Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

JAN ROT EN HET GEVECHT TEGEN HET ONBEWUSTE GELUMMEL

Home

FRANK KOOLS

Zanger Jan Rot leed jaren aan het leven. In zijn liedjes stroomde een 'wereldzee van tranen'. Maar de 'Weltschmerz' lijkt wat gesleten. Eind deze maand komt de cd 'Schout bij nacht' uit. Daarop zingt hij: “Tranen zijn maar water en water doet geen pijn. Het is niets. Niets aan de hand.”

Hij is amper uitgezongen of collega Bonnie St. Claire valt hem galmend bij: “Morgen wordt alles anders, wordt alles beter, komt alles goed.” Hij: “En daar houd ik mij, want Bonnie, ja, is goed. Hè, Bonnie niets aan de hand.”

Het bezwerende liedje komt ook voor in de theatershow 'Hard zingen in het donker' die op 28 februari in première gaat in de Kleine Komedie te Amsterdam. Nog rood van het douchen, met vers vet in het haar, schenkt Jan Rot thuis loom koffie in. Het is de middag na een try-out èn ettelijke afzakkers in de kroeg. “Oh, jullie hebben ook nog niets gehad”, verzucht hij tegen de mauwende katten.

De avond tevoren zat Rot (1957) in een klein theater in Hoofddorp met zijn lange lijf gekromd voor de piano. Zijn mond hing soms wat open, de ogen dwaalden een paar keer af. Net als in het vorige programma laat hij het publiek delen in zijn wanhoop, eenzaamheid, pijn en de vele offers die hij voor de muziek heeft moeten brengen.

Hij weet een intieme, haast knusse sfeer op te roepen met wat hij zelf wat smalend 'bekentenis-cabaret' noemt. Aan de grote, droeve ogen in het lange gezicht zie je: 'Dit is een beste jongen'. Bovendien laat hij bij al het zwarte wat hij schildert steeds wat licht doorbreken: “Hoop doet leven, overtollig zaad koekt aan.”

“Die gezelligheid kleeft mij aan”, weet de zanger. “Ik heb op het podium altijd veel gelummel, en ik denk dat het een deel van mijn charme is. Maar ik moet wel vechten tegen het onbewuste gelummel. Als dat eruit is, krijgen mijn programma's iets eigens.” Een echte cabaretier zal hij nooit worden, maar daar is Rot ook helemaal niet op uit. “De verhaaltjes tussendoor moeten beperkt blijven. Het gaat om de liedjes.”

Hij was verkocht vanaf de dag dat zijn grote broer een transistor tegen zijn oor drukte en zei: “Dit is nou popmuziek.” Een jongen van negen jaar nog maar, die meteen zijn roeping voelde. Als puber waste hij elke zomervakantie borden in een restaurant, om zijn eerste gitaar en versterker te kopen.

Rot toerde jarenlang, zoals hij zelf ooit in een lied bezong, van Tiel naar Donderen en van Grouw naar Nieuwegein. “Tussen Ans & Piet en De Piraten, op een modderig campingterrein. Voor de radio met een bandje: 'Ja Heerlen! Hier komt het refrein. Mijn manager zegt: 'Doe het toch maar joh, want de markt is al zo klein' God straft wie rocker in Holland wil zijn.”

Begin jaren tachtig had hij een hitje met 'Counting Sheep', maar het duurde tien jaar voor hij - samen met Rick de Leeuw van de Tröckener Kecks - dat succes kon herhalen met een nieuwe versie van Annie M.G. Schmidts 'Op een mooie Pinksterdag'. Hij kon leven van de muziek, maar dan vooral door er over te schrijven. Als journalist/columnist werkte hij voor muziekblad Oor, Avenue en Nieuwe Revu.

'Hard zingen in het donker' is alweer zijn derde theatershow. Een paar jaar geleden, toen hij nog rockzanger was, schimpte hij in een column tegen Paul de Leeuw: “Bij jullie in het theater zitten ze allemaal op stoeltjes, drinken in de pauze limonade en als je het leuk doet, krijg je op het eind een staand applausje. Bij ons staan ze van het begin af aan.” Nu geniet hij met volle teugen van de 'oprechte genegenheid' die hij bij een optreden terugkrijgt van het theaterpubliek. “Elke avond voelt weer als het jaarlijkse schoolfeest.”

“Toen ik in 1992 in het theater begon, was ik blij dat ik eindelijk eens kon vertellen wat me allemaal bezighield. Ik wist toen al dat het een trilogie zou worden. 'Jan Rot gaat nooit uit elkaar' was het verhaal van de popmuzikant. Hoe maakt hij zijn liedjes, hoe gaat een optreden in zijn werk? Het tweede programma, 'Rot is liefde' ging over de muzikant thuis. Waar komt die noodzaak vandaan om elke keer weer dat publiek op te zoeken?”

“In dit theaterprogramma haal ik het 'sprookje van de zaal' onderuit. Is de man die iedereen zo leuk vindt, in werkelijkheid wel zo aardig? En wat is dat voor een raar soort kortstondig geluk, dat de zanger elke avond op een podium najaagt? Hij weet dat het een droomwereld is, maar kiest er toch voor. Dan leven we maar in een illusie.”

Hij vertelt van een nieuwe verkering, die denkt dat het leven van de zanger lijkt op dat van een jongen in een stripverhaal. Zanger Jan “hoeft nooit te poepen en hoeft op zondag nooit mee naar de meubelboulevard.” Doet hij 'gewoon', dan is de bekoring snel verdwenen. Volgens Jan Rot schuilt de 'starfucker' in ons allemaal.

Het smachten naar de Ware Liefde loopt als een rode draad door het programma. Rot roept als Tarzan in een dicht oerwoud om Boy. Hij ziet 'zijn' jongens, meestal zo tussen 16 en 25 jaar, op straat, in de kroeg of in de trein. Ze hangen maar wat rond, zich er niet van bewust hoe mooi ze zijn. Misschien is die wel het wel, waar hij zo op heeft gehoopt, tegen wie hij zou willen zeggen: “Hertje, Hertje zou jij mijn broertje willen zijn.” Maar wat als de 'droomjongen' zijn mond open doet en zegt: 'Ik heet Harry'?

Hij noemt de verhalen over verloren liefdes en verstoorde illusies 'fictief autobiografisch'. Met bouwstenen uit zijn herinnering maakt hij nieuwe verhalen. “Als je je inbeeldt dat je verkering is weggelopen, voel je precies hetzelfde als wanneer dat 't echt gebeurd is. Ik zing een lied over een man die elke avond dronken in hetzelfde café hangt, die zijn liefde heeft verloren en geen toekomst meer ziet. Ik zou me kunnen voorstellen dat ik het ben die elke avond in een café eindigt, maar fictief is het mooier. Dan sta je in ieder geval 's morgens weer gezond op.”

“In die liedjes zit natuurlijk een boel rauw verdriet, maar ze zijn nu bijna allemaal 'mooi melancholiek', de jaren zijn er overheen gegaan. De liedjes troosten me ook. De volgende keer dat je weer in dat café staat, waar je dat lied over geschreven hebt, doet het toch wat minder pijn.” Op 'Schout bij Nacht' zingt hij: “Weemoed is wijzer dan pijn.” Het volgende moment steekt hij er de draak mee: “Mensen neem het allemaal niet te serieus. Ik eet er goed van.”

“Je moet in het programma wel kunnen blijven lachen. Op de plaat heb je leuke loopjes en koortjes die je afleiden, maar als je de teksten op papier zet, kunnen ze loodzwaar worden. Het verhaal tussen de liedjes door houd ik daarom 'easy'. Ik roep altijd: 'Er wordt u geen been afgezet, het is maar zielepijn.' Kijk hoe Gerard Reve - nog steeds mijn favoriete schrijver - dat doet. Hij weet in zijn verhalen eenzaamheid op een goede manier draaglijk te maken.”

“Ik wil niet dat het publiek het gevoel heeft: die meneer zit ons als therapeut te gebruiken; heb ik daar even mooi ¿ 19,50 voor betaald. Ik wil dat ze 's nacht denken: 'Die jongen heeft het zwaar, maar hij blijft er om lachen. Wat zullen wij met onze burgermansproblemen dan nog klagen.”

Tussen al dat fictieve verdriet stopt hij af en toe ook 'echt autobiografisch' verdriet. Als achttienjarige zat hij op een dag met 'ander tuig' op een Gronings boerderijtje te blowen en wat bier te drinken, toen de politie ineens aan de deur stond: 'Uw moeder is heel ziek'. Per busje werd hij naar het ziekenhuis gebracht. Die dag zou ook Elvis Presley overlijden, voor Jan Rot een van de grootste zangers aller tijden.

De zanger vertelt ook hoe hij als kind misbruikt werd door een pedofiel. Voelde dat niet als 'het afzetten van een been'? “Mij deed het niet zoveel, maar ik ken mensen bij wie dat heel diep heeft ingegrepen. Daarom is het goed om het op het podium te zetten. En ik gebruik het om meteen ook de vraag op te werpen: 'Hoe zal het met mij en mijn liefde voor jongens vergaan?”

In zijn programma en op de cd heeft hij gedichten van Hans Lodeizen en J.C. Bloem op muziek gezet. Eerder was dat het geval met teksten van Willem de Mérode en Jan Hanlo. Veel van het materiaal heeft hij zelf geschreven. Op papier lijkt hij daarin soms literaire of religieuze teksten te parodiëren (“Elke minuut kom ik nader tot U, maar het duurt nog zo lang, het liefst kwam ik nu.”)

Rot schrijft ook liedjes voor de groten van het populaire Nederlandse lied, zoals Anneke Grönloh. “Wat is er mooier dan met iemand te werken van wie je een klassieker als 'Brandend zand' in de kast hebt staan. Ik maak de liedjes voor haar met hart en ziel, maar ik stop er geen eigen pijn of verdriet in.”

“Jacques Herb heeft 'Bruidsklokken' van mij gecoverd, wat ik op mijn beurt bewerkt heb naar een Hank Williams-nummer. Wat is er fantastischer dan straks bij de hemelpoort te komen, gevraagd te worden: 'Wat heb je bereikt in het leven?', en dan te kunnen zeggen: 'De Jacques Herb van 'Manuela' heeft via mij een nummer van Hank Williams opgenomen.”

“Ik word wel als de aanstichter van de camp gekroond of - afhankelijk van wie het zegt - gekruisigd. In de tijd dat ik nog voor Oor werkte, riep ik steeds op de redactie: 'Zet nu eens Pierre Kartner op de cover of schrijf eens een goed verhaal over Corry Konings. Dat zijn de artiesten die er op dit moment echt toe doen.' In die tijd werkte ik ook als discjockey in een Amsterdamse discotheek. Ik gooide dan vaak een nummer van 'Boney M.' tussen die van Sam Cook en andere groten door. Niet om te lachen, maar omdat het voor mij gewoon hetzelfde is.”

“Bij sommige Nederlandse artiesten herken ik de emoties die ook grote Amerikaanse sterren als Aaron Neville of Tammy Winette hebben. Het is een mooie stem, lekker zingen en verder geen flauwekul. Die instelling vind je in wat de volkse hoek heet meer dan in de deftige.” Corry Konings noemde hij in een artikel ooit de 'Dolly Parton van het Nederlandse lied'.

De zanger erkent wel dat lang niet alle levensliederen van hoge kwaliteit zijn. “Er zijn een paar juweeltjes en die moet je er tussen uit vissen. Sommige zijn juist door hun grote lelijkheid weer mooi. Maar het is toch zoals ik in een liedje voor Anneke Grönloh heb geschreven: 'Ik hou van jou is een cliché, tot iemand het tegen je zegt'.”

Jan Rot zegt met zijn 'levenspop' zeker niet op hits uit te zijn. “Ik heb bijna teveel verstand van muziek om nummer ééns te produceren. Soms denk ik wel bij het schrijven van een nummer: 'Als ik er dat nou van maak, dan kan het een hit worden. Maar ik doe het toch steeds anders van. Als ik ze voor een ander schrijf, ben ik daarin wat gemakkelijker. Maar als ik voor mezelf werk, wil ik er minstens dertig jaar trots op kunnen zijn.”

“Ik heb het gevoel alsof ik met de theaterprogramma's en de cd's een fase in mijn leven heb afgerond. De camp ligt al achter me, over de popmuziek ben ik helemaal uitgeluld. Ook met televisiekijken ben ik klaar. Ik heb onlangs een kwartiertje naar de watersnood gekeken. Ik zag wat Ikea-kasten voorbijschuiven en dacht: 'Ik geloof het wel'.

“De nieuwe cd is mijn definitieve werk. Hij is opgenomen met veel muzikanten en koortjes, als tegenhanger voor het alleen op een podium staan. In feite gaan alle liedjes over verlatingsangst: ik wil altijd voor het einde weg zijn. Het is als bij verkeringen. Als het met een jongen serieus gaat worden, voel ik meteen: 'Dat gaat zoveel jaar duren'. Dit zijn mijn beste jaren. Wie nog van me wil genieten, moet dat nu doen. Voor mijn veertigste, voor jullie mij zat worden, wil ik weg zijn.”

“Ook dat verdriet heb ik nu afgerond. Ik wil me er niet langer door laten meesleuren. De scheiding tussen het echte en het plastic verdriet dreigde steeds meer te vervagen. Straks spring ik nog van een flatgebouw. En dat zou toch zonde zijn. Want eigenlijk ben ik best een vrolijke jongen.”

Deel dit artikel