Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jammer voor filosofen, maar onze moraal is beestachtig

Home

Marc van Dijk

Apen en honden kennen het verschil tussen goed en kwaad dondersgoed, betoogde Midas Dekkers in Trouw. Klopt dat? En is de menselijke moraal afgeleid van de dierlijke?

Voor Aristoteles, onder meer de vader van de biologie, was het duidelijk: de mens is het enige levende wezen dat een gewaarwording heeft van goed en kwaad, recht en onrecht. En dankzij deze waarden is de mens in staat tot samenleven.

Bioloog en allesdeskundige Midas Dekkers is het daar niet helemaal mee eens. Volgens hem is de moraal die ons van de dieren zou onderscheiden juist uitgesproken dierlijk.

Bas Haring, filosoof en hoogleraar ’publiek begrip van de wetenschap’ aan de Universiteit Leiden, kan in beide standpunten meegaan. „Aristoteles heeft het niet alleen over de moraal, maar ook over de gewaarwording van die moraal. Daarin zijn mensen inderdaad uniek: wij hebben besef van de moraal, we kunnen erover praten en hem heroverwegen. Dat kunnen dieren niet, in die zin heeft Aristoteles gelijk. Maar het primaire gevoel voor goed en kwaad, dat is niet uniek voor de mens. Dieren hebben dat oordeelsvermogen ook. Ik ben ervan overtuigd dat ook ons morele gevoel heel intuïtief en beestachtig is.”

Grahame Lock, hoogleraar wijsbegeerte van de managementwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen, denkt er anders over. „Uit het feit dat de reflectie op de moraal bij dieren ontbreekt, kun je juist afleiden dat zij geen moraal hebben. Want een moraal zonder reflectie is geen moraal. Een dier kent geen tijd. Dat wil zeggen: geen besef van verleden en toekomst, enkel een altijddurend heden. Dat ontneemt een dier de mogelijkheid om de grote morele emoties, zoals schuld of wroeging, te ervaren. Dieren kunnen wel gedrag vertonen dat in onze ogen moreel lijkt. De zorg van een hondenmoeder voor haar pups kan op ons uitermate ethisch overkomen. Maar ze heeft geen morele dilemma’s, ze maakt überhaupt geen keuzes, ze handelt instinctief. Voor zover er moraal is in de wereld, is die menselijk. Misschien zijn er buitenaardse wezens die een moraal kennen, maar op deze planeet zijn wij toch echt de enigen.”

Haring: „Veel wijst erop dat onze morele oordeelsvorming in hoge mate beestachtig is, zowel van oorsprong als van karakter. Met andere woorden: moreel gedrag zit ons in de genen. Dat is goed te zien aan de manier waarop wij met andere soorten omgaan, zoals ook Midas Dekkers betoogt. We zijn de grootste vrienden met wezens die dezelfde genen bezitten, soortgenoten dus, maar met andersoortige wezens gaan we behoorlijk lomp om. Dat geldt voor de dieren ook: binnen de eigen soort is er een morele code, maar tegenover andere soorten kennen ze geen genade.”

„Eigenlijk gaat het zelfs nog verder: we zijn geneigd om mensen van ons eigen clubje voor te trekken. Iemand die uit Nederland komt is voor ons belangrijker dan iemand die uit Tanzania komt. Rationeel gezien is dat moreel verwerpelijk, maar we denken en handelen voortdurend zo. Dat doen we vanuit ons diepste wezen. Dichtbij staat hoger dan ver weg. De naaste is belangrijker dan de vreemdeling. Ook hieruit blijkt de dierlijkheid van onze moraal: voor dieren is de eigen groep heilig.

„Evolutionair bioloog Marc Hauser heeft veel experimenten gedaan waarin mensen morele dilemma’s voorgelegd krijgen. Dat levert twee inzichten op. Ten eerste blijken mensen over de hele wereld ongeveer dezelfde morele keuzes te maken. Moraal is dus minder nauw verbonden met cultuur dan we geneigd zijn te denken. Ten tweede blijken mensen die keuzes bliksemsnel te maken, net zo snel als we bepalen of een zin grammaticaal kloppend is of niet. En bij nadere analyse blijkt dat die keuzes vaak niet rationeel te onderbouwen zijn – als hij de proefopstelling iets verandert, kiezen mensen totaal anders, zonder dat daar logische redenen voor zijn. Het zijn dus natuurlijke intuïties.”

Lock: „Het verbaast me niet dat mensen in grote lijnen ongeveer hetzelfde blijken te kiezen. Dat komt doordat een cultuur niet kan functioneren als niet aan bepaalde basiswetten wordt voldaan – zoals het verbod op incest en moord, door Freud geformuleerd als de grote cultuurstichtende taboes. Maar de bijkans universele morele regels die daaruit voortkomen zijn geen natuurwetten. Natuurwetten beschrijven de natuurlijke loop der dingen, bijvoorbeeld: water stroomt naar het laagste punt. Menselijke wetten beschrijven niet hoe iets loopt, maar schrijven voor hoe dingen zouden moeten lopen. Dierengedrag komt voort uit natuurwetten, Mensengedrag uit mensenwetten – gedeeltelijk tenminste.”

„En wat betreft de snelheid van oordelen: ook dat verbaast me niet. Mensen kunnen inderdaad heel snel een morele keuze maken. Ik denk alleen dat je daar niet uit kunt concluderen dat het daarom een natuurlijke intuïtie betreft. Als we met elkaar spreken, handelen we ook bliksemsnel. Spontaan produceren we volzinnen, bedenken we nieuwe woorden en corrigeren we fouten. Maar dat betekent nog niet dat die taal als een natuurlijke intuïtie uit onze hersenen komt zonder dat we regels volgen. We volgen juist voortdurend heel veel regels. Die regels zaten niet in onze genen, die zijn aangeleerd. En we beheersen ze zo goed, dat het spreken vanzelf lijkt te gaan. Terwijl het een uitermate kunstmatig proces is. De snelheid zegt dus niets over de mate waarin iets aangeleerd of natuurlijk is.”

Haring: „Natuurwetenschappers zijn het erover eens dat de menselijke moraal is ontstaan volgens een evolutionair proces, waarbij het meest succesvolle gedrag wordt doorgegeven. Daardoor zijn wij in meerderheid goedwillende, brave mensen. Het is nu eenmaal het handigst als je elkaar kunt vertrouwen. Filosofen hebben altijd grote moeite gehad met dit idee. Ze hopen dat de moraal te beredeneren valt. Ze bedenken een complete moraalleer, zoals bijvoorbeeld Kant gedaan heeft. Maar zo’n leer is niet in alles in overeenstemming met onze intuïtieve moraal. Onze oordeelsvorming die heel snel en heel uniform blijkt te werken, is niet goed te beredeneren. Dat is misschien jammer voor de filosofen, maar het is niet anders: onze moraal is en blijft beestachtig. Het enige wat we kunnen doen – en dat is zeker de moeite waard – is een dun rationeel schilletje over die moraal aanbrengen, bijvoorbeeld door rechtssystemen te ontwikkelen waarin we onze ongepolijste morele intuïties een beetje nuanceren en verfijnen.”

Lock: „Er is geen natuurlijke moraal, er is hoogstens een natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de moraal.”

Deel dit artikel