Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jan Pit 1941-2008

Home

Esther Hageman

In Laos had zendeling Jan Pit een bijna dood-ervaring. In Zuid-Afrika vond hij het apartheidsregime minder gevaarlijk dan communisme.

Het was januari 1956, Jan Pit uit Steenwijkerwold moest nog vijftien worden en de kranten schreven over iets dramatisch in het oosten van Ecuador. Vijf Amerikaanse zendelingen waren daar vermoord tijdens hun poging contact te leggen met een van de laatste echt geïsoleerd levende stammen in het Amazonegebied: de Auca-indianen, zoals ze toen werden genoemd. De Auca duldden geen indringers in hun gebied – ook geen zendelingen. Hun lijken waren in de rivier gegooid. Vier werden er teruggevonden.

Die gebeurtenis zorgde ervoor, paradoxaal genoeg, dat de belangstelling groeide om zendeling te worden; om de fakkel over te nemen. Zo ook bij Jan Pit, oudste zoon in een gezin van zes kinderen waarvan de vader accountant was.

Op school, de mulo van Steenwijk, was Jan Pit geen beste leerling. Niet omdat hij dom was, maar omdat het hem niet interesseerde. Jan Pit was vooral een druktemaker. Hij kon uitstekend biljarten, was er zelfs jeugdkampioen in, en hield van bravourestukjes want bang was hij eigenlijk nooit. Hij beklom de 85 meter hoge toren van Steenwijk en balanceerde over de dunne richels van het ene hoektorentje naar het andere. Maar opletten op school, ho maar.

Met een Mulo-cijferlijst vol tweeën en drieën (en één zeven, voor gym) meldde hij zich aan bij het Nederlands Bijbel Instituut in Doorn, waar je evangelist of zendeling kon worden. Die keuze kwam niet alléén voort uit de lotgevallen van de zendelingen bij de Auca. Het was ook omdat Jan Pit ’een moment van bekering’ had meegemaakt. Bij zijn afscheid van de zondagsschool had hij een paar jaar eerder Johannes 3 vers 16 als tekst meegekregen („Want al zo lief heeft God de wereld gehad dat hij zijn eniggeboren zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”). De meester had toen tegen hem gezegd dat je, in plaats van ’de wereld’, ook best ’Jan Pit’ kon lezen. Die boodschap drong door, al duurde het een paar jaar.

In Doorn, waar hij anders dan op school hoge cijfers haalde, ontmoette hij zijn latere vrouw Lies Bokhorst, die ook zendeling wilde worden. Ze leerden de taal en gingen in 1966, pas getrouwd, samen naar Laos. Aan de westkant van dat land waren de kampen van vluchtelingen uit het oosten. Want daar liep in de jaren zestig de route (de ’Ho Chi Minh-weg’) waarlangs de Vietcong, de communisten uit het noorden van buurland Vietnam, troepen en materiaal transporteerden naar het door de VS gedomineerde zuiden. De Amerikanen bombardeerden die weg voortdurend: negen jaar lang vielen er elke acht minuten bommen, zou Pit later in een van zijn boeken becijferen. In een vluchtelingendorp aan de Thaise kant van het land gingen Jan en Lies aan het werk.

Jawel, dat de bekeringen die ze meemaakten met enig opportunisme gepaard konden gaan, snapten Jan en Lies ook wel. ’Rijstchristenen’ noemden ze die, want er zat wat rijst aan vast als je je bekeerde (zoals ook de Vietcong mensen die aan de Ho Chi Minh-weg werkten met extra rijst beloonde). Maar aan de oprechtheid van andere bekeringen twijfelden ze niet. Aan Loeng Sieng, die van kindsbeen verslaafd was aan opium maar er van af kwam door zijn geloof, wijdde Pit een boek. Volgens hem sprak het christendom de vluchtelingen aan juist omdat hun oorspronkelijke levensovertuiging, het boeddhisme, geen troost bood: „Het boeddhisme leert dat je huidige leven wordt bepaald door je levensstijl in je vorige leven. Een vluchteling moest dus wel een slecht vorig leven hebben geleid. Dat leerde hun oude godsdienst. Vandaar dat het Evangelie van Jezus Christus de vluchtelingen aansprak.”

De drie kinderen van Jan en Lies Pit werden in Azië geboren. Jan Pit maakte er ook een bijna-dood ervaring mee. Jaren zweeg hij erover. Maar in 1994 ging hij met de EO terug naar Laos om er de plek te filmen waar het gebeurde en er voor het eerst over te vertellen. Adjaan Jon (zendeling Jan) zat in een hut te evangeliseren toen hij acuut ziek werd: hersenmalaria. Hij dacht zelf dat hij stierf, de mensen om hem heen dachten dat ook. Hij dacht dat zijn geest het lichaam verliet en zag zichzelf in de hut liggen.

„Ik heb daar in de hemel de Here Jezus mogen zien”, vertelde hij. Het was mooi in de hemel; en Jezus had de vorm van mooi, helder licht. „Mag ik nou altijd hier blijven?”, vroeg Jan Pit.

Jezus en Pit keken samen naar beneden, naar de hut waar de bekeerde christenen – Pit sprak dat uit als gristenen – om zijn lichaam heen zaten. „Jan, ik heb zojuist besloten om je nog niet tot mij te roepen want ik heb nog meer werk voor jou te doen”, zou het licht toen hebben gezegd. Op dat moment gebeurde er, zei Pit, een wonder: hij kwam weer tot leven.

Hij herstelde in Nederland van zijn ziekte, maar toen hij weer beter was zat Laos voor christelijke zendelingen op slot: intussen had er een communistische revolutie plaatsgevonden. In 1975 ging Jan Pit naar Zuid-Afrika, waar hij werkte voor Open Doors, een stichting die christenen steunt in landen waar zij worden vervolgd. Hij had veel contact met zwarte gelovigen – naar de maatstaven van het toenmalige regime was Open Doors ’links’ – maar was niet speciaal allergisch voor het onrecht van de Apartheid. Communistische regimes, die het niet hadden op christenen, vond hij in elk geval een groter gevaar.

Zijn werkterrein werd de wereld. Het gezin verhuisde in 1984 terug naar Nederland, maar Jan Pit veranderde gaandeweg in een ¿internationaal reizend spreker¿, zoals de EO hem omschreef. Hij moet in die jaren, overal ter wereld, hebben gesproken in duizenden kerken, huiskamers, zalen, stadions. Hij wordt beschreven als een meeslepende, enthousiasmerend redenaar – maar ook zozeer een entertainer en een acteur dat, als hij een gebeurtenis navertelde waarbij een van zijn toehoorders aanwezig was geweest, die dacht: ’Ben ik daar bij geweest?’

Een zwaar leven was het wel. In elke Open Doors-reis stopte hij zoveel mogelijk afspraken. In een tournee van twintig dagen door Australië stopte hij dertig spreekbeurten.

Maar in 1994 was zijn energie op. Het zag er uit als een hartkwaal, maar het was burnout. Het kon hem nu opeens gebeuren dat hij op een preekstoel een paniekaanval kreeg. De dag na een preek was hij doodmoe. Het kostte hem veel moeite, maar Jan Pit moest het rustiger aan gaan doen.

Op zijn 60ste nam hij afscheid bij Open Doors en wijdde zich aan zijn rol van grootvader. Zijn aanvankelijke rusteloosheid – binnen Nederland verhuisden Lies en hij na terugkeer uit Zuid-Afrika vele keren, telkens menend dat ze nu de ideale plek hadden gevonden – kwam tot stilstand. Achter in de tuin bouwde hij voor de kleinkinderen een huisje op palen, net zo een als in Laos. Een plotselinge hartstilstand maakte een einde aan zijn leven.

Jan Pit werd op 7 februari 1941 in Steenwijkerwold geboren. Hij overleed op 19 april 2008 in Ermelo.

Deel dit artikel