Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jan Bor

home

Arjan Visser

Jan Bor (Amsterdam, 1946) is filosoof en publicist. Hij schreef meerdere boeken over filosofie, waaronder ’De verbeelding van het denken’. Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Bert Bakker ’Een (nieuwe) geschiedenis van de filosofie’.

'Ik ben niet zo'n VVD'er die zegt: 'Ik ben de smid van mijn eigen geluk'. Dat vind ik zo'n stuitend domme opmerking.' (FOTO MARK KOHN)

„Laat ik beginnen met een citaat van Cusanus – Nicolaas van Cusa, veertiende eeuw, beslist geen kleine jongen – die een ontmoeting tussen een heiden en een christen beschrijft. De heiden vraagt de christen: ’Wie aanbid je?’ De christen antwoordt: ’Ik aanbid God’. ’Wie is God?’, vraagt de heiden. ’Dat weet ik niet’, zegt de christen. En als de heiden vervolgens vraagt: ’Hoe kun je nou aanbidden wat je niet weet?’, volgt dat prachtige, ongelooflijk diepe antwoord van de christen: ’Ik aanbid omdat ik niet weet’.

„Figuren zoals Cusanus, maar ook Meister Eckhart en Pseudo-Dionysius (anonieme theoloog uit de vijfde eeuw, AV), begrepen dat de vraag of God bestaat een denkfout is. God valt buiten het bestaan of het niet bestaan. Die gedachte vind je ook in het boeddhisme terug.

„Dat zou dus mijn eerste antwoord zijn. Het beeld van God heeft mij nooit aangesproken, maar ik wil daar wel meteen bij zeggen – anders heeft dit gesprek verder geen zin – dat ik wel geloof dat wij op een of andere manier door een groot mysterie worden gedragen. Het mysterie is onkenbaar. Een grasspriet, een zonnestraal, dat theezakje daar of het koekje dat je nu in je mond stopt: voor mij is alles een mysterie.

„Overigens – even een paar bijzinnetjes, mag dat? – zegt de in christelijke kring ook zeer geadoreerde Levinas dat het mysterie in de ander zit. Dat is op zich wel zo, maar je ziet het mysterie in de ander pas als je het mysterie in jezelf herkent. Anders wordt het gewoon sentiment. Ik erger me aan de mensen die wegvluchten van het zelfonderzoek en zeggen: het mysterie zit daar. Ja, zeg ik dan maar even op z’n Amsterdams, dikke lul!”

„Voor mij roepen een crucifix, een Madonna of een Boeddhabeeld respect op. Als ik Jezus aan het kruis zie, denk ik aan het menselijke lijden, de moeder Gods symboliseert voor mij het hart en Boeddha staat voor die enorm lange weg naar de verstilling. Een Boeddhabeeld zegt: kom maar in de stilte. Dat is troostrijk, daar wil ik wel voor buigen. In mijn hart. Zo’n buiging is ook een bevrijding. Als je mediteert, buig je heel veel en op een gegeven moment merk je waarom: je schakelt jezelf uit. Dat is overgave. Geen onderwerping hè? Geen submission, maar overgave. Dat is wat die plurken ervan maken in hun discussie over de islam; in hun vieze, vuile machtsspelletje maken ze van biddende moslims onnozelaars die zich domweg onderwerpen, maar tussen die twee begrippen ligt een universum van verschil.

„Daar gaat het mis: als politiek zich met religie gaat bemoeien, of als je de politiek uit de geschriften destilleert. Die hele Bijbel staat vol politieke rotzooi. Jezus was een goeie vent, volkomen onschuldig. Zijn verhaal is een van de mooiste testamenten over onschuld in de literatuur, maar de godsdienst an sich? Ik zou haast zeggen: begraven die boel. Het is gebaseerd op exclusivisme, op machtsdenken. Het is in feite anti-religieus en het leidt alleen maar tot ellende. Ouderwetse troep, daar moeten we vanaf! De kanker van religie – ik raak nu even begeistert – is dat 99,999 procent van de mensen er niet serieus op ingaat, maar slechts een houvast zoekt, een kruk. Die kruk wordt al snel een stengun waarmee ze andersdenkenden overhoop willen schieten. Mensen als Cusanus en Eckhart trappen iedere vorm van houvast weg, dat is de hele pointe; je moet het zelf doen.

„De Boeddha zegt ook: you are your own refugee. Verander eerst jezelf, misschien dat je daarna nog iets voor de wereld kunt betekenen.”

III

„Mag ik eerst nog iets anders zeggen? Ja sorry, dit zijn zulke grote en belangrijke vragen, er komt nu werkelijk van alles in mij naar boven: een van de mooiste teksten over het schrikwekkende – want onbenaderbare – en tegelijkertijd aantrekkelijke mysterie, wat wij in feite dus zelf óók zijn, is geschreven door Nietzsche. Zijn ’God is dood’ is niet een of andere lullige atheïstische uitdrukking, maar een diep religieuze tekst waarin hij op een prachtige manier de enorme verscheurdheid van de mensheid laat zien.

„Goed, maar nu dat ijdel gebruik. Ik zou het graag boeddhistisch interpreteren: God verdoe mij. Verdoe mij, maak mij klein. Dat is wat ik vraag, als ik godverdomme zeg.”

„Mijn voorstel zou zijn: één dag werken en zes dagen de Heer gedenken. Mediteren! Pascal zegt: mensen zijn niet in staat om vijf minuten stil op hun stoel te zitten en naar binnen te gaan. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Dit gebod is dus een mooie oproep. Zeker. Doe maar. Ik ga regelmatig een week of tien dagen naar het klooster en ik kan het je van harte aanbevelen: met je opgefokte lijf op zo’n krukje plaatsnemen en die diepe onrust tegemoet gaan. Na een paar dagen stilte, gaan al je zintuigen open. Het is heel waardevol, ook al levert het niks op.”

„Ik moet je iets merkwaardigs vertellen. Op een dag zat ik in Londen te mediteren toen ik ineens dit gebod begreep – helaas ben ik vergeten wat ik toen begrepen heb. Laat ik het maar gewoon eerlijk zeggen: ik heb hier moeite mee. Mijn moeder heeft zich helemaal weggecijferd om ons groot te brengen, die wil ik nog wel eren, maar mijn vader had zichzelf tot Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd enzovoorts verheven en ik heb mij vooral aan hem geërgerd. Hij was een artiest, een dubbeltalent, kunstschilder en violist. Ik kom uit een bekend violistengeslacht dat nu gelukkig volkomen vergeten is. Kunst was voor mijn vader belangrijker dan de individualiteit van zijn kinderen. Hij wilde vijf Yehudi Menuhins op de wereld zetten. Drie vielen er onmiddellijk af en de twee die goed viool konden spelen, deden het in zijn ogen ook nog niet goed genoeg.

„Hij zag mij niet staan en daar lijd ik onder, dus waarom zou ik hem eren? Ik heb op mijn tiende opgetreden in een televisieprogramma van Mies Bouwman. Op van de zenuwen, natuurlijk. Ik was amper in staat om het simpelste Mozartdeuntje te spelen en ik stond totaal voor lul. De afgang. Mijn vader maakte het mij wel duidelijk: ik was talentloos en volkomen mislukt. Dat hakt er in hoor.

„Tot mijn dertiende was ik nog redelijk loyaal – ik wilde zo graag aan het beeld voldoen dat hij voor ogen had – maar daarna ben ik gaan rebelleren en dat heb ik tot aan zijn dood volgehouden. Ik herinner me dat ik zelfs in het verpleeghuis nog met hem streed. Hij had vroeger zo’n rare, bijna Nietzschiaanse uitspraak: ’Ik ben een individualist. De maatschappij bestaat niet!’ Eerst was ik verbijsterd, daarna geërgerd en op een dag in het Sarphatihuis – waar Shaffy, die vroeger bij ons over de vloer kwam, later ook ging wonen – heb ik hem ermee om zijn oren geslagen. Wat denk je dat het kost, een dag hier liggen? Hoeveel is dat per jaar? Wie betaalt dat, denk je? De maatschappij bestaat toch niet? Zo probeerde ik hem terug te pakken. Ik weet niet meer hoe hij reageerde. Hij gaf me nooit gelijk. Als hij nou maar één keer had gezegd dat ik, bijvoorbeeld wat die te hoge verwachtingen betreft, een punt had gehad, maar zelfs dat niet.

„Mijn moeder zag mij wel, ze zag mij moeilijke boeken lezen en had daar, als niet hoogopgeleide, maar wel intelligente vrouw, bijzonder veel respect voor. Daardoor bestond ik, want je bestaat toch voor een deel in de ogen van andere mensen – als je me deze open deur wil vergeven.

„Ik kan het wel relativeren, maar nu je mij er zo specifiek naar vraagt, kom ik als vanzelf in die groef terecht. Ik blijf er in hangen. Het is een groot verdriet en ik ben het op een of andere manier nooit helemaal te boven gekomen. Ik heb wel compassie met die man en zijn jeugd is ook niet voorbeeldig geweest, maar als we zo gaan redeneren kun je zeggen dat het bij Adam en Eva al is misgegaan, dus dat is een hopeloze kwestie.

„Dit moet je weten: er is mij, vier maanden geleden, een groot geluk ten deel gevallen. Ik ben voor het eerst vader geworden. Een geschenk, een godsgeschenk, ik kan het niet anders noemen. Laatst bedacht ik ineens dat ik nu een gezinnetje heb gesticht en dat de familie Bor niet langer de familie is waarin ik me niet zo lekker voelde, maar dat het mijn kleine eilandje in de wereld is. Mijn geliefde, dat lieve mannetje en ik.”

„Dit lijkt me een evidentie, maar je kunt er altijd over filosoferen. Waarom zou ik een ander niet doden? Antwoord: omdat je daarmee ook jezelf doodt. Het idee dat je alleen bent is een illusie. Verbondenheid is niet iets wat in jezelf zit. Dat kan ik nu, als kersverse vader, nog duidelijker zien. Mijn verbondenheid is zo duidelijk. Ik hou niet zo van het woord verantwoordelijkheid, dat is me te dwingend, maar dat ik in relatie tot mijn geliefde en mijn kind besta, valt niet te ontkennen. Het is dus een denkfout om alles in het ik, het subject, te stoppen. Het subject bestaat überhaupt niet, dat is ooit uitgevonden door Descartes die meende dat we allemaal in een soort binnenkamer leven. Onzin. Je bent verbonden. En je bent dus ziek als je doodt; dan is er op het gebied van het inlevingsvermogen iets misgegaan.

„Het is iets anders als je uit zelfverdediging een ander te lijf gaat, maar met een beetje training hoef je niet meteen te doden. Ik denk wel dat iedereen ertoe in staat is. In de meest extreme situatie, als alles wat je lief is wordt afgepakt en je hele leven in elkaar stort, dan Ja, dat is mij overkomen, maar ik weet niet of ik dit nu in de krant Het is al zo lang geleden. Misschien volstaat het als ik zeg dat ik in mijn fantasie de man die mij dit alles heeft aangedaan wel een lesje heb geleerd. Hij kwam uit die boeddhistische wereld waarin ik mij toen bewoog, maar hij heeft alle vijf de voorschriften – niet doden, niet stelen, geen seksueel wangedrag, geen kwaadsprekerij, geen alcohol of drugs gebruiken – gebroken. Hij nam mij mijn vrouw af, hij nam mij ons ongeboren kind af, hij – kom, we houden erover op. Ik kon het niet accepteren dat ik kopje onder was gegaan, dat ik in de afgrond was gevallen. Ik kwam in die dagen een student van mij tegen die op de hoogte was van de situatie. Hij hoorde mij aan en zei: ’Jan, geweld leidt tot niets’. Dat was een grote, wijze les. Ja, natuurlijk had ik dat al eens eerder gehoord, maar verstand en gevoel zijn toch twee verschillende dingen? Kom, nu weer een lichter onderwerp graag.”

VII

„Toen ik mijn geliefde tegenkwam ging mijn hart open. Ik wist: wij horen bij elkaar. En voor het eerst in mijn leven besloot ik, om het maar eens modern te zeggen, er helemaal voor te gaan.”

VIII

„Die vent van het antiquariaat had me ooit verschrikkelijk beledigd, dus toen hij een keer niet in zijn winkel was heb ik de geschriften van Frederik van Eeden gestolen. Ik was achttien, ik wilde die spanning een keer ervaren, maar het is natuurlijk flauwekul. Waarom zou je jezelf rijker of gewichtiger willen maken dan je bent? Proudhon had gelijk: elk bezit is diefstal. Ik heb een paar heel erg rijke vrienden. Ik gun iedereen alles, ze mogen van mij een luxe leven leiden, maar ik snap nooit waarom ze nóg meer willen hebben. Een van hen besloot op een dag op zijn berg te gaan zitten. Ik vroeg hem: ’Wat ga je daar dan doen?’ ’Loslaten’, zei de rijke vriend. Ik vroeg: ’Heb je je portemonnee al losgelaten?’ Hij keek heel verpoepzakt, maar ja, kom op zeg! Daar begint het toch mee?”

„Ik heb zo’n dertig jaar op een koan, een raadsel, uit het zenboeddhisme zitten kauwen. De vraag was: without thinking of good and evil – dus voor goed en fout, voor het zwart-wit denken, voor wij en hunnie – show me your original face before your father and mother were born. Dat is de vraag, die onmogelijke vraag: what is the original face? The true face?

„Wij Westerlingen willen een metafysische duiding, een hogere werkelijkheid achter de gewone werkelijkheid maar het is veel simpeler; het gaat over handelen of niet handelen, over doen of laten. Het gaat over zuiverheid, waarachtigheid. Weg met de maskers, weg met de schijn. No more bullshit, neem jezelf niet langer in de maling. Linji, een Chinese meester uit de Zentraditie noemt het: true man with no status. Zo zou ik willen zijn. Als een true man with no status.”

„Je zou kunnen zeggen dat dit gebod op bevrijding is gericht. Inderdaad: waarom zou ik jaloers zijn op de honderden miljoenen die mijn vrienden bezitten? Al die vragen – wie ben ik, waarom ben ik zo? – zijn lessen die je weer naar die naaktheid leiden; a true man with no status. Natuurlijk is er altijd nog een ander diep, niet te vangen verlangen. Nu reflecteert het zich in de liefde, in dat mooie kindje, maar ik weet wel dat het daar aan voorbijgaat. Ook dit geluk – hoe graag ik het ook wil vasthouden – is vergankelijk. Laat ik niet zo arrogant zijn te denken dat ik het zelf in de hand heb. Ik ben niet zo’n VVD’er die zegt: ’Ik ben de smid van mijn eigen geluk’. Dat vind ik zo’n stuitend domme opmerking.

„De liefde, ons kind; het is me allemaal gegeven ik moet er ineens aan denken dat ik het woord godsgeschenk heb gebruikt. Ik ga een beetje van de hak op de tak – vind je toch niet erg hè? – maar dit móet ik je nog vertellen: ik heb twee keer eerder in God geloofd. Het eerste verhaaltje speelt zich af in een Belgisch nonnenklooster. Daar liep zo’n heel oud nonnetje, ver in de negentig, de hele dag te giechelen. Ik heb een hekel aan het woord, maar die vrouw was gewoon verlicht. Ze sprak Engels met mij. Volgens de andere nonnetjes was dat een teken dat ze mij wel interessant vond. Bij het weggaan zei die vrouw ’God bless you’ tegen me en ik voelde precies wat ze zei. Op dat moment bestond God, die zo diep in haar zat, ook voor mij.

„Het tweede moment is dramatischer: een paar jaar geleden overleed mijn oudste broer en hoewel zijn huis dichtbij was besloot ik er met de taxi heen te gaan. Het was prachtig najaarsweer. De taxichauffeur bleek een lieve, oudere Marokkaanse man te zijn die een heel vrolijk verhaal wilde afsteken. Ik onderbrak hem en zei: ’Het spijt me meneer, maar ik ben niet vrolijk want’ Afijn, hij hoorde mij aan en zei – ik voel nu weer de rilling door mijn lijf gaan – ’Het is Gods wil’. Daar heeft die man mij enorm mee getroost. Filosofisch vertaald zei hij: dat is iets waar wij niet bij kunnen. In zijn God kon ik op dat moment geloven.”

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.