Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

James Last / Muziek om doorheen te praten

Home

door Esther Hageman

James Last stopt met optreden. De tournee die hij dit weekeinde in Duitsland afsloot was zijn laatste. Daarmee komt een eind aan een loopbaan die 60 jaar duurde.

Thuis in Bremen waren ze met drie zoons: Robert (1923), Werner (1926) en Hans (1929). Alle drie waren ze meer dan gemiddeld muzikaal. Ook werden ze alle drie aangetrokken tot de big band-jazz die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, met de Amerikanen, Duitsland binnentrok.

Robert werd drummer, Werner trombonist. In de jaren vijftig trokken Robert en Werner allebei naar de VS, om daar jazz te studeren en, voor zover dat van de vakbond mocht, te spelen. Maar rond 1960 waren ze allebei weer terug in Duitsland. Soms speelden de drie broers in het zelfde orkest. Want Hans was bassist geworden. Als enige was hij nooit naar Amerika gegaan. Tussen 1950 en 1952 werd hij in populariteitspolls van vakjury’s drie keer op rij „de beste Duitse jazzbassist” bevonden.

Maar ja, van zulke lof kon je toch niet leven. Hans Last had geen zin om armoe te lijden en begon zijn brood te verdienen als arrangeur voor een platenmaatschappij: hij schreef de hits van dat moment uit voor orkest, zodat vocale sterren als Freddy Quinn of Caterina Valente konden meezingen. Van purisme zoals andere Duitse jazz-musici dat vertoonden, Albert Mangelsdorff bijvoorbeeld, kon hij niet bestaan.

Volgens de overlevering viel het idee dat hem financieel succes zou brengen hem in, toen hij in 1964 de tiende verjaardag zou vieren van zijn huwelijk met zijn jeugdliefde, Waltraud Wiese. Hij dacht na over de muziek die op dat feest te horen moest zijn. Wat is stilte tussen de nummers toch hinderlijk, dacht Hans – ’Hansi’, voor vrienden. Het onderbreekt het dansen zo. Hij arrangeerde een stoet actuele hits – Stones, Beatles – tot één grote, ononderbroken potpourri. Op het feest deed dat het goed. Toen hij het daarna op plaat zette, er een beetje geluid van feestgedruis onder monteerde, de plaat „Non stop dancing” noemde en zelf de artiestennaam James Last aannam (dat is net zoiets als Hans, maar dan Engels, verzekerde de platenmaatschappij hem), was een mega-succes geboren. Robert aapte dat procédé na en bracht in de jaren zeventig ’Happy dancing’-platen uit. Werner, die zich als leider van een eigen orkest Kai Warner liet noemen, reed ook mee op de bagagedrager van James’ succes en genoot een zekere roem met zijn ’Go In’-platen. Over dat familiale plagiaat is nooit ruzie ontstaan. Mogelijk rolde het geld in te grote hoeveelheden binnen om je er druk over te maken.

Maar James was de eerste en bleef van de drie altijd de grootste. Hij bracht plaat na plaat uit en reisde met zijn eigen orkest de wereld rond, voor concerten waar de platen feilloos werden nagespeeld. Hij toonde zich geen meester in de beperking: er is geen muziekstijl of er bestaat een James Last-versie van. De Beatles. Zeemansliedjes. Nederlandse liedjes. Weense muziek. Schotse liedjes. Kozakkenliedjes. Trompetmuziek. Saxofoonmuziek. Kerstmuziek. Klassieke muziek in alle soorten. Uitgedrukt in getallen is de carrière van James Last adembenemend: sinds de jaren zestig verkocht hij ruim 100 miljoen platen, die meer dan 200 keer goud of platina werden.

Wie die kopers zijn, heeft James Last zelf vaak verhelderd. „Het is niet het Sinatra-publiek. Maar het zijn ook geen mensen die bij boksen vooraan zitten. Het zijn mensen die geen champagne in de koelkast hebben liggen; eerder een middenklasse-publiek. Ze hebben in elk geval niet veel geld. Daarom ben ik er zo verdomd trots op dat ze mijn platen kopen”, zei hij dan.

Maar wat die kopers dan precies trok? Dat is een lastiger vraag. Want de muziek van James Last heeft een mysterieuze andere zijde: niemand zegt ooit hartgrondig dat het geweldige muziek is. De mening over James Last schommelt tussen meewarigheid en het oordeel ’vreselijk’. Daarmee heeft James Last een andere positie dan andere muzikale volkshelden. Aan André Hazes’ muzikale kwaliteiten wordt niet getwijfeld – zelfs niet door mensen die niet speciaal van Hazes houden. Ook de liefde voor André Rieu of Helmut Lotti (beide verkoper van een product dat je „klassieke muziek, maar toch gezellig” kunt noemen) is vrij van schaamte. Maar de liefde voor James Last, die houdt iets besmuikts, alsof het pornografie is. Hooguit geef je toe dat je vroeger, heel vroeger hoor, weleens een plaat van hem hebt gehad.

James Last („Ich kann mir meinen Erfolg selbst nicht erklüren. Es ist einfach unglaublich”,) lijkt met die besmuikte liefde nooit te hebben gezeten – als het maar verkocht. In interviews heeft hij zich nooit geëxcuseerd voor het feit dat hij muzak maakte; de term beledigde hem totaal niet. „Achtergrondmuziek moet er ook wezen”, zei hij dan. „Je hebt nu eenmaal mensen die altijd iets willen horen kabbelen.” James Last, muziek-miljardair, weet zelf heel goed dat zijn muziek eerder dient om er doorheen te praten dan om ernaar te luisteren.

Van de drie Duitse broers die de wereld aan de muzak brachten is Hansi, alias James, intussen nog als enige over: Werner overleed in 1982, Robert in 1986. Een kleine tien jaar na de dood van zijn echtgenote (en inmiddels hertrouwd met de 30 jaar jongere Christine Grundner) vindt James Last het nu, op zijn 77ste, welletjes. Afgelopen woensdag trad hij voor het laatst in Nederland op, dit weekeinde had hij zijn laatste Duitse concert in Frankfurt.

Deel dit artikel