Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

J.A.A. van Doorn, een tegendraads waarnemer

Home

Hans Goslinga

Hoe tegendraads de socioloog J.A.A. van Doorn kon zijn, blijkt ook uit het laatste essay dat hij schreef en dat in de bundel ’Nederlandse democratie’ is opgenomen: de individualisering is de oorzaak van de politieke malaise.

In zijn laatste essay, dat hij vlak voor zijn dood in mei vorig jaar voltooide, noteerde de socioloog J.A.A. van Doorn dat het met de democratie in ons land niet goed gesteld is. De mondigheid van de burgers, door vrijwel alle partijen al dan niet strijdbaar nagestreefd, heeft het stelsel niet versterkt maar verzwakt en kwetsbaar gemaakt.

Een verrassende en verontrustende conclusie. Je zou zeggen dat de zelfstandigheid en geldingsdrang van de burgers uit democratisch oogpunt pure winst zijn, maar Van Doorn (1925-2008) zag dat anders. Niet zonder reden omschrijven de executeurs testamentair van zijn intellectuele nalatenschap, Jos de Beus en Piet de Rooy, hem als ’een tegendraads waarnemer’.

Sinds Van Doorn eind 2005 te horen kreeg dat hij aan een dodelijke ziekte leed, hebben de politicoloog en de historicus op zijn verzoek een selectie gemaakt van zijn waarnemingen. De stukken zijn gebundeld onder de titel ’Nederlandse democratie’.

Die titel is trefzeker gekozen. Vanaf het begin van zijn schrijversleven, in de oorlog in zijn geboortestad Maastricht, vinden Van Doorns waarnemingen een kristallisatiepunt in de democratie. Het naziregime heeft hem bewust gemaakt van de kwetsbaarheid van het stelsel. De tweede reden is dat democratie berust op het in zijn ogen bijzonder stoutmoedige idee dat burgers hun machthebbers direct of indirect kiezen, hun machtsuitoefening sturen en controleren en hen bij onbevredigende resultaten door anderen vervangen.

De geschiedenis leert volgens Van Doorn dat dit niet zo vanzelfsprekend is als het voor de naoorlogse generaties misschien lijkt. Hoe machthebbers ook hun plaats verwerven, schrijft hij, ze zullen die plaats zelden gemakkelijk opgeven. Eerder zullen ze „alles in het werk stellen hun bevoorrechte positie nog extra te versterken door legale en illegale kunstgrepen, bij voorkeur gerechtvaardigd door te wijzen naar het belang dat burgers bij hun voortgezette heerschappij hebben”.

Wie de spanningen die het machtsverschijnsel in een democratie meebrengt onderkent, krijgt een beter inzicht in de politieke processen en gebeurtenissen, zoals het langdurige verzet van premier Balkenende tegen onderzoek naar de steun aan de Irakoorlog of de wrok van oud-minister Vogelaar jegens PvdA-leider Bos vanwege haar gedwongen aftreden. Als socioloog heeft Van Doorn de politieke ontwikkelingen vooral pogen te verklaren vanuit de grote veranderingen in onze samenleving, zoals de ontzuiling, de culturele revolutie in de jaren zestig, de immigratie en de individualisering. Die laatste twee processen staan centraal in zijn laatste essay onder de titel ’Herfsttij der democratie’.

Van Doorn vraagt zich hierin af waarom ons bestel er niet in is geslaagd de problemen als gevolg van immigratie en integratie het hoofd te bieden. De gevestigde partijen hebben op het vraagstuk geen greep weten te krijgen met als gevolg dat populistische politici ermee aan de haal zijn gegaan.

De socioloog toont zich daar op goede gronden verbaasd over. Begin jaren zeventig in Rotterdam nam hij al de eerste symptomen waar van wat hij destijds zelf beschreef als een ’brandgevaarlijke kwestie’. Niet uit de reguliere dagbladen, maar uit het nieuwsblad De Havenloods vernam hij hoe spanningen in de oude wijken van de stad, zoals het Oude Westen, opliepen door de komst van steeds meer gastarbeiders.

Van politieke betekenis is dat hij toen al het ongemak van vooral linkse politici signaleerde die knel kwamen te zitten tussen de belangen van hun traditionele kiezers, de oorspronkelijke wijkbewoners, en de beduchtheid voor racist te worden uitgemaakt. Zijn conclusie was, hoewel aan dovemansoren gericht, messcherp: „Men zal nu zijn morele verontwaardiging en zijn politieke principes, ver van de werkelijkheid zo behaaglijk te koesteren, maar een ogenblik moeten inslikken.” Kenmerkend voor de onafhankelijkheid en authenticiteit van de waarnemer Van Doorn is dat deze noties hem dertig jaar later, toen hij zijn politieke gelijk kreeg, niet in het kamp van de anti-multiculturalisten brachten.

Hij achtte het van democratische betekenis intellectueel tegenwicht te bieden aan de tijdgeest, om het even of dat de gezapige geest van consensus is dan wel de explosieve geest van polarisatie, die de laatste jaren het publieke debat beheerst. Daarbij liet hij zich, zoals de bezorgers van zijn werk schrijven, leiden door begrip voor het menselijk tekort en het besef van kwetsbaarheid van beschaving en individualiteit. De Beus en De Rooy omschrijven hem als een klassieke conservatief, gesteld op behoedzaam bestuur, tempering van overheidsmacht, sceptisch over de maakbaarheid van de samenleving en diep afkerig van modieus dogmatisme en fanatisme.

Het is dus niet de böse alte Mann, die zich somber toont over ’het meningencircus’ waarin het publieke debat in zijn ogen is ontaard, maar de bezorgde democraat en de wetenschapper die van feiten en vergaarde kennis wil uitgaan. Dat iedereen zich met zijn particuliere mening in het debat stort en zich daartoe ook gerechtigd voelt, is voor hem allerminst een bewijs van mondigheid, maar van overschatting van het eigen oordeelsvermogen. „Men blijft doorgaans hangen in stereotyperingen die met de werkelijkheid niets te maken hebben en men bepleit interventies die kant noch wal raken.”

Van Doorn schrijft dit verschijnsel toe aan de individualisering, die het paradoxale effect heeft dat een massamaatschappij is geschapen. Bij de sterk gereduceerde sociale ongelijkheid en de afwezigheid van grote ideologische verschillen, constateert hij, is nagenoeg iedereen op zoek naar wat hem persoonlijk stoort en om politieke correctie vraagt. Deze individuele uitingen hebben tezamen zo’n amorf karakter, dat zij geen democratisch surplus opleveren. Zij dienen alleen zichzelf en de populistische politici, die het meningencircus voeden door zich toe te leggen op uitspraken die van alle realiteit zijn ontbloot.

De vraag is of Van Doorn zich hier niet te veel heeft laten meeslepen in een eenzijdige kijk op de dingen of dat de columnist die hij ook was hier niet te veel de wetenschapper in de weg heeft gezeten. De feiten geven geen aanleiding de integratie alleen maar als mislukt te beschouwen en de democratie heeft zoveel welvaart, vrede en geluk gebracht dat de burgers wel gek zullen zijn voor de populistische verleiding te bezwijken. Dat is niet bedoeld als dooddoener. Van Doorn heeft gelijk dat de gevestigde partijen zich in het defensief hebben laten drukken en dat er een scherpe vertrouwensbreuk is ontstaan tussen het politieke establishment en een aanzienlijk deel van de samenleving, die een bedreiging van de democratie kan worden.

In 2000 schreef hij deze verschijnselen vooral toe aan het onvermogen van de Haagse politici een aantal grote problemen op te lossen, zoals het asielbeleid en de wachtlijsten in de zorg. Aan de legitimiteit van het stelsel schortte het naar zijn visie niet, al benoemde hij toen reeds verschillende ontwikkelingen, zoals de transformatie van politici tot bedrijfsleiders, die tot de revolte van 2002 aanleiding waren.

In zijn laatste essay zoekt hij de oorzaak van de politieke malaise in het proces van individualisering dat de samenleving naar zijn oordeel heeft versplinterd en het verlangen naar een autoritair politiek systeem heeft wakker geroepen. Die conclusie is vatbaar voor tegenspraak, maar moet ernstig worden genomen om een eenvoudige reden dat Van Doorn er als zeer geoefend waarnemer en verdediger van onze democratie wel eens een beetje, maar nooit helemaal naast zat.

Lees verder na de advertentie
J.A.A. van Doorn (Trouw)

Deel dit artikel