Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jehova's getuigen groeiden tegen Hitlers verdrukking in

Home

door Koert van der Velde

Nazi's jaagden op Jehova's getuigen. Toch groeide het Wachttorengenootschap als kool. Vandaag verschijnt de eerste monografie van niet-Jehova's getuigen. En doet Jo Wildschut haar verhaal.

Ondanks het verbod van Nederlandse Jehova's getuigen in het voorjaar van 1940, gingen ze ijverig door met het verkondigen van het einde der tijden en van het nazi-regime. En dat had grote aantrekkingskracht: van 500 leden in mei 1940 groeide het genootschap tot 3125 in mei 1945.

Jo Wildschut (85) uit Gouda heeft enthousiast meegedaan aan het verspreiden van 'het goede nieuws' over het komende einde van de tirannie. Ze was 'een uitdagend type' en deed overal aan mee. ,,Gehoorzaamheid stond voorop. Om elf uur 's avonds moest je ergens zijn. Dan voerden we in kleine groepjes plak- en strooiacties uit. Was je los, dan verdween je weer zo snel mogelijk naar huis.''

Tussen kerst en oudjaar 1940 werden zo in het hele land maar liefst drieënhalf miljoen anti-Duitse pam fletjes verspreid, schrijft historica Tineke Piersma. Later werden aanplakbiljetten opgehangen met opschriften als 'Jehovah zal de vervolgers straffen met eeuwige vernietiging'. Twee weken later schreef de Nederlandse SS aan Berlijn dat in weerwil van strengere maatregelen de activiteiten van de Bibelforscher waren toegenomen. Uit het hele land kwamen zo'n vijfhonderd getuigen in kampen terecht, 130 kwamen om.

Jo Wildschut, getuige sinds februari 1941, kon nog een tijdje haar werk doen. ,,Ik was door mijn sociaal-democratische ouders uit huis gezet. Die vonden het maar niks dat ik Jehova's getuige was geworden, en waren bang dat zij in gijzeling zouden worden genomen. Ik ben ingetrokken bij geloofsgenoten en ging fulltime van deur tot deur, heb hele straten doorgewerkt, in alle steden en dorpen in de buurt. Heel mooi als je mensen met de kostbare waarheid gelukkig kon maken.'' Wildschut was daarmee minder voorzichtig dan het genootschap voorschreef. In elke straat mocht steeds maar bij een paar huizen worden aangebeld. Ook werden er zogenaamde 'bokkenlijsten' gemaakt met 'foute' adressen -daar hing op Hitlers verjaardag de vlag uit.

Toch nam ook Wildschut maatregelen. ,,Ik getuigde van 'de Heer', noemde niet die prachtige naam van 'Jehova' want dat was te link. Zo zijn honderden tot overtuiging gekomen. Tot mijn vriendin en ik op een dag in mei 1943 in Capelle aan den IJssel aangebeld bleken te hebben bij een NSB'er. Op het politiebureau hebben we de hele nacht geestelijke liederen gezongen. De agenten waren oprecht geïnteresseerd.''

Omdat Nederlandse agenten een belangrijke rol speelden bij de arrestatie van Jehova's getuigen, stuurde het Wachttorengenootschap een circulaire naar alle politieorganen: ,,De politie van Nederland wordt voor een ernstige keuze geplaatst en wel de zijde van den vervolger of te wel die van de vervolgden te kiezen, waarmee iedereen over zijn lot beslist: hetzij de vloek Gods en de eeuwige vernietiging of de zegeningen Gods met daaraan verbonden het eeuwige leven.''

Bij politie en gevangenisbewakers hadden getuigen een streepje voor op politieke gevangenen: ze vluchtten, stalen of logen nooit. Jo Wildschut: ,,In de Rotterdamse gevangenis hoefde ik niet in mijn cel. Ik mocht schoonmaken. Een man zei: 'In dat kastje ligt je persoonsbewijs. Je kunt er zo mee naar buiten lopen.' Dat heb ik niet gedaan.''

Een andere manier om weg te komen was het tekenen van een verklaring dat de getuigen in een dwaalleer geloofden. Veertig procent van de arrestanten tekende vroeg of laat, soms na mishandeling. De meesten werden tijdens of na de oorlog weer actief getuige -het Wachttorengenootschap riep op tot coulantie met ondertekenaars. Voor vijf procent betekende het ook daadwerkelijk het einde van hun lidmaatschap, berekende historica Piersma.

In opdracht van Stichting 1940-1945 schreef Piersma het historische deel van de door de overheid gesubsidieerde studie die vandaag wordt gepresenteerd. In het tweede deel staan veertien matige interviews met overlevenden, afgenomen door medewerkers van Stichting De Sirenen, een organisatie die is voortgekomen uit de Stichting Ouders Sekteleden. Ze heeft zich in het verleden ingelaten met omstreden pogingen om sekteleden te 'deprogrammeren'. Nu werkt men naar eigen zeggen aan traumaverwerking door het optekenen van levensverhalen.

Jo Wildschut vertelt haar verhaal ook aan Trouw. ,,Ik kwam in kamp Vught terecht, en was daar heel blij mee. Want God had ons een nieuwe toewijzing gegeven om op missie te gaan, nu naar een kamp. Geweldig, zoveel mensen die de tijd hadden en bereid waren om naar ons te luisteren. De discussies met de hervormden en gereformeerden konden hoog oplopen. Maar een Bijbel was er niet, dus konden wij ons gelijk niet bewijzen. Tot de dag dat er een brood werd afgeleverd waar een bijbel in bleek te zitten.''

Joden vormden een moeilijker doelgroep, zegt ze. ,,Zij zaten apart en erkenden de Griekse geschriften (Nieuwe Testament, red.) niet. Ik heb bijna één jong meisje kunnen bekeren. 'Vannacht heb ik niet tot Jawhe maar tot Jehovah gebeden', vertrouwde ze me toe. Ze was helemaal op weg om getuige te worden, maar plotseling was ze vertrokken, naar een vernietigingskamp.''

De getuigen-vervolging werd gaandeweg de oorlog minder belangrijk voor de nazi's, zegt historica Piersma. In relatieve rust kon het genootschap groeien. De energie werd door de bezetter in de deportatie van Joden gestopt. In de kampen klommen getuigen op in de kamphiërarchie. Aan het begin van de oorlog waren ze nog vaak mikpunt van spot om hun vaste geloof, en slachtoffer wegens hun onbuigzaamheid -arbeid in dienst van oorlogvoering weigerden velen principieel. Maar gaandeweg begonnen de Duitsers hun bruikbaarheid te zien. Zo werd Jo Wildschut schoonmaakster in de ruimten van SS-vrouwen. Want getuigen waren te vertrouwen, stalen en saboteerden niet.

Wildschut was daar blij mee: ,,Het gaf mogelijkheden tot goede gesprekken over het geloof.''

,,Niet dat mensen zich in Vught en later in Ravensbrück massaal bekeerden, maar we hebben er goed kunnen zaaien. Ik weet zeker dat het na de bevrijding goed is gaan groeien.'' Veel beter dan tegenwoordig. Al gaat Jo Wildschut ook nu ze een dagje ouder is, nog altijd langs de deuren.

Tineke Piersma: Getrouw aan hun geloof. De vervolging van de Nederlandse Jehova's getuigen in de Tweede Wereldoorlog. Uitgeverij Gruting, ISBN 9075879296.

Deel dit artikel