Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jan Rijsdijk

Home

Henny de Lange

Hij was platzak, tot hij ontdekte dat er in de Rotterdamse haven goed geld te verdienen was. Jan Rijsdijk bouwde er een miljoenenbedrijf op. Zeer tot ongenoegen van de plaatselijke elite, die Rijsdijk het leven zuur maakte. Hij verkocht zijn bedrijf, cashte en toen begon de ellende. Zijn vrouw hield meer van zijn geld dan van hem, een pijnlijke scheiding volgde, Rijsdijk stortte in. Maar kunst redde zijn leven.

Met witte handschoentjes komt Jan Rijsdijk (65) de oprijlaan van zijn landgoed De Markgraaf in het Belgische Kalmthout af rennen. De elektronisch beveiligde toegangspoort gaat niet open. Via een andere ingang, afgegrendeld met een even indrukwekkend hek, rijden we het landgoed op. Je zou er kunnen verdwalen, zo groot is het terrein (55 ha) waarop behalve een kasteel, ook een paar huizen en bijgebouwen staan.

In één ervan bevindt zich een kunstgalerie en dat verklaart de witte handschoentjes: Rijsdijk was net bezig met het inpakken van schilderijen. Het is even omschakelen om hem – voor het eerst sinds jaren – terug te zien als galeriehouder. De laatste keer dat Trouw hem interviewde, rond 1990, was hij een succesvolle ondernemer in de Rotterdamse haven. Hij boekte recordomzetten met zijn bulkoverslagbedrijf Interstevedoring en zijn concurrenten konden zijn bloed wel drinken. Met zijn flexibele organisatie en drijvende kranen zette hij de verhoudingen in de haven op scherp. Onder druk van het gemeentelijk Havenbedrijf, de Rotterdamse politiek en de banken, die niet zaten te wachten op een moordende concurrentieslag met de marktleiders in Rotterdam, werd Rijsdijk gedwongen zijn bedrijf te verkopen. Met honderd miljoen gulden vertrok hij uit Rotterdam.

Die onverwachte rijkdom bleek het begin van een dramatische periode in zijn leven. Rijsdijk stortte in, ging een paar jaar zeilen, kocht landgoed De Landgraaf, maar zat vervolgens als kasteelheer moederziel alleen, na de pijnlijke scheiding van zijn vrouw. Hele dagen huilde hij. Hij voelde zich zo nutteloos en afgedankt, dat hij serieus overwoog zichzelf van het leven te beroven. Maar daar zag hij vanaf omdat zijn vrouw, die 40 miljoen meekreeg bij de scheiding, dan nog meer geld zou krijgen. Met hulp van een psychiater kwam hij er bovenop en begon een nieuw leven, in de kunsten. Hij opende een galerie en sinds een jaar schildert en exposeert hij ook zelf. En De Markgraaf heeft weer een kasteelvrouw: zijn nieuwe vriendin Savita Singh, die op deze maandagochtend druk in de weer is met de stofzuiger.

Doet u dat allemaal zelf, het onderhoud van dit enorme kasteel?

„We hebben wel een huishoudelijke hulp, maar als die een paar dagen weg is, doen we het zelf. We helpen ook altijd mee als ze komt poetsen, want we kunnen geen van tweeën stilzitten. Gisteren stond Savita nog de auto te wassen. Dat gaat me dan echt te ver, maar ze wil gewoon iets te doen hebben. Daarin lijkt ze wel een kopie van mij. En nu gaat Savita eerst koffie voor ons zetten.”

Hoe heeft u haar leren kennen?

„Via vrienden in Rotterdam. Ze werkte in de thuiszorg en was getrouwd, maar haar man had er als moslim nog een vrouw bijgenomen en bij haar een kind verwekt. Savita kan zelf geen kinderen krijgen en was daar erg ongelukkig onder.

Toevallig zag ik bij onze eerste ontmoeting een tekening van haar liggen, van een hand met daarin een gebroken hart. Dat raakte me. En ik vond haar leuk, ik val op donkere vrouwen. Ze is geboren in Brits Guyana, maar als baby met haar Hindostaanse vader en Venezolaanse moeder naar Suriname gegaan en daar opgegroeid. Het klikt ook zo goed tussen ons, omdat ze met beide benen op de grond staat, van kunst houdt en graag schildert. Ze zit op de kunstacademie. Doordat ze mij heeft leren kennen, is ze van de hel in de hemel gekomen. Ik hoop met haar oud te worden, maar zeker weet je dat natuurlijk nooit, want dat dacht ik ook van mijn vorige vrouw.”

Waarop is uw huwelijk stukgelopen?

„Op geld. Mijn ex is enorm veranderd nadat ik in 1991 mijn bedrijf had verkocht. Ik wilde toen meteen een boot kopen, maar dat vond ze niet goed. En zo ging het met veel dingen. Achteraf denk ik dat ze toen al aanstuurde op een scheiding, omdat je geld nu eenmaal makkelijker in tweeën knipt dan een boot.”

Dat klinkt alsof u niet in goede harmonie uit elkaar bent gegaan?

„Nee, we hebben vréselijke jaren gehad. Achteraf had ik gewaarschuwd kunnen zijn. De eerste keer dat ze bij mij op bezoek was – ik woonde toen nog in Giessenburg – zei ze dat ze altijd al in een groot huis met een rieten dak wilde wonen. Ze is toen meteen bij me gebleven en heeft me vanaf het eerste moment compleet ingepakt. Maar ja, ik was zo verliefd en een verliefde man is als een gans aan een touwtje.

Jarenlang hebben we het goed gehad. Ik heb haar zoontje en dochtertje uit haar vorige huwelijk als mijn eigen kinderen opgevoed. Ik heb een biologische dochter uit mijn eerste huwelijk, dat maar kort heeft geduurd, maar ik heb nooit verschil gemaakt. Op hun achttiende kregen ze alle drie een miljoen gulden van me.”

Een miljoen?

„Ja, ik had het beste met ze voor, maar achteraf heb ik me wel afgevraagd of dat zo verstandig was. Het heeft bij mijn zoon in ieder geval zo verkeerd uitgepakt, dat ik hem geen Rijsdijk meer noem, maar bij de achternaam van zijn echte vader.”

We praten nog geen half uur en het is niet niks wat u er allemaal al uitgooit.

„Ik ben een openhartig mens en ik wil dit kwijt, omdat de buitenwereld mag weten hoe het de succesvolle ondernemer Jan Rijsdijk is vergaan sinds hij uit de haven is vertrokken. De mensen móeten het ook weten, om te kunnen begrijpen waarom ik een nieuw mens ben geworden. Ik kan er nu goed over praten. Een tijdje geleden barstte ik meteen in tranen uit zodra het over die zwarte periode ging.”

Laten we toch bij het begin beginnen. Wie is Jan Rijsdijk?

„Een gewone arbeidersjongen uit Rotterdam, opgegroeid met één broer in een katholiek gezin in een zijstraatje van de Kruiskade. Mijn vader was vrachtwagenchauffeur en mijn moeder was nogal ziekelijk.

Na de lagere school ging ik meteen werken. Van huis werd ik op geen enkele manier gestimuleerd om hogerop te komen. Ik werkte een tijdje als leerling automonteur, maar liever wilde ik kunstenaar worden of pottenbakker. Mijn familie heeft niks met kunst, maar ik kan goed tekenen en ben creatief. Met mijn pottenbakkersbedrijfje was geen cent te verdienen en daarom ging ik in de haven werken. Eerst als fietskoerier, daarna twee jaar naar de havenvakschool en toen als controleur aan de slag. Ik had al gauw in de gaten dat daar veel geld te verdienen was en daarom begon ik in 1971 mijn eigen bedrijfje in het stukgoed. Toen door de opkomst van de container de klad kwam in het stukgoed, ging ik granen, kolen en ertsen overslaan en vanaf dat moment ging het me voor de wind.

Omdat ik geen eigen kade kreeg van het Havenbedrijf, ben ik met drijvende kranen gaan werken. Die ontwierp ik voor het grootste deel zelf, want ik ben gek van kranen. Met die drijvende kranen kon ik veel sneller lossen dan de concurrentie én overal in de haven. Mijn tarieven waren lager en ik betaalde mijn mensen ook nog eens beter.

In 1989 heb ik de OBA Bulk Terminal in Amsterdam overgenomen, die bijna aan de grond zat. Binnen een jaar had ik dat bedrijf uit de rode cijfers. Toen ik het jaar erop door de Rotterdamse havenjournalisten werd uitgeroepen tot havenman van het jaar, waren de rapen helemaal gaar. Dat zo’n straatvechter als ik het zo ver zou schoppen, hadden de havenbaronnen niet verwacht. Maar een eigen locatie kreeg ik niet. Ze waren me liever kwijt dan rijk.”

Erg diplomatiek stelde u zich ook niet op. U plaatste advertenties in de krant, gericht aan de toenmalige burgemeester Bram Peper met de tekst: ’Een rooie burgemeester laat toch geen 97 havenarbeiders in de kou staan?’

„Ja, dat was een goeie stunt, maar je moet toch wat als je al jaren bedelt om een eigen kade. Ik heb die advertentie ingelijst, zoals ik alles uit mijn havenperiode heb bewaard en eigenlijk uit mijn hele leven. Alles ligt hier beneden in de kluis, in honderden mappen. De kwartaaloverzichten van mijn bedrijven, alle agenda’s, krantenknipsels, maar ook de gedichten die ik heb geschreven, de brieven aan mijn ex, mijn eerste tekeningen. De laatste map die ik eraan heb toegevoegd heet ’Mijn nieuwe leven’. Ik ben nu alle mappen over de haventijd aan het doornemen, want ik wil daar met een co-writer een boek over schrijven.”

In 1991 werd u naar eigen zeggen gedwongen door de banken, de politiek en het Havenbedrijf om uw havenbedrijven in Rotterdam en Amsterdam te verkopen aan de marktleider van destijds, HES. Bent u gezwicht voor de zak met geld?

„Geld maakt veel goed, als je met helemaal niets bent begonnen. Ik deed het goed in de haven, werkte sneller en had betere kranen. Daar had de rest last van en daarom moest ik weg. Het was met zijn allen tegen mij en ik was toch al een buitenbeentje, want ik dronk niet, rookte geen sigaren en werkte dag en nacht. Natuurlijk heb ik zelf de beslissing genomen om die zak met geld aan te nemen, maar ik stond onder zware druk van de havenelite. U kunt mij een slappeling vinden, u kunt mij neerzetten zoals u wilt. Maar ik heb geen geheimen, vertel het zoals ik het heb beleefd.”

En toen u de knoop had doorgehakt...

„Toen voelde ik me een verrader, van mijn klanten en van mijn personeel. Uiteindelijk is het gegaan zoals ik vreesde. Mijn bedrijven zijn in HES geïntegreerd en er is niets van overgebleven.

Ik zat thuis en had geen idee wat ik zou gaan doen. Mijn vrouw en ik hadden altijd tegen elkaar gezegd dat we zouden gaan genieten, als de zaak was verkocht. Aan geld hadden we geen gebrek, maar ons geluk verdween als sneeuw voor de zon. Achteraf heb ik met mijn psychiater geanalyseerd waar en hoe het mis is gegaan. Naarmate we meer geld kregen en mijn vrouw daar meer grip op kreeg – ze beheerde ons geld, ik had nooit een cent op zak – zij is veranderd. En niet in positieve zin.

Ik heb natuurlijk ook fouten gemaakt. Ik had begin jaren tachtig mijn aandelen op haar naam gezet, omdat ik dacht met haar oud te worden. Toen ik alles had verkocht, ging ze zich ook intensief met mijn uitgaven bemoeien. Ik zorg al veertig jaar voor mijn ouders die het niet breed hebben. Daar begon ze moeilijk over te doen. Dan zei ze tegen mijn moeder, als die met bloemen op bezoek kwam, dat wij die in feite zelf hadden betaald. Mijn vrouw had alles, kon alles kopen, maar gunde een ander niets.

Om een lang verhaal kort te maken: ik ben gaan zeilen over de wereldzeeën, maar dat was een vlucht die niet bevredigde. Ik moest toch wat doen en daarom heb ik dit landgoed gekocht dat helemaal opgeknapt moest worden. Ook heb ik nog een bedrijf overgenomen. Met mijn huwelijk ging het ondertussen steeds slechter, al heeft het nog jaren geduurd voordat de scheiding officieel was uitgesproken.”

En daarbij draaide het ook weer om geld?

„Heel veel geld. Pas na de scheiding realiseerde ik me voor het eerst dat Jan Rijsdijk een gevangene was van zijn eigen rijkdom. Ik ben verslagen door mijn rijkdom.

Na eerst wekenlang op bed gelegen te hebben, ben ik naar India gegaan. Door de armoede daar kon ik mijn eigen ellende relativeren. In India nam ik me twee dingen voor: ik wil eindigen zoals ik ben begonnen, straatarm. En ik word weer de jongen die zo graag pottenbakker en kunstenaar wilde zijn. Ik besloot mijn leven te wijden aan de kunst. Als eerste ben ik toen de manege op het landgoed gaan verbouwen tot galerie.”

Net als in de haven beet u zich daar helemaal in vast.

„Zo ben ik nu eenmaal. Ik hou niet van half werk en ben een enorme doorzetter en perfectionist. Ik moet me altijd bewijzen.”

Waarom?

„Als kind heb ik alle rottigheid meegemaakt die je maar kunt verzinnen. Ik had astma, was vaak ziek en werd gepest. Ik ben in een sloot gegooid en daar was mijn moeder zo van geschrokken, dat ik niet meer buiten mocht spelen. Dat leidde tot nog meer pesterijen. Ik werd uitgescholden, was een papkindje, een moederskindje. Ik mocht ook nooit mee voetballen. Domme Jantje noemden ze me. Nou, dan leer je op een gegeven moment wel je vuisten te gebruiken. Ik heb me toen voorgenomen om ooit de wereld een poepie te laten ruiken. In de haven praten ze er nu nog over hoe ik al die gevestigde bedrijven te kijk heb gezet. Maar eerlijk is eerlijk, sommigen hebben achteraf laten blijken dat ze me toch wel gewaardeerd hebben. Henk Moolenaar, die destijds directeur van het Rotterdamse Havenbedrijf was, is hier op bezoek geweest met zijn vrouw. Dat heb ik als een stukje erkenning gezien. Weet je wat hij in het gastenboek van de galerie schreef? ’Jan Rijsdijk, je blijft verbazingwekkend’.

U bent nu 65 jaar, wat gaan we nog van u merken?

„Het kunstleven bevalt me prima, al heb ik me er wel op verkeken dat je erg gebonden bent met een galerie. Ik wil ook nog wel eens naar mijn huis in Spanje, maar dan moeten de bezoekers toch goed opgevangen worden door mensen die liefde hebben voor de kunst. Om die reden heb ik een advertentie geplaatst waarin ik vier kunstenaressen vroeg om hier op het landgoed te komen wonen en werken en te assisteren in de galerie. Met instemming van Savita, hoor.”

Ook een beetje geïnspireerd door Anton Heyboer en zijn vier bruiden?

„Ik ben een liefhebber van het werk van Heyboer en heb veel van hem gekocht. Hij had dat slim aangepakt, met die vier vrouwen. Dat leek mij ook wel wat. Er kwamen wel zestig vrouwen op mijn advertentie af, maar de meesten wisten niks van kunst en als ze zelf al kunst maakten, vond ik de kwaliteit niet goed. Anderen waren er op uit om mijn kasteelvrouw te worden of ze rookten, dronken of waren aan de drugs.

Nou ben ik gek op vrouwen, maar hun inborst moet wel goed zijn. Uiteindelijk heb ik er wel een paar leuke contacten aan overgehouden. Ik voel me prettig bij kunstenaars, het zijn vaak avontuurlijke mensen.

Verder wil ik mezelf ook ontwikkelen als kunstenaar. Nee, geen lessen. Ik ben een autodidact. Ik heb mezelf ook Engels geleerd, gewoon uit lesboeken, en alles wat er verder nodig is om een bedrijf te runnen. Ik wil me niet laten vormen, wil mezelf blijven in alles wat ik doe. En nu ga ik u meenemen naar mijn atelier, want u bent vast nieuwsgierig naar mijn schilderijen.”

In het atelier staan tientallen doeken tegen de muur, waaronder een groot aantal havengezichten, maar ook abstracte kleurrijke schilderijen en werk in de stijl van Anton Heyboer. Op veel schilderijen doemen de contouren op van havenkranen, soms knallen ze van het doek af, op andere zijn ze nagenoeg onzichtbaar.

De haven blijft u achtervolgen?

„Het eerste schilderij dat ik maakte, nadat ik 35 jaar geen kwast had aangeraakt, was een havengezicht. Zestig heb ik er nu gemaakt en al twintig verkocht. Al mijn kranen heb ik geschilderd, de Saturnus, de Gemini, de André, de Taurus, de Orion en de Giganten.

Volgend jaar komt er ook een boek over de haven. En verder schrijf ik sinds kort gedichten. Mijn laatste gedicht heet ’Het houten jassenpark’. U weet toch wel wat dat is? Inderdaad, een kerkhof. Want daar eindigen we allemaal.

U vroeg me net wat ik nog van plan ben. Dit landgoed staat al enige tijd te koop, voor 18 miljoen euro, maar ik ga het opsplitsen, want ik wil er vanaf. De opbrengst ga ik spenderen aan goede doelen, want mijn ultieme doel is om straatarm te eindigen, net zoals ik ooit ben begonnen. Dan is de cirkel gesloten.”

Lees verder na de advertentie
¿Domme Jantje noemden ze me op school. Ik heb me toen voorgenomen om de wereld ooit een poepie te laten ruiken.¿ (FOTO BART VAN DER MOEREN)
(Trouw)

Deel dit artikel