Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

In een grot in Darfur afgesneden van alle hulp

Home

Klaas van Dijken

Honderden vrouwen en kinderen zoeken in een grot beschutting voor Soedanese bombardementen © Adriane Ohanesian

Dit is het verhaal waarmee Klaas van Dijken De Tegel 2015 heeft gewonnen in de categorie Nieuwsverslaggeving.
In de Soedanese regio Darfur leven tienduizenden ontheemden in donkere grotten die door niemand worden geholpen.Van Dijken wist als eerste journalist in jaren het gebied binnen te komen. Hij zag de verschrikkelijke gevolgen van de brute militaire campagne.

Hij drinkt met regelmatige tussenpozen. Zijn rechterhand weet het plastic flesje zonder etiket met even doorzichtige vloeistof blindelings te vinden. De dop is er al af, vleugjes alcohol walmen naar buiten. Hij neemt een slokje, zijn linkerhand laat de greep op het stuur geen moment verslappen, zijn ogen blijven op de onder ons door razende zandweg gericht. Het flesje gaat weer terug in de houder, hij veegt over zijn gezicht en tuft tussen zijn voortanden uit het raam. Een paar minuten later herhaalt hij het ritueel.

Achterin de pick-up truck zit een handvol rebellen van wie er een liederen de duisternis in bralt. Slechts een enkele keer zullen we tijdens deze urenlange tocht stoppen. Een keer voor een lekke band als we net in veilig gebied zijn, de laatste stop is bij onze slaapplek.

Lees verder na de advertentie

Deze etappe is een van de meest risicovolle van onze reis. De Amerikaanse fotografe Adriane Ohanesian en ik zijn ruim een week daarvoor de West-Soedanese regio Darfur binnen gesmokkeld.

Het gebied staat al sinds 2003 in brand. Etnische zuiveringen en wrede militaire campagnes kostten honderduizenden het leven (zie kader). De afgelopen maanden laaide het conflict in alle hevigheid op. Maar wat horen we daarvan?

Onze beveiligers
Darfur is totaal geïsoleerd en journalisten krijgen geen toestemming van de overheid om de regio in te gaan. Daarom reizen we met een van de etnisch Afrikaanse rebellengroepen, het Soedanese Bevrijdingsleger (SLM/A, Soedan Liberation Movement/Army) onder leiding van Abdel Wahid Al-Nur. Dit is een van de bijna dertig rebellengroepen die ook onderling vaak sterk verdeeld zijn. De SLM/A wil de streng islamitische regering in Khartoum omver werpen en vervangen voor een democratische seculiere overheid die alle bevolkingsgroepen gelijk behandelt. Voor zover bekend maakt de mannen van het SLM/A zich niet schuldig aan verkrachtingen en moordpartijen op ongewapende burgers.

Bijna drie weken lang zorgen deze rebellen voor onze veiligheid, brengen ons waar we heen willen en regelen ons eten. We hebben afgesproken dat ze niet aanwezig zijn bij de interviews die we onderweg houden. Ook mogen ze achteraf niet de inhoud van ons werk controleren.

De rebellen van Abdel Wahid Al-Nur rijden door de bergen © Adriane Ohanesian

Door de linies
De auto stopt. De dronken rebel is net als de anderen stil geworden. In de verte, aan de andere kant van de vlakte blinken lichten van een basis van de UNAMID-missie van de Afrikaanse Unie, en tekenen zich de contouren van een stad af.

Een rebel springt uit de laadbak en geeft een automatisch wapen aan de chauffeur. De chauffeur laadt het wapen door met een harde klik, en zet het naast zich tegen het portier. Twee handen gaan aan het stuur, de blik strak vooruit. Zijn rechtervoet trapt het pedaal bijna door de bodem. De auto raast over de vlakte. Struiken sneuvelen, boompjes schieten rakelings langs. Af en toe schiet de blik van de chauffeur van links naar rechts om te zien of er vijandelijke troepen naderen. Wij kijken gespannen mee. De UNAMID-basis laten we links liggen. De stad is opeens dichtbij. Zonder vaart te minderen scheuren we door de verlaten straten, ontwijken slapende ezeltjes en lege kraampjes op een verlaten markt. Het volgende moment zijn we de stad al uit en scheuren we over smalle weggetjes. We vliegen slechts twee keer uit de bocht.

Een half uur later, of een uur of twee later, lacht en praat iedereen opgelucht. We zijn door de linies heen geglipt. Wij zullen onze weg te voet en op ezeltjes vervolgen het berggebied in. Het is de enige manier om Jebel Marra in te komen, andere routes zijn nog gevaarlijker. Het berggebied Jebel Marra - ons reisdoel - ligt in het hart van Darfur. Het is een van de laatste gebieden die nog door de rebellen worden gecontroleerd. Tienduizenden ontheemden leven daar volgens de onafhankelijke Soedanese radiozender Radio Dabanga - die als betrouwbare nieuwsbron bekend staat en een groot netwerk in de regio heeft.

Vaak op winderige berghellingen en in grotten hoog in de bergen, zonder enige vorm van hulp. Ze zijn op de vlucht voor de aanvallen van het regeringsleger en milities. Dagelijks worden hun steden en dorpen gebombardeerd, steeds vaker, al zijn er geen officiële cijfers. Want de Soedanese overheid heeft dit gebied omsingeld en hermetisch afgesloten sinds de start van de militaire campagne 'Allesbeslissende zomer' (Decisive Summer) eind vorig jaar, waarin ze de rebellen voorgoed wil verslaan. Hulporganisaties en de tandeloze vredesmissie van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie (UNAMID) krijgen geen toegang tot het gebied. Om er toch door te dringen is onze enige optie deze nachtelijke smokkelroute dwars door een grote stad. Hoe we precies rijden moet geheim blijven, om de mensen die ons hierbij helpen niet in gevaar te brengen.

Aan de rand van Jebel Marra, waar de heuvels overgaan in bergen, ligt het plaatsje Burgu, een typisch Darfuri dorp met huizen van klei en riet, zandpaden en een enkele generator die een paar uur per dag stroom levert. In de afgelopen maanden is Burgu regelmatig doelwit van bombardementen door de regering, zo vertellen inwoners. Wanneer we de plaats binnenkomen is het twee weken geleden dat de laatste bom viel. De Antonov, een oud Russisch vrachtvliegtuig, dropt die dag vier bommen.

Zonder vaart te minderen scheuren we door de verlaten straten, ontwijken slapende ezeltjes en lege kraampjes op een verlaten markt

De 7-jarige Adam was alleen thuis toen de bommen vielen. Hij liep ernstige brandwonden op. © Adriane Ohanesian

Vlammen vreten zich in zijn huid

De zevenjarige Adam Abdel is alleen thuis, vertelt zijn moeder Fatima Musa. Drie bommen doden vee, ezels en beschadigen landbouwgrond. De laatste bom valt op nog geen vijf meter van hun huis. Adam Abdel wordt door de luchtdruk uit het huis geblazen en hij valt op zijn hoofd. Z'n kleren vliegen in brand, vlammen vreten zich een weg door zijn huid. Schreeuwend rent hij weer naar binnen en weet zijn kleren uit te trekken. Buren komen op het gegil af. Zijn moeder komt aanrennen en ziet zijn verbrande handen, zijn gezicht dat een grote brandwond is. Nu beginnen de korsten op zijn hoofd langzaam los te laten en komt wit-roze huid tevoorschijn. Vliegen dringen samen op de plekken waar de huid nog rauw en open is. Op andere stukken van zijn gezicht en lijf zitten nog grote plakkaten verbrande huid. Buiten laten buren de scherpe ijzeren stukken van de bommen zien die de verwoestingen aanrichten. Adam Abdel heeft meer geluk dan veel anderen die de bombardementen niet overleefden. Niemand weet precies hoeveel want officiële cijfers zijn er niet. 

Dieper Jebel Marra in worden de bergen hoger, de hellingen steiler en de paden smaller. Auto's kunnen hier niet komen en zelfs ezels hebben moeite om sommige passen en paden over te komen. Achter elke berghelling ligt een verrassend groene vallei met dorpen en sinaasappel-, guave-, en citrusplantages. Voldoende regenval in combinatie met vulkanische grond, maakt Jebel Marra tot het meest vruchtbare gebied van de hele Sahel.

Maar de dorpen en plantages zijn goeddeels verlaten. Bijna niemand verbouwt nog iets, voedselgebrek ligt op de loer. We zien hoe de dagelijks overvliegende Antonovs de mensen angst aanjagen. Volgens hen zet de Soedanese regering naast bommenwerpers ook raketten in vanaf de grond. Ze jagen de inwoners hoog de bergen in waar ze schuilen en slapen in een van de honderden diepe donkere grotten. 

Al ver voor het eerste ochtendlicht wordt de grot wakker. Een kind begint te huilen, anderen volgen. Een ezel balkt vanuit het dal tegen de bergen op. De grot ligt anderhalf uur klimmen boven de plaats Sarong. De eerste vrouwen komen naar buiten en doen hun behoeften achter stekelige struiken. Een man zet het ochtendgebed in. Binnen in de grot worden tientallen rokerige houtvuurtjes aangestoken. Ze werpen flikkerende schaduwen over de vrouwen en de vele rondscharrelende kinderen die hun handen verwarmen aan de vlammen.

De dorpen en plantages zijn goeddeels verlaten. Bijna niemand verbouwt nog iets, voedselgebrek ligt op de loer.

Hulp van buiten was er vier jaar geleden voor het laatst

De 32-jarige Thuraya Adam Abdel-Razeg leeft met haar man en acht kinderen al weken in de grot. Bommen verwoestten hun huis. Op een staccato toon vertelt ze dat veel mensen in haar dorp Dorsa levend zijn verbrand. Het volgende moment biedt ze een van de zoete aardappelen aan die naast haar pruttelen in een pannetje. Het is haar enige maaltijd voor vandaag en soms heeft het gezin niets te eten. "We sterven hier", constateert ze nuchter.  

Ergens aan de zijkant van de grot zit een oudere vrouw alleen. Tranen rollen over haar wangen. Weduwe Mariam Taja Muhammed huilt van angst en ellende om haar verwoeste leven. Een bommenregen op het plaatsje Wadi Torro vaagde niet alleen haar huis met al haar bezittingen erin weg, maar de scherven reten ook een mannelijk familielid in tweeën. Een ander familielid werd geraakt in zijn schouder, vertelt Mariam Taja Muhammed. "We hebben ze allebei in hetzelfde graf moeten begraven."

Waarom de Soedanese overheid haar dorp bombardeert, weet ze niet. "Wij zijn maar arme burgers die hard werken op het land. We hebben geen idee. Wat hebben wij de overheid misdaan?" Af en toe eet ze iets, maar haar buik doet zeer en door haar opgezwollen keel kan nog geen stukje ei. Naar een dokter kan ze niet. Zelfs als ze geld zou hebben is er in de wijde omtrek geen dokter te vinden, laat staan een functionerend ziekenhuis. De mensen met een beetje medische kennis die in het gebied rondom Sarong leven, kunnen niet aan dure medicijnen komen. Die zijn alleen te koop in de steden die in handen zijn van de overheid. Terug naar beneden durft ze niet, net als de meeste anderen in de grot. "Ik ga pas terug naar mijn dorp als Omar (Al-Bashir, de president red.) stopt met ons bombarderen. Tot die tijd blijf ik in hier en kijk ik de dood in de ogen."  

De duizenden ontheemden die niet in de buurt van grotten wonen, leven verspreid op bijna kale berghellingen. Ook zij zijn gevlucht voor het geweld aan de rand van Jebel Marra. Meestal konden ze op hun vlucht niet meer meenemen dan een deken om op te zitten en een paar pannen. Amnad Mohamed, een 29-jarige moeder van zeven, deelt samen met vijf andere gezinnen de schaduw van een boom vlakbij het dorpje Kome om aan de hitte te ontkomen. En altijd is er de harde wind die de longen vol stof blaast. Haar kinderen zijn ziek door koude nachten, gebrek aan eten en stof.

Er is een tijd geweest dat er hulp van buitenaf kwam. Ze herinnert zich hulpverleners met namen als Stella en Anna uit België en Nederland die voor grote hulporganisaties werkten. Zij brachten een deken, wat eten en een lap plastic. Maar dat was in 2010 of 2011. Daarna hebben zij en alle andere ontheemden nooit meer een hulporganisatie in Jebel Marra gezien. "Unicef heeft dit jaar wel geprobeerd Jebel Marra in te komen maar ze zijn tegengehouden door de Soedanese overheid", zegt ze. Kome en omgeving is een van de weinige plekken waar ontheemden nog naar toe kunnen vluchten, omdat het onder controle staat van de rebellen.

Altijd is er de harde wind die de longen vol stof blaast. Haar kinderen zijn ziek door koude nachten, gebrek aan eten en stof.

darfur

Als we met de rebellen over de bergpaden naar de frontlinies lopen, komen we gezinnen tegen die hun huizen verlaten en juist de andere kant opgaan. Wat voedselreserves, tafeltjes en ander huisraad hebben ze op ezels gebonden, of de vrouwen dragen het op hun hoofd. De rebellen kunnen de burgers in de dorpen op de vlakte nauwelijks beschermen tegen de regeringstroepen en milities, en ook tegen de bombardementen halen ze niets uit.

Het berggebied is daarentegen relatief eenvoudig te verdedigen tegen de troepen op de vlakte. De mannen stationeren  zich aan de randen van Jebel Marra op strategische plekken. Vanuit een schuttersputje turen ze door een verrekijker naar de bewegingen van de Soedanese troepen op een heuvel aan de andere kant van het dal. De militairen kijken ongetwijfeld terug en zien dan een bont gekleed gezelschap van mannen van wie de meesten niet ouder zijn dan midden twintig. Sommigen hebben een uniform aan, anderen lange regenjassen met daaronder een kleurig t-shirts. Om hun hoofd zitten tulbanden gewikkeld.

Normale jongens die ooit naar school gingen, hun ouders hielpen op het land en de geiten hoedden. Toen de oorlog dichtbij kwam, sloten ze zich aan bij de rebellengroep. Vaak is hun familie gedeeltelijk of helemaal uitgemoord, hebben ze alles verloren en geen andere plek meer om naar toe te gaan. De 24-jarige Mousab Faisal Abdul Hamed is een van hen. Zijn zachte gelaatstrekken en vriendelijke ogen verharden als hij spreekt over de oorlog. "Ik zag een vrouw die een paar dagen daarvoor was bevallen. De milities gristen de baby uit haar armen en doodden het kind." Hij vertelt hoe milities jongens die iets ouder zijn dan hij in een hut bijeen dreven en verbrandden. "Dat was het moment dat ik bij de rebellen wilde."  

Mochten de rebellen Jebel Marra verliezen, dan dreigt een slachting onder alle mensen die nu schuilen in de bergen, meent een lokale commandant van het rebellenleger. Buiten  het berggebied verliezen de rebellen veel terrein, door gebrek aan coördinatie met andere groepen, wapens en geld. Steden en dorpen zijn al in handen van het regeringsleger en de rebellengroepen kunnen zich vaak alleen nog maar verplaatsen langs smokkelroutes. Hoewel de mannen vaak grote woorden gebruiken - revolutie, democratie en overwinning - is het maar de vraag hoe lang ze het nog volhouden.  

Vandaag echter lijkt een rustige dag en kan Mousab Faisal zijn wapen laten rusten. De zon schijnt en de wind is even gaan liggen. Rebellen bungelen met hun benen over de rotsen. Dat het er ook heftig aan toe kan gaan bewijzen de lege patroonhulzen op de grond. Kogelriemen liggen netjes opgerold als een slang, klaar om afgevuurd te worden mochten Soedanese troepen de berg opnieuw bestormen. Sommigen kunnen dat niet navertellen, zoals de man die al vier dagen in de volle zon heeft gelegen.

De stank van verrot vlees is als een muur waar je verblind tegenaan loopt. Het zwart geworden lichaam ligt tussen de groene plantjes met cherrytomaatjes. Vliegen kruipen uit zijn mond en in zijn holle borstkas zitten vier kogelgaten. Het enige kledingstuk dat hij nog aan heeft is op zijn enkels getrokken. De rebellen zijn niet van plan hem een waardige begrafenis te geven. Verderop liggen nog twee mannen van wie een zijn Soedanese uniform nog wel draagt. Hun poging om toegang te krijgen tot Jebel Marra is nog niet gelukt.    

Dit verhaal is mede tot stand gekomen door het Postcode Loterij Fonds van Free Press Unlimited en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.  

De stank van verrot vlees is als een muur waar je verblind tegenaan loopt. Het zwart geworden lichaam ligt tussen de groene plantjes met cher­ry­to­maat­jes.

Deel dit artikel

Zonder vaart te minderen scheuren we door de verlaten straten, ontwijken slapende ezeltjes en lege kraampjes op een verlaten markt

De dorpen en plantages zijn goeddeels verlaten. Bijna niemand verbouwt nog iets, voedselgebrek ligt op de loer.

Altijd is er de harde wind die de longen vol stof blaast. Haar kinderen zijn ziek door koude nachten, gebrek aan eten en stof.

De stank van verrot vlees is als een muur waar je verblind tegenaan loopt. Het zwart geworden lichaam ligt tussen de groene plantjes met cher­ry­to­maat­jes.