Ik wilde of het leger in, of het klooster

home

FOTO'S PATRICK POST MONTAGE ISABEL BRITO

Ze sluit zich al tien jaar lang op om God te zoeken. En niet omdat het leven buiten de muren van het klooster haar zwaar viel. Zuster Emmanuël (30) vertelt wat er van je overblijft wanneer je alles loslaat.

Op haar zevende valt Véronique Maas in slaap met een brief naast haar kussen. Voor haar vader en moeder, die 's avonds laat altijd nog even bij haar komen kijken. Met zwarte stift is er in kinderhandschrift geschreven: "Ik wil het klooster in." Die middag had Véronique op tv een film gezien over Franciscus van Assisi en zijn goede vriendin Clara, die in de dertiende eeuw allebei een eigen klooster begonnen. "Dat wilde ik ook."

Toen ze op haar twintigste intrad was Véronique, vanaf dan zuster Emmanuël, de jongste non van Nederland. Nu, tien jaar later, woont ze nog steeds opgesloten tussen de muren van het klooster in Megen, vlak langs de Maas.

Een gracht en een oude muur belemmeren het zicht op de abdij vanaf de straat - en andersom. Tot in de jaren zestig waren de ramen voorzien van tralies, met naar buiten gerichte ijzeren punten. Die zijn inmiddels verwijderd. Het klooster is nu ook open voor gasten.

Vijf keer per dag, 365 dagen per jaar, komen de twintig zusters van Megen samen in de kapel. Donkere habijten, ijl gezang, zelfs tijdens maaltijden geen woord mogen zeggen: alsof je de filmset van 'The Sound of Music' oploopt.

Bij wijze van croutons serveren de nonnen hostiesnippers in de soep. Stervormige restjes die overblijven uit de hostiebakkerij - nadat de rondjes uit een lap deeg gestanst zijn. Niet omdat er iets heiligs aan de hand zou zijn met de snippers. Hosties worden door een priester gewijd tot lichaam van Christus. De snippers moeten op omdat de zusters matigheid hooghouden. Franciscus van Assisi ruilde zijn comfortabele bestaan als Italiaanse koopmanszoon in voor een leven in armoede - en dus proberen zijn vrouwelijke volgelingen tot op de dag van vandaag niets te verspillen.

De nonnen in Megen leven zwijgend. Alleen 's morgens praten ze een kwartier, 's middags een half uur, een keer per week is er 'huiskapittel': een vergadering over het werk, en eens per zes weken is er een gesprek over kwesties van zusters onderling.

Hoe kan het dat een kind non wil worden?

"Het is begonnen op die woensdagmiddag, het was Dierendag, dat ik een film op tv zag over Franciscus en Clara. Dat wilde ik ook. Een paar dagen later nam mijn vader een boekje mee over Franciscus. Een paar jaar later vertelde mijn vader over de zusters in Megen. Ik schreef ze een brief, en ik kreeg er een terug. Bij hoge uitzondering mocht ik twee dagen langs komen. Zo mooi vond ik het. Ik wilde zo snel mogelijk weer.

Maar goed, dat mocht dus niet van de nonnen. Ze laten je pas op je achttiende toe als gast. Elke zomervakantie bracht ik er een paar dagen door.

Ik wilde drie dingen: boerin worden, het klooster in, of het leger in. Voordat ik intrad heb ik nog stage gelopen bij de landmacht. Ik vond het stoer. De discipline heeft het leger gemeen met het klooster.

Toen ik bleef volhouden dat ik wilde intreden, en mijn moeder niet meer kon zeggen: 'Ze is nog maar een kind', kreeg ze het er wel moeilijk mee. Omdat ze dacht: ik raak mijn dochter kwijt. Met regelmaat komen mijn ouders hier op bezoek. Vier, vijf keer per jaar.

Wat me als kind zo trok in het kloosterleven weet ik zelf ook niet meer. Ik wist dat het bidden was, meer niet. Ik werd ouder, en wilde laten zien hoe nabij God is. Daarom koos ik voor de naam 'Emmanuël'. 'God met ons', betekent dat. Ik wilde mezelf helemaal aan God geven."

Hoe is het om je 'ik' op te geven?

"Maar ik heb mijn zelf niet afgelegd. Juist niet. Alleen de maskers die ik droeg. Om ons toonbaar te maken voor anderen doen we ons vaak anders voor. Hoe je moet zijn, wat je zou willen zijn - dat soort dingen laat je in het klooster los.

Ik ben doof, maar verder kan ik alles. Jarenlang leefde ik vanuit de gedachte: ik moet laten zien wat ik kan, en wat ik kan, moet ik goed doen. Of beter, of meer. Hier ervaar ik dat het niet gaat om wat ik doe, maar om wie ik ben.

Dingen verbloemen, je leuker voordoen dan je bent, op den duur gaat dat gewoon niet meer als je zo dicht op elkaars lip zit. En je ontdekt dat dat niet meer hoeft. Dat vind ik het bevrijdende van het leven in het klooster. Ik hoef hier niets op te houden."

Blijft er dan wel iets van je over?

"Aanvankelijk was ik bang van niet. Wie ben ik nog als ik alles loslaat? Ik vond het altijd verschrikkelijk wanneer ik iets niet had verstaan. In mijn ogen faalde ik dan. Hier leer ik dat het niet gaat om wat ik allemaal kan. Je moet dingen niet doen om er zelfrespect aan te ontlenen, maar uit dankbaarheid, of als bijdrage aan het geheel.

Leven in armoede gaat voor mij niet alleen over materiële zaken. Echte armoede wil zeggen dat ik onder ogen durf te zien dat ik niets nodig heb om iemand te zijn. Zo word ik langzamerhand steeds meer mezelf."

Het klinkt allemaal zo absoluut. Heeft u nooit de neiging hoeven onderdrukken om gillend weg te rennen?

Stellig: "Nooit. Vlak voor ik intrad werd ik geïnterviewd door een journaliste van NRC Handelsblad. Zij vroeg me wat ik het meest zou missen. Ik kon niets bedenken. 'Frites misschien?', probeerde ze nog. Maar nee. Echt, tien jaar later zou ik nog geen antwoord op die vraag weten."

Er is toch wel iets op te noemen dat u zwaarder valt dan verwacht?

"Ik kan mezelf niet ontlopen. De stilte werpt je helemaal terug op jezelf. Er is geen enkele vorm van afleiding. Daarvan had ik me van tevoren niet kunnen indenken hoe confronterend het is om alles onder ogen te zien. Iemand met een drukke baan kan heel goed om zichzelf heenlopen - almaar bezig zijn bant reflectie uit. Vroeger hielp het om een filmpje te kijken als ik me rot voelde, maar dat kan hier niet zomaar.

Met mijn doof-zijn heb ik het hier om die reden moeilijker gehad dan buiten het klooster. Het gaat met pieken en dalen."

U komt niet introvert over.

"Dat klopt wel. Ik ben totaal niet gesloten."

Maakt dat het moeilijker om non te zijn?

"Het is echt een misvatting dat een non introvert moet zijn. Misschien zijn er wel wat meer introverte zusters, maar dat heeft behalve met karakter ook van doen met een generatieverschil. Over gevoelens spreken is iets van deze tijd.

Ik weet me soms geen raad met zusters die erg naar binnen gekeerd zijn en nooit iets zeggen. Als je ergens mee zit, praat erover. Laat jezelf kennen.

Te veel naar binnen gekeerd zijn belemmert het gemeenschapsleven. Wij leven hier met twintig vrouwen in een huis. Werken samen, eten samen, bidden samen. Is er iets voorgevallen tussen mij en een zuster, dan moet ik daar iets mee. We staan even later wel weer naast elkaar in de kapel. Je kunt hier niets en niemand ontlopen."

Wanneer erger jij je aan de andere nonnen?

Het blijft even stil. Dan: "Ik erger me best vaak aan andere zusters. Als iemand de kantjes er van afloopt, vind ik dat niet kunnen.

Maar goed, dat soort irritaties zeggen net zoveel over mijzelf. Misschien wel meer."

Eigenlijk is een klooster een laatste restant van een samenleving die niet 'ik' maar 'wij' hooghield.

"Het woord 'restant' vind ik niet fijn. Toen Clara met de orde begon waren er immense standsverschillen, waar zij in haar klooster lak aan had. Contrast met de buitenwereld is er altijd geweest. Dat wil nog niet zeggen dat we daarom zouden verdwijnen.

In een individualistische maatschappij kies je mensen uit die bij je passen. Wij laten zien dat het ook anders kan. Ik kies voor de gemeenschap. Maar er zijn mensen bij die ik van mijn leven niet zou hebben uitgekozen. Dat we toch in liefde met elkaar leven is een soort godsbewijs."

Waarom het klooster ingaan als je ook voor de voedselbank kunt werken, of in een weeshuis in India?

"Natuurlijk, er is zoveel in de wereld waar ik iets aan zou willen doen: armoede, honger. In gebed kun je er voor iedereen zijn. Dit is mijn weg. Hier moet ik zijn. Zo voelt het."

Van bidden weet je niet of het helpt.

"Nee. Als ik ergens voor bid, en als wat ik vroeg gebeurt, kan ik nog niet zeggen dat het is vanwege mijn gebed. Iemand die voor de klas staat of achter een bureau werkt ziet resultaat van zijn werk - hoe klein ook. Ik niet. Het is niet aan te wijzen.

Mijn zus zei over mijn intreden ook zoiets. Ze ziet het nut van mijn leven niet in."

Au. Wat zei u?

"Ik snap wel wat ze bedoelt. Eerst zei ik altijd: ons leven heeft misschien geen nut, maar wel zin. Dat zou ik niet meer zo zeggen. Want in wezen verklein je God daarmee tot een antwoord op de vraag naar de zin van een mens. Alsof God niet veel eerder naar ons vroeg.

Na dit inzicht dacht ik wel: goh, nu weet ik helemaal niet meer wat ik over het nut of de zin van ons leven moet zeggen. Ja, behalve dat we mensen aan God herinneren door onze stille aanwezigheid."

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie