Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Italiaanse moedermelk leidt tot lyrische jazz

Home

KEES POLLING

Italiaanse jazz, bestaat die wel? In Nederland horen wij er zo weinig van, dat we geneigd zijn te denken dat die er niet is. Een enkele keer laten de Groninger Jazzmarathon, het Haagse North Sea Jazz Festival of het Amsterdamse BIM-huis anders horen. Twee jaar geleden presenteerde het BIM-huis een concert van het Italian Instabile Orchestra, dat tot de top van de Italiaanse jazz behoort. Het orkest is echter zo groot dat het, gespeend van enige overheidssubsidie, in een aanhoudende 'struggle for life' verkeert. Het Instabile Festival in het Noord-Italiaanse stadje Pisa bood het orkest vorige maand de zich uitgebreid te presenteren. Een kennismaking met Pino Minafra, de oprichter van het orkest, en met Breukeriaanse invloeden in de Italiaanse jazz.

“Anderhalf jaar geleden presenteerde ik op de Donaueschinger Musiktage mijn project La Banda. Daarin combineer ik jazzmusici met de oud-Italiaanse fanfare, die ik van mijn jeugd in het dorpje Ruvo di Puglia in het uiterste zuiden van Italie kende. De eerste set gaf het blaasorkest zonder jazzmusici een proeve van haar normale repertoire: bewerkingen van aria's van beroemde opera's van Verdi, Bellini, Puccini en Bizet. Let wel, de aria's kregen, net als vroeger in mijn dorp, een uitsluitend instrumentale vertolking. Want goede zangers waren immers niet voorhanden. Dat was geen probleem, want iedereen kende de tekst. Na de pauze speelde het orkest speciaal voor die combinatie gemaakte stukken met vooraanstaande jazzsolisten: de Italiaanse klarinettist Gianluigi Trovesi, de Nederlander Willem Breuker op basklarinet en sopraansaxofoon en de Franse tubaist Michel Godard.”

De ogen van Pino Minafra, de Italiaanse jazztrompettist en initiatiefnemer van het project La Banda, die in zijn eigen muziek zo graag gebruik maakt van Breukeriaans spektakel en humorvolle wendingen, schitteren als hij dit vertelt. In gedachten verkeert hij weer op die Musiktage. Maar dan versombert zijn gelaat. “Je weet wellicht”, zegt hij, “dat Donaueschingen een bolwerk is van de muziek-avantgarde. Het publiek waardeerde het optreden nog wel, maar critici en promotors van eigentijdse muziek spraken er schande van: dergelijke 'populaire' muziek mocht hun hoogstaande festival niet vervuilen. Gelukkig maakte de Duitse radio er opnamen van die inmiddels op dubbel-cd zijn verschenen. En daarop zijn de reacties louter enthousiast."

Minafra, in ons land onder meer bekend van de bijzonder aardige cd 'Noci ... Stani Frutti', die hij maakte met cellist Ernst Reijseger en slagwerker Han Bennink, vertelt deze anekdote niet voor niets. De scheiding tussen ernstige en populaire muziek in Europa is net zo groot als die tussen de jazzmuziek uit de verschillende delen van Italië. En dan gaat het niet eens zozeer om muzikale scheidslijnen, maar vooral om geografische verschillen.

“De Lega Nord is er niet voor niets”, verduidelijkt de 46-jarige trompettist het schisma tussen Noord- en Zuid-Italiaanse jazzmuziek. “De Italiaan bestaat niet. Dus evenmin de Italiaanse jazzmusicus. De verschillen tussen de bewoners - en musici - uit het welvarende noorden met steden als Milaan en Turijn, het cultureel rijke middendeel tussen Florence en Rome, en het achtergebleven, zonovergoten zuidelijke deel van de Italiaanse laars, zijn gigantisch. En dan heb ik het nog niet eens over de enorme afstanden. In ieder geval is het gevolg daarvan dat musici uit deze gebieden nauwelijks met elkaar samenspelen. Ze kennen elkaar - daar ontkomen ze niet aan; jazz is een internationale taal - maar daar blijft het vaak bij.”

Doodzonde vond Minafra dat. Een verspilling van talent en van ongekende mogelijkheden. Speciaal daarvoor startte hij in 1990 het Italian Instabile Orchestra (ofwel IIO) met daarin de twintig belangrijkste Italiaanse musici, stuk voor stuk prominente groepsleiders en solisten, afkomstig uit praktisch alle jazzgeledingen, van traditioneel tot eigentijds.

En het aanvankelijk als eenmalig samenwerkingsproject opgezette orkest werkte. Geografische, sociale en muzikale barrières werden opgeheven. De uit alle uithoeken van het Italiaanse schiereiland afkomstige musici bleken er verrassend veel plezier in te hebben om voor de verandering samen in een groot ensemble te spelen. Het orkest kwam vaker bijeen, er werden speciale stukken voor gecomponeerd, er volgden binnenlandse en buitenlandse tournees en er verschenen enkele cd's, waaronder een op het prestigieuze Duitse ECM-label.

Dat het IIO geen eendagsvlieg is, blijkt uit het feit dat Italië's beroemdste jazzmusicus, trompettist Enrico Rava, zich vorig jaar aansloot bij het orkest. En uit het feit dat er vorige maand rond het orkest in Pisa een driedaags Instabile Festival werd gehouden, waar bestaande groepen afkomstig uit de gelederen van het orkest optraden en diverse nieuwe samenwerkingsverbanden werden aangegaan. Zo was er een veelbelovende confrontatie tussen de trompetgiganten Minafra en Rava. Op het festival werd ook een (Italiaans/Engels) boek gepresenteerd over het IIO, waarin het orkest in een breed nationaal en internationaal kader is geplaatst.

“Zonder de invloed van de freejazz-beweging in Nederland en Duitsland in de jaren zestig en zeventig, was de Italiaanse jazz blijven steken in het spelen van karakterloze bop”, zegt een van de medewerkers van dit boek. Feit is dat Nederlandse musici altijd veel gespeeld hebben in Italië, vaak met lokale musici, maar ook met eigen groepen. Misha Mengelberg en Han Bennink zijn er kind aan huis, en het veelgeprezen Nederlandse Clusone Trio (Michael Moore-Han Bennink-Ernst Reijseger) heeft zijn bestaan te danken aan een uitnodiging van het jazzfestival van Clusone.

Ook tijdens enkele discussiepanels in Pisa, waar journalisten, managers en programmeurs uit de hele wereld spraken over het specifieke karakter van Italiaanse jazz- en geïmproviseerde muziek, werd regelmatig verwezen naar Nederlandse jazz. Niet alleen de muzikale en organisatorische ontwikkeling van de Nederlandse jazz- en improvisatiemuziek werd geroemd, ook werden parallellen getrokken tussen het IIO en het Willem Breuker Kollektief en Mengelbergs ICP Orchestra.

Muzikale parallellen, wel te verstaan. Met Breuker hebben veel Italianen bijvoorbeeld de humor gemeen, en diens voorliefde voor het be- en verwerken van simpele volksmelodieën. De parallel met het ICP betreft meer de muzikale ironie en de directe wijze waarop Mengelberg zijn stukken op de uitvoerders schrijft en hun eigenaardigheden als instrumentalist optimaal uitbuit. Een spreker in Pisa noemde de open blik naar hun eigen achtergrond als de grote overeenkomst tussen Nederlandse en Italiaanse jazz. “Amerikaanse jazzmusici zijn daarin heel star en moeten eerst alles omslachtig beredeneren. Italianen en Nederlanders werken intuïtiever en durven uit hun directe omgeving te putten.”

Anders dan het Willem Breuker Kollektief en het ICP Orchestra kent het Italiaanse gezelschap geen formele muzikale leider. Samen met manager Riccardo Bergerone voert Minafra de dagelijkse leiding. Zij roepen de musici bijeen voor concerten of opnamesessies, maar zij bepalen niet de muzikale koers. Die koers wordt bepaald door alle leden samen. Iedereen kan met een stuk komen, maar of het uiteindelijk op het repertoire komt, maken de musici uit. Tot dusver is het zelden gebeurd dat stukken werden geweigerd. Dat zou uit diplomatieke oogmerken kunnen zijn, al loochent de kwaliteit van de drie cd's, en die van de vele composities die in het fraaie Teatro Verdi in Pisa onder leiding van de componisten werden uitgevoerd, deze conclusie.

Het IIO heeft zich ontwikkeld tot een hecht ingespeeld gezelschap, dat zich kan meten met de Europese en Amerikaanse top van vernieuwende bigbands, met een geluid dat onmiskenbaar 'Italiaans' is. En wat dat dan is? Wie de Italiaanse cultuur - keuken, cinema, architectuur, volksmuziek, opera - een beetje kent, noemt direct de overheersende rol van lyriek. Een van de in Pisa aanwezige journalisten stelde op gegeven moment de vraag of Italianen die lyriek nooit beu worden? “Nou nee”, luidde het verbaasde antwoord. “Wij krijgen die lyriek ingegoten met de moedermelk. Daaraan is dan later niets meer te doen.”

Maar er is meer. Van belang in veel Italiaanse jazzmuziek is het narratieve element. Musici willen, met andere woorden, graag een verhaal vertellen. Ook bij musici elders in Europa vind je dat wel, maar heel anders uitgewerkt. Neem bijvoorbeeld de recente 'Tributes' die IIO-slagwerker Tiziano Tononi bracht aan de Amerikaanse jazzgroten Don Cherry (cd 'Awake Nu') en John Coltrane ('Coltrane's Infinity Train'). Hoewel hierop toch 'echte' moderne jazz gespeeld wordt, zijn die typische Italiaanse lyriek en het verhalende element alaanwezig.

Hoe anders is de muziek IIO-saxofonist Eugenio Colombo. Op zijn cd 'Giuditta' combineert hij een normaal jazztrio (sax-bas-drums) met drie klassiek geschoolde zangeressen. Het betoverende resultaat is zowel een uniek voorbeeld van typisch Italiaanse jazz als van muziek die aan geen noemer voldoet en daardoor praktisch niet meer in een beperkt kader geplaatst kan worden. Uiteindelijk lijkt mij dat toch het voorland van de Italiaanse (en Nederlandse) jazz in de toekomst: muziek van internationale allure, die de beste eigen karaktereigenschappen verenigt met de beste van elders.

Deel dit artikel