Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Is dit wel dans ?

Home

Sander Hiskemuller

Niet wéér de zoveelste abstracte moderne dansvoorstelling. Springdance in Utrecht wil juist het niet-bevestigen van wat er al is.

Choreografe Nicole Beutler vergelijkt haar visie op dans met het doorsnijden van een appel. „Je doet dat altijd automatisch in de lengte. Je hebt daarmee een vaststaand beeld van hoe de binnenkant eruitziet: een soort hart. Maar als je die conventie loslaat en de appel in de breedte doorsnijdt, zie je opeens een heel andere kernvorm: een ster.”

Volgens interim-festivalleider Gabriel Smeets sluit die analogie aan bij de kern van het internationale dansfestival Springdance in Utrecht: het niet-bevestigen van wat er reeds is. „Dus niet wéér de zoveelste abstracte moderne dansvoorstelling. Springdance richt zich op hedendaagse dans. Dans die nú wordt gemaakt en die zijn eigen vorm bevraagt. Om de kunstvorm dans te blijven ontwikkelen, heb je makers nodig die dat doen: hun kunst oprekken, tot de grenzen gaan. Wat kun jíj er als maker mee, wat kan de wereld er op dit moment mee?”

Nicole Beutler is een van de hedendaagse dansmakers die de komende dagen tijdens het festival te zien zullen zijn. In haar eerdere voorstellingen ’The exact position of things’ en ’Enter Ghost’ wierp de choreografe een geheel eigen licht op de subjectieve beleving van tijd en werkelijkheid. Voor ’Les Sylphides (work in progress)’ werd ze gejaagd door de behoefte historisch bepaalde dansconventies te onderzoeken.

Beutler: „Ik ben niet ’hardcore’ klassiek geschoold en wilde simpelweg snappen waar dans vandaan komt. Ik stuitte tijdens mijn zoektocht op ’Les Sylphides’ van Michel Fokine uit 1907: een toonbeeld van de poëtische balletperfectie.”

Fokine’s ’romantische rêverie’ wordt bevolkt door ongrijpbare, etherische nimfachtige wezens uit de ballet blanc, die als muzen hun ’poëet’ omringen, bijna afwezig. Ballerina’s in staat van volmaaktheid.

„Een schilderij, een prachtig bewegend tableau, maar voor mij: totaal op afstand. Het ballet is zo ’af’ dat ik er me er als toeschouwer niet bij betrokken voel; het heeft helemaal niets met mijn belevingswereld te maken. In mijn remake wil ik dat klassieke ballet tastbaar maken, invoelbaar, voor mensen van nu.”

Voor Beutler werd duidelijk dat ze zich daarvoor moest ontdoen van de conventies die kleven aan dé klassieke ’balletmust’: virtuositeit. „Vóór de stichting van de Académie Royale de la Danse van Lodewijk de Veertiende in 1661 danste men op feesten, in een zaal, dwars door alles heen. Toen Lodewijk de virtuoos getrainde danser introduceerde, ging men van dans genieten in wat wij nu als de gangbare theatersetting beschouwen. Bij Fokine staat het corps de ballet als decoratie aan de zijkant, Fokine begon ermee de primaballerina’s en het corps te integreren. Ik ga een stukje verder: door de opstelling van het publiek rond om het toneel, integreer ik ook het publiek: met hun neus boven op drie klassiek geschoolde ballerina’s.” Beutler beschouwt haar voorstelling dan ook als een gedeelde lichamelijke ervaring tussen danseressen en toeschouwer. „Dat is ook de reden waarom ik mijn ’Sylphides’ expliciet ’work in progress’ noem. Je krijgt geen plaatje, hier wordt gewerkt, je maakt het mee.”

„Het grappige is dat Fokine toen hij Les Sylphides maakte, dezelfde vraagstelling had,” meent Gabriel Smeets. „Fokine was een belangrijke balletvernieuwer: ’Les Sylphides’ is het eerste niet-narratieve balletwerk in de balletgeschiedenis. Fokine had sterke behoefte de expressie van het lichaam betekenis te geven. Hij rukte de dans daarmee voor eens en voor altijd uit het keurslijf van het decoratieve divertissement en liet het lichaam voor zich spreken. Fokine hanteerde daarbij de centrale vraag: hoe dansten onze ongekunstelde voorouders? En bij Nicole Beutler staat de vraag centraal: hoe wil ik dat dans er nú uitziet?”

In een tijd waarin grenzen vervagen en oude functies worden ingevuld door nieuwe media, zijn de vragen die de Springdance-danskunstenaar stelt, in Smeets’ ogen relevanter dan ooit. „Vroeger ging je naar het theater om je te identificeren met een held. Je kanaliseerde je emoties in wat er op het podium plaatsvond. Die rol wordt nu door film en internet vervuld. Voor theatervormen die zich in realtime in het theater afspelen, wordt de reële, fysieke ontmoeting steeds belangrijker; dat maakt het exclusief. Je ziet dan ook dat steeds meer voorstellingen, zoals die van Beutler, juist onderzoek doen naar de ontmoeting tussen maker en publiek.”

De ’vraagstellende’ dans die Springdance presenteert, wordt ook wel geclassificeerd als ’conceptuele dans’, een term waaraan vooral in Nederland negatieve connotaties kleven: ’is dit nog wel dans?’ Beutler: „De conceptuele benadering van dans heeft geleid tot theatrale kaalslag. Tot totale afwezigheid van het lichaam zelfs. Men werd daar blijkbaar door afgeschrokken.”

Smeets: „Maar ook met de absentie van het lichaam doet de maker een voorstel aan het publiek om op een andere manier naar een dansvoorstelling te kijken. In de beeldende kunst zal je niet snel een galerie binnenlopen en vragen: is dit wel kunst? In de Nederlandse dans is die vrijheid helaas nog niet bevochten. Wat ik storend vind aan de discussie van ’is dit wel dans’ is dat men dan blijkbaar óók heel goed weet wat dans dan wél is. Met dat antwoord komt vervolgens niemand op de proppen. Dans wordt in Nederland in tegenstelling tot ons omringende landen immer gekoppeld aan bepaalde perioden uit de dansgeschiedenis, technieken, stijlen en esthetiek. Daarom is de voorstelling van Beutler ook zo interessant; het staat stil bij dat soort preoccupaties.”

Conceptueel onderzoek is in de dans erg nodig, vindt ook Beutler. „Met conceptuele makers als Jérôme Bel en Thomas Lehmen is er flink wat humor in de dans gevloeid. Een voorstelling als ’The Show Must Go On’ van Jérôme Bel legt de conventies en verwachtingspatronen openlijk en zeer humoristisch bloot aan de hand van mensen zoals jij en ik: helemaal niet virtuoos, maar ’gewoon’ dansend op bekende popsongs.”

„We leven in een tijd waarin de computer die je gisteren hebt gekocht, morgen bij het vuilnis staat”, benadrukt Smeets. „De ontwikkelingen zijn niet te stoppen. Je hebt in de dans de hele wereld en alle mogelijke invalshoeken tot je beschikking. Ik zie bij vernieuwende makers als Beutler de behoefte stil te staan in dat proces, te reflecteren, te kijken wat de zin van dat alles is. Dus na de ’kale’ conceptuele dansvernieuwing, is het nu tijd voor bezinning.”

Deel dit artikel