Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Interlandvoetbal om 'koperen dingetje'/Sporteeuw (2) - 1901

Home

Matty Verkamman

Interlandvoetbal, daar werd gaandeweg over gesproken rond de eeuwwende. Interlandvoetbal, dat zou voor ons ook wel leuk zijn, meende een aantal enthousiastelingen te Antwerpen en gelet op de contacten die men al had met Nederlandse (club)teams uit met name Rotterdam, werd meteen aan een interland tegen de noorderburen gedacht. Zo ver kwam het, vrij plotseling, op 28 april 1901, maar dat viel toch eigenlijk alleen de Belgen enigszins op. Interlandvoetbal? De Hollandse clubs vonden het maar een mal idee, anno 1901.

Interlandvoetbal bestond bij de Britten al geruime tijd. Op de Kennington Oval in Londen hadden de nationale voetbalploegen van Engeland en Schotland op 5 maart 1870 hun eerste interland gespeeld, uitslag 1-1. In 1876 was er in Glasgow vervolgens de eerste echte Schotland-Wales (4-0), in 1882 volgde in Belfast de eerste Ierland-Engeland (0-13).

Op de eerste Olympische Spelen van de moderne tijd, Athene 1896, deed een Deense nationale ploeg aan demonstratie-wedstrijden mee. Twaalf jaar later zouden de Denen de draad pas weer oppakken bij de Olympische Spelen van 1908 in Londen. Maar toen was het meteen ook goed raak: met 9-0 gewonnen van Frankrijk-B en met 17-1 gewonnen van Frankrijk-A.

Nog altijd wordt in België het jaar 1901 beschouwd als de start van het interlandvoetbal, zij het een officieuze start. Het was ook een toevallige start. Erevoorzitter Frédéric Van den Abeele van de voorname Antwerpse club Beerschot kon het niet zo goed hebben dat de Brusselse rivalen van de Léopold Football Club al een florerend toernooi hadden, waarvoor graaf Van der Straeten-Ponthoz een juweel van een beker beschikbaar had gesteld. In 1900 was dat toernooi zelfs voorzichtig het Europees clubkampioenschap genoemd. Dat kwam omdat naast de Léopold FC en de Racing Club uit Brussel, ook de Zwitsers van Grasshoppers en de Nederlanders van HVV Den Haag en RAP Amsterdam mee deden.

Dat kunnen wij in Antwerpen ook, maar dan nog beter, stelde Van den Abeele voor zichzelf vast. Beerschot steunde het plan dat voorzag in deelname van de sterkste continentale voetbalclubs. Helaas, toen puntje bij paaltje kwam, hadden alle benaderde clubs ineens andere dingen te doen. Maar er was een beker, de 'Coupe Van den Abeele', dus dan moest er ook gespeeld worden.

Drie dagen voor de start van het in het water gevallen clubtoernooi, nam Beerschot contact op met de Rotterdammer Cees van Hasselt. Hij was kleermaker van beroep, Spartaan van overtuiging en ook nog een aardige voetballer. Voor 1900 was Van Hasselt zelfs zes keer gekozen in het Nederlands (Bonds)elftal, dat al vanaf 1894 wedstrijden speelde tegen clubteams uit Engeland, Denemarken, Duitsland en Frankrijk.

Van Hasselt hield van organiseren en zag beslist wel iets in een voetbalwedstrijd België-Nederland. Hij had echter één probleem: geen eersteklas voetballers voor 28 april 1901. “Doe dan maar tweedeklas spelers”, antwoordde men vanuit Antwerpen. En zodoende stuurde Cees van Hasselt de Rotterdamse tweedeklasser Celeritas naar het veld van Beerschot. Het werd 8-0 voor België, want dat had wel eersteklas voetballers en gewoon ook nog vier Engelse spelers opgesteld.

Het Nederlands elftal zag er bij die eerste 'interland' niet uit, maar er was wel een begin gemaakt met de reeks wedstrijden om de Coupe Van den Abeele, het bekertje dat zo lelijk was, dat het door Nederlanders al gauw 'het koperen dingetje' werd genoemd. De Coupe bleef na 1901 een kwarteeuw de inzet van de Derby der Lage Landen. In 1926 eiste de familie Van den Abeele het 'koperen dingetje' op, want in dat jaar besloot de Belgische voetbalbond België-Nederland van het Beerschot-terrein naar het Bosuil-stadion van FC Antwerp te verplaatsen. Dat nam de familie niet.

Deel dit artikel