Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

In universitaire oorlog tussen ongelovigen en theologen mag nu alles

Home

Van een medewerker LEIDEN - “Als jullie eerlijk zijn, moeten ook jullie aannemen dat God niet bestaat. Of laat zien dat ik een redeneerfout maak.”

De atheïstische filosoof prof. H. Philipse heeft de Nederlandse theologie de oorlog verklaard. Volgens hem dienen de theologen van de universiteit te verwijnen, want theologie zou geen wetenschap zijn. Maanden hebben ze elkaar schriftelijk bestreden - Philipse in de aanval, de theologen in de verdediging. Woensdagavond probeerden de theologen gehakt te maken van Philipse. De twee partijen stonden in Leiden tegenover elkaar tijdens een drukbezocht debat over 'de houdbaarheid van het atheïsme'.

Philipse kwam met een 'spijkerhard bewijs' dat wonderen niet bestaan. “Een wonder kun je niet omschrijven als 'Gods handelen in de natuur', want dat is een cirkelredenering - dan probeer je te bewijzen wat je al veronderstelt. Een wonder is een gebeurtenis die indruist tegen een natuurwet, een gebeurtenis met een waarschijnlijkheid van nul procent. Stel: iemand die voor honderd procent betrouwbaar is vertelt je dat hij een wonder heeft gezien. Een kleine rekensom leert me dat ik dan 50 procent zekerheid heb dat er werkelijk een wonder is gebeurd. Maar de meeste mensen die wonderen zien zijn niet betrouwbaar en leven in achterlijke gebieden.”

Philipse besprak nog een andere mogelijkheid: “Ik zie voor mijn eigen ogen een wonder gebeuren. Dan moet ik concluderen dat de natuurwetten niet kloppen. Dan ga ik niet geloven, maar ga ik hard nadenken over een nieuwe wet.”

Volgens de theoloog E. Meijering heeft de natuurwetenschap ons niets te vertellen over wonderen. “Als ik een natuurwetenschapper vraag of wonderverhalen waar zijn of niet, dan heeft hij daar geen antwoord op. Hij zal zich onbevoegd verklaren en zwijgen. Op het gebied van wonderen is hij namelijk niet deskundig.”

Ook de Utrechtse godsdienstfilosoof V. Brümmer diende Philipse van repliek. Met de door Philipse verachte circelredenering, beschreef hij een wonder. “Een machinist krijgt een flauwte en zijn voet raakt van het pedaal zodat de trein tot stilstand komt. Er is nog niets onnatuurlijks gebeurd. Ligt er een meter voor de tot stilstand gekomen trein een vastgebonden man op de rails. Ook dat is niet tegen de natuur. Toch is hier sprake van een wonder. Wie zou God niet op zijn knieën danken dat hij het overleefd heeft? Het tragische van de atheïst is dat hij soms best dankbaar zou willen zijn, maar niemand heeft om te bedanken.”

Philipse: “Het wonder zou nog groter zijn als ìk de man was die op de rails lag.” Philipse verwees zo naar het vurige karakter van de discussie. Zelf schreef hij dat theologen 'niet goed nadenken'. Mensen met een godsdienst zouden aan 'mentale inertie' lijden. De theologen sloegen terug. Zo wist Kuitert waarom Philipse maar doorgaat met de discussie. “Philipse wil alsnog zijn gram halen over mijn - zacht gezegd - negatieve bespreking van zijn 'Atheïstisch Manifest'. In dat boekje verraadde hij dat hij zich niet verdiept heeft in het onderwerp.”

Academische discussies worden in de regel met meer omzichtigheid gevoerd. Maar de dreiging van bezuinigingen is zo groot, dat nu alles mag. Zo vindt Philipse dat minister Ritzen moet stoppen met het geven van overheidsgeld aan theologie. De theologen reageerden dat dan ook de filosofische faculteit moet worden opgeheven. Vooral Kuitert maakte zich boos: “De bewering dat aan de bijzondere universiteiten zoals de VU geen echte wetenschap kan bestaan, is in mijn ogen kwaadaardig, en nog onwaar ook.”

Twee mogelijkheden

De kern van de atheïstische redenering van Philipse is deze: “Er zijn twee mogelijkheden. Of je zegt dat het geloof in God de rede te boven gaat. Dan geef je het geloof een inhoud die nooit in strijd kan komen met de wetenschap. Het geloof is dan immuun voor elke mogelijke redelijke kritiek. Maar daarmee wordt het inhoudsloos, houdt het op te bestaan.” Volgens Philipse overkomt dit de theologen die alle wonderverhalen als metaforen uitleggen.

De andere mogelijkheid: “Of je zegt dat het geloof wèl vatbaar is voor redelijke argumentatie. Zo zegt Kuitert dat de hypothese van het bestaan van God nodig is om de beleving van de gelovigen te verklaren. Maar dan mogen de Zeus-aanhangers redeneren dat Zeus bestaat en zitten we met duizenden hypothesen, voor iedere god één. Nu zullen christenen andere hypothesen dan 'God' waarschijnlijk met psychologische verklaringen te lijf gaan, maar dat is niet redelijk. En ook als ze alle hypothesen bestaansrecht gunnen, dan is de atheïsme-hypothese (dat de mensen de goden scheppen) toch redelijker, want in de wetenschap hebben de eenvoudigste verklaringen altijd de voorkeur.”

Meijering protesteerde: “Ik erken volmondig dat de oude godsbewijzen niet deugen. Maar ze waren ook niet bedoeld om ongelovigen te overtuigen. Vroeger dienden ze om de gelovigen te tonen dat geen redelijk mens het bestaan van God kon ontkennen: dat je dom en kwaadwillend was als je het wel deed. Voor de niet-gelovigen hebben ze geen dwingende waarde, maar voor de gelovigen kunnen ze nog wel waardevol zijn: met het 'niets vóór en niets achter mij' kunnen zij niet leven.” Philipse was niet onder de indruk: “Uit een ongeldig godsbewijs is toch geen troost te putten?”

Brümmer verweet Philipse een 'categoriefout': “Hij maakt de stelling dat God bestaat helemaal los uit de religieuze levensvorm waarin zij betekenis krijgt. En dan wil hij dat wij die stelling gaan bewijzen. Zo maakt hij het geloof bij voorbaat onzinnig.”

Deel dit artikel