aantrekkingskracht van de klucht is. “Het leven bestaat uit compromissen, maar ik denk dat iedereen diep in zijn hart wil weten hoe het oóó had kunnen lopen.” Iemand als persoonlijk secretaris Bram Bunning - de rol van Lanting in 'Jubileumhotel' - volgt zijn meester - het Tweede-Kamerlid Victor Weusink - onvoorwaardelijk. Wat de consequenties voor hemzelf ook zijn. Dat intrigeert de kijker, die Bunning eigenlijk voor gek verklaart dat hij niet afhaakt, maar tegelijkertijd benieuwd is hoe hij en de anderen zich uit alle verwikkelingen zullen redden.

“Iedereen kiest uiteindelijk voor veiligheid, maar er komt een moment dat je bij de kachel in je warme sloffen gaat nadenken: 'Had ik toen, in die absurde situatie, niet toch ja moeten zeggen?' De mensen lopen met zelfverwijten rond en daarom komen ze naar het Theater van de Lach, want de klucht gaat eigenlijk veel dieper: zij stelt aan de kaak hoe wij onszelf beschermen.”

Lanting zelf heeft in het verleden zelden op safe gespeeld. 'Eigenwijs', noemt hij zichzelf. Lanting moest en zou bij het toneel, maar aanvankelijk kreeg hij geen steun van de familie. Hij besloot naar het buitenland te gaan, te meer daar hij wegens 'hersenkramp' op school niet mee kon komen en werd uitgelachen om zijn onvermogen tot leren. “Ik besloot toen: ik moet weg, een totaal nieuw leven opbouwen, erop uit met de rugzak.”

Vier jaar lang zwierf Lanting ieder vakantieseizoen door Zuid-Europa en had baantjes in hotels als bordenwasser of receptionist. 's Winters was hij dan weer in Nederland, waar het toneel bleef trekken. “Op een gegeven moment zei mijn tante, de toneelspeelster Willy Haak: 'Ik zie zo dat vuurtje bij je branden; ik denk dat we het toch maar moeten proberen'.” Toen zij dan toch haar fiat gaf, verstrekte zijn vader ook de financiële middelen en Lanting vertrok naar de toneelschool in Amsterdam.

“Maar ik was weer eigenwijs, want ik wilde per se het lichte genre spelen. We moesten als opdracht een keer een lijstje maken van de tien rollen die we graag wilden spelen en ik schreef op: Potasch & Perlemoer en Snip & Snap. De docent dacht nog dat ik niet serieus was, maar ik blééf erbij: dat waren mijn favoriete rollen.”

Lanting kwam terecht bij het Nieuw Rotterdams Toneel, speelde onder andere Beckett en Brecht, maar bleef haken naar het lichte genre. In 1964 koos hij tegen alle adviezen van collega's in voor de vrije sector, maakte furore met zijn solo in 'De Aap' van Franz Kafka, speelde een seizoen bij cabaret Lurelei en startte in 1970 de traditie die hem de bijnaam 'de Koning van de Lach' opleverde.

“In het begin heb ik me er nooit aan gestoord dat theaterdirecteuren zeiden: we nemen je niet. Dat was een goede stimulans voor me. Maar als ze nu, na 25 jaar, zeggen: het Theater van de Lach heeft zichzelf overleefd, dan word ik boos, dan weten ze er niets van af.” Het steekt hem zichtbaar dat een aantal directeuren dat argument hanteert om de deuren van hun theater gesloten te houden voor wat zij zien als platte klucht.

Strikt genomen heeft Lanting hun waardering niet nodig. Hij hóéft niets meer te bewijzen; zijn publiek komt toch wel. Zelfs op een koopavond in Amsterdam is het Nieuwe de la Mar, waar hij dan optreedt, bijna uitverkocht. Ze dragen hem op handen.

Maar hoe gevoelig de kwestie van erkenning nog steeds ligt, blijkt als er tijdens ons gesprek aan een tafeltje achter ons opeens duidelijk hoorbaar het woord 'onderbroekenlol' valt. Lanting veert overeind in zijn stoel en zijn wenkbrauwen schieten omhoog. Verontwaardigd zegt hij dat er in zijn voorstellingen nooit schuttingwoorden en grappen over seks of pies en poep voorkomen.

Onder Lantings vakgenoten is er wel degelijk erkenning voor zijn regiekwaliteiten. Er klinkt enige trots door in zijn stem als hij vertelt dat Toneelgroep Amsterdam en het Ro-theater hem hebben gevraagd als gastregisseur. In de speciale jubileumkrant roemt de artistieke leider van Toneelgroep Amsterdam, Gerardjan Rijnders onder andere zijn mise-en-scène, de dosering van de grappen, de tempowisselingen van de verschillende scènes en de wijze waarop Lanting een relatie met zijn publiek weet op te bouwen.

Een van de manieren waarop Lanting dat doet, is door de toneelconventies te doorbreken en zich rechtstreeks tot het publiek te wenden. Net als in het poppenkastspel van Jan Klaassen en Katrijn speelt hij door de onzichtbare barrière tussen spelers en publiek heen. En enthousiast laten de toeschouwers zich meeslepen. “Ze zijn medespelers. Er zijn een paar schouwburgen waar je opzij de zaal in kunt kijken en dan zíé je de mensen op de eerste rijen meespelen.” Lanting staat op en mimet in snel tempo een aantal gelaatsuitdrukkingen: verrassing, vrolijkheid, spanning.

De klucht staat of valt bij een goede opbouw naar de lach. “Je moet spelen, spelen, spelen, van het begin tot de punchline. Je mag niet gaan leunen op de grap, want dan gaat hij opvallen en dan wéét het publiek dat het moet lachen. Het zal ook lachen, maar het wordt een lach met een wond. De acteur die krampachtig probeert die lach vast te houden, omdat hij daar eerder zoveel succes mee had, kan gaan forceren. Going over the top noemen we dat. Als dàt eenmaal begint, krijgt iedereen de neiging te versnellen en dan is het in tien keer afgelopen met die grap.”

Lanting vertelt over musici uit een groot orkest die regelmatig - en niet met de familie - zijn voorstellingen bezoeken. Toen hij ze vroeg waarom ze dan komen, luidde het antwoord: “Jullie spelen zonder dirigent.” Wat ze precies bedoelden, werd hem pas duidelijk toen de violist Theo Olof hem eens vroeg: “Hoe dóén jullie dat toch, die tempoversnellingen en vertragingen?” Lanting glimlacht.

“Je moet het vermogen hebben mee te denken met de snelheid dan wel traagheid van het publiek. Je moet naar hun ademhaling luisteren. Ze ademen met ons mee; dat ga je horen. En soms moet je dus ook even wachten; daar moet je op inspelen.” Hij zwijgt even en vervolgt dan: “Het is een fascinerend iets. Ik denk dat ik dat zal missen.”

Dit is ook de kennis die Lanting had willen doorgeven aan zijn 'erfgenaam'. “Ik begin te werken alsof het een groot drama is wat we spelen, drama is langzaam. Later komen de wielen eronder, de grappen. Dan wordt het lichtvoetig. De grappen krijgen hun eigen vorm en het publiek gaat meespelen. De laatste voorstelling is altijd de beste. Meteen raak is mis.”

Die erfgenaam is er nòg niet. “Die had dan bij mij in de groep moeten zitten. Nu zal hij van buiten komen en net als ik klein moeten beginnen. Daardoor zal hij zijn eigen stijl ontwikkelen; dat is het beste. Er komt nu een rustpauze; de mensen moeten mij vergeten. Na Cor Ruys, Johan Kaart en John Lanting komt er een nieuw gezicht, die net als wij zijn eigen aanpak zal hebben. Het moet geen epigoon worden.”

Deel dit artikel