Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ik kan huilen van blijdschap, echt waar

Home

door Arjan Visser

Jozef van den Berg (Beers, 1949) was poppenspeler, toneelschrijver en acteur tot hij in september 1989 zijn publiek vertelde dat God hem had gevraagd een voorstelling-over een zoektocht van een acteur naar de schrijver van het stuk-niet langer te spelen, maar te leven. In 1991 verliet hij vrouw en kinderen en trok, met zijn theaterkist, naar Neerrijnen. De eerste twee jaar woonde Van den Berg in het fietsenhok van het gemeentehuis. Toen hij daar moest vertrekken, stelden buurtgenoten een stukje van hun tuin beschikbaar. Daar woont hij nog altijd, in een hutje van twee bij anderhalve meter. Hij leeft van wat mensen hem brengen. Hij bidt, leest, schrijft en luistert 'naar de zachte stem van God'.

1. GIJ ZULT...

,,Weet je, Arjan, dit is voor mij een belangrijke gebeurtenis. Ik heb heel erg lang over jouw verzoek nagedacht. Ik heb tot God gebeden: 'Heer, wilt U dat ik dit doe?' Het zijn dierbare, tedere, maar ook grote zaken waarover we zullen spreken. En natuurlijk past hier alleen de grootste nederigheid. Ik kan niet zomaar wat gaan zitten kletsen. Voor mij zijn de tien geboden een voorafbeelding van het laatste, het grote gebod van Christus, van onvoorwaardelijke liefde, zelfs voor onze vijanden. Het 'moeten' uit het oude testament, de wet, is, door de komst van Christus, door Zijn liefde, tot een 'mogen' geworden, dat nog dieper gaat. Dat is het grote wonder wat de wereld nodig heeft om de tien geboden te kunnen begrijpen.

Ik zal het je proberen uit te leggen.

Stel, een man heeft een vrouw leren kennen, maar nog nooit gezien. Ze schrijven elkaar. Op een keer laat zij weten: 'Als je wilt dat ik jouw vrouw word, moet je iedere zaterdag bloemen voor mij kopen.' Ze stelt haar eisen. Nou, denkt de man, die vrouw heeft veel noten op haar zang... Maar goed, hij laat het gebeuren en op een dag gaat hij naar het station om haar van de trein te halen. Hij ziet haar uitstappen en kan zijn ogen niet geloven. Zo'n lieve, mooie vrouw! En hij bedenkt ter plekke dat hij niet alleen op zaterdag, maar alle dagen bloemen voor haar zal kopen. Begrijp je? Het 'moeten' verdwijnt. Je kunt God niet liefhebben omdat het moet. Die liefde wil God bij ons opwekken. Niet omdat Hij dat nodig heeft om gelukkig te zijn, maar omdat Hij wil dat wij gelukkig zijn.''

,,Kijk, de mens is God kwijt. Hij is, na de val van Adam, in een geestelijke duisternis geraakt en God doet al het mogelijke om dat gevallen wezen weer met Hem in verbinding te brengen. En de weg die God gaat-vanaf Abraham, met het joodse volk, tot Zijn eigen menswording in Christus-is in feite niets anders dan één grote voorbereiding om uit te komen bij onze vrijwillige gehoorzaamheid, bij die overgave, bij die ontmoeting op het perron.

Je hebt gelijk: het wil niet echt vlotten met die ontmoeting. Dat komt doordat God ons niet alleen liefde, maar ook vrijheid schenkt. We zijn als woorden die zelf besluiten in welke regel, op welke pagina ze gaan staan. God is de Schrijver en toch verloedert het boek.

Ja, Hij schept in wezen iets wat hem tegenwerkt: de eigen wil. Er is een mooi verhaal over een priester die door een man op de proef wordt gesteld die hem, een beetje lacherig, vraagt: 'Dus God kan een steen scheppen die Hij zelf niet kan optillen?' Het is even stil. Wat een listige vraag, denkt de priester. En dan antwoordt hij: 'Inderdaad, dat kan Hij. En die steen, dat bent u'.

De mens kiest voor zichzelf, je ziet het in de wereld gebeuren. De mens roept: 'Ik, ik, ik!' Hij denkt vrij te worden, maar in feite is hij de slaaf van zijn eigen hartstocht. God wil ons leren wat liefde is. Liefde is: je totaal wegschenken, zoals Christus ons heeft voorgedaan. Hij dwingt ons niet, Hij nodigt ons uit zijn voorbeeld op onze eigen plek, in het klein-en misschien steeds groter-na te leven.''

,,God heeft mij op een wonderlijke manier geroepen.

Ik was, voor de ontmoeting mij overkwam, lid van een groep die de mystiek uit het Verre Oosten bestudeerde. Geen gebed, maar meditatie; op zoek naar mijzelf, naar zelfbewustzijn, of hoe je dat ook wilt noemen. Ik bewandelde die Oosterse weg, maar kwam innerlijk niet meer echt verder. Diep in mij was een eenzaamheid ontstaan die ik toen niet onderkende.

Op een dag, in 1988, werd mijn broer Aloys dodelijk ziek. Ik was radeloos. Ik móest iets doen om hem te redden, maar er was geen God in mijn leven tot wie ik kon bidden. Toen ben ik in het theater een zoektocht op leven en dood begonnen. Ik schreef het stuk 'Genoeg gewacht' waarin ik mij eigenlijk richt tot Samuel Beckett die in zijn stuk 'Wachten op Godot' een paar arme zwervers voor niets op Godot laat wachten. Genoeg gewacht Beckett! Godot moet komen en mijn broertje redden. Ik kwam in opstand, niet alleen tegen de ziekte van Aloys, maar tegen de toestand in de wereld. Ik was als een verslaggever bij een ramp: ik zocht de persoonlijke tragedie van een eenling om de wereld te vertellen wat ons allemaal was overkomen. Ik schreef over een jongeman die de schrijver wil ontmoeten van het stuk waarin hij speelt. En al schrijvende, al spelende, ontdekte ik dat er iets niet klopte. Steeds weer paste ik de voorstelling aan. Tot die ene middag, in de kleedkamer van schouwburg De Singel... Ik wilde de acteur, de jongeman die op zoek was naar de schrijver, de volgende zin laten uitspreken: 'Waarom zie je niet dat Ik niet komen kan, omdat Ik er al ben?' En terwijl ik deze zin opschreef, overkwam mij ineens een onuitsprekelijke liefde waarin God zelf zich aan mij openbaarde. Ik ervoer dat God zich, via mijn pen, tot mij richtte: 'Waarom zie jíj, Jozef, steeds maar niet dat Ik niet komen kan omdat Ik er al ben?' Ik zag dat al mijn voorstellingen naar dit ene moment hadden geleid. Hier kwam alles samen. Uiteindelijk ben ik vijf minuten voor aanvang het podium opgestapt om de mensen in de zaal te vertellen dat er een einde was gekomen aan mijn leven in het theater. Ze dachten dat het een grapje was, maar het was de werkelijkheid, de waarheid: God had mij laten zien dat ik deze ervaring niet meer kon spelen, maar moest leven. God had zich als mijn Schrijver geopenbaard. Snap je wat ik bedoel?

Stel je voor dat de woorden in een boek met elkaar beginnen te praten en de een aan de ander vraagt: 'Denk jij dat er een schrijver is?' Hoe anders kunnen ze de schrijver leren kennen dan wanneer de schrijver zich openbaart? Vader Sophrony zegt: 'Dieu pense le monde.' God denkt de wereld. Je kunt Hem niet bevatten. Je kunt degene die jou omvat niet ook omvatten. Dat gaat niet. Alleen met je diepe hart kun je Hem ontmoeten. En daar zit voor velen het probleem: hoe doe ik dat? Hoe herken ik God? Het is als met gedachten. Een hersenchirurg vindt in het hoofd heus geen gedachten. Ze zijn er wel, maar hij vindt ze niet.''

,,Na mijn stoppen, begon een moeilijke periode. Ik moest geestelijk opnieuw leren lopen. God had Zijn licht op mij laten vallen en al mijn tekortkomingen, al mijn fouten werden zichtbaar. Als je bij maanlicht het huis schoonmaakt, valt het allemaal best wel mee, maar zodra de zon opkomt zie je: mijn God, wat heb ik er een bende van gemaakt! Ik zag een mens die altijd aan zichzelf had gedacht, een zondaar. Na het berouw en de tranen, en een lange reis door een inktzwarte nacht, keerden God en zijn vrede weer langzaam tot mij terug en begon ik met het schrijven van mijn voorstelling 'De Ontmoeting' waarin ik mijn publiek deelgenoot wilde maken van hetgeen mij in Antwerpen was overkomen. Precies op dat moment, toen al deze dingen zich voltrokken, vroeg God mij voor een tweede keer het verhaal te 'zijn' in plaats van het te spelen. Zo heb ik uiteindelijk, ook heel onverwacht voor mijzelf, mijn vrouw, mijn vier kinderen, alles en iedereen verlaten en ben ik de weg gegaan die Hij mij gaf te gaan.

Natuurlijk waren er mensen boos, anderen bezorgd of verdrietig... Moet je je voorstellen: als je man sterft, kun je z'n graf bezoeken, maar hoe moet je verder leven als hij een eindje verderop in een fietsenhok gaat zitten? En de kinderen... Wat moesten ze antwoorden, als iemand hen zou vragen: wat doet je vader eigenlijk? Ik heb God altijd gebeden dat ze bewaard zouden blijven voor pesterijen en Hij heeft mijn gebed verhoord. Ze hebben het goed verwerkt. Ze staan met beide benen in de wereld, voelen zich uiterst verantwoordelijk. Lotte, de oudste, is regisseuse. Heel bevlogen en dapper bezig. Maartje is al dokter, ze wil kinderarts worden. En Jasmijn en Jesse zijn ook goed op weg... Mijn gezin is natuurlijk net zo belangrijk voor God als dat ik dat ben. God heeft hen onder Zijn hoede genomen.

,,Laatst was mijn moeder hier. Ze is 91, maar nog heel helder. Ik weet nog dat ze mij voor het eerst bezocht in het fietsenhok. Met pakken melk en schone onderbroeken. Ze zette haar tassen neer en heeft de hele middag zitten huilen. Maar ze zei ook: 'Er moet wel iets van waar zijn, anders zou je het niet volhouden.' Mijn vader zou er veel meer onder geleden hebben. Hij maakte zich altijd zorgen om zijn kinderen. We waren met z'n elven. Een meisje, Yvonneke, is in de oorlog, na een paar weken gestorven. Mijn vader was onderwijzer, later boekhouder, accountant. We woonden in het oude gemeentehuis, Huize Maasouwe, een prachtig huis met een enorme tuin er omheen waarin mijn vader en ik iedere zaterdag samen een vuurtje stookten.

Toen ik twaalf jaar was, werd hij ziek. Ik zat op het bisschoppelijk college in Roermond. Al mijn baldadige broers-die meer van meisjes dan van boeken hielden- waren daar op school gegaan. Ze kwamen eens per maand thuis en vertelden bij het haardvuur in 'de mooie kamer' stoere verhalen die mijn vader deden huiveren: ging daar al zijn goede geld aan opt Toen hij mij vroeg: 'En, Jozef, waar wil jij naar school?' wist ik het meteen: Roermond. Dat wilde ik wel meemaken. Ik zat nog niet lang op het college toen ik op een dag bij priester Heuvelmans, de godsdienstleraar, werd geroepen. Daar zat mijn broer Ben. Hij zei dat ik onmiddellijk mee naar huis moest komen omdat vader het heel slecht maakte. Hij was al een tijdje ziek maar ik denk dat mijn moeder voor ons, althans voor mij zeker, verborgen hield hoe ernstig hij er aan toe was. Ik had die zondag nog even bij hem op bed gelegen. En nu stond mijn broer daar, een of twee dagen later. Vader was toen al dood, maar Ben wilde het mij nog niet vertellen. Ik hoor nog hoe priester Heuvelmans zei dat vader 'een goed mens was' en ik herinner mij dat ik dacht: was? Hoezo: was? Ik heb mijn vader altijd geeërd met het verhaal over Mannetje Pluim. In mijn familievoorstelling kwam dit poppetje steeds terug. Ik vertelde dat ik het vlak voor zijn dood van mijn vader had gekregen met de woorden: 'Dit poppetje is voor jou. Je mag het niet verliezen, want jongen, als je vergeet dat je klein bent geweest dan word je later onherroepelijk een vervelend groot mens.'

Kort nadat mijn vader was gestorven, kwamen er twee acteurs van Zuidelijk Toneel Globe bij ons op school. De directie had besloten een toneelstuk op te voeren. Het stuk heette 'Sisyphus en de dood'. Sisyphus die de pen van de dood had gestolen, zodat er niemand meer kon sterven. Ik deed auditie en kreeg, o wonder, de hoofdrol. Wat was ik gelukkig. Uiteindelijk ben ik naar de Toneelschool gegaan die ik, tot groot verdriet van mijn moeder, al weer na een jaar verliet. Ik werd verliefd op een vrouw, ging met haar samenwonen in Groningen. 'O, o, o, als vader het wist...' zei moeder. Ik begon een poppenkast, trok met een pony langs de weg en sliep in een klein karretje-'Maar jongen toch!'-dat kón nergens anders dan in een fietsenhok eindigen! En toch heeft ze zich nooit van mij afgewend. Ze is altijd blijven komen en doet haar best mij te begrijpen. 'Waarom zit je hier ook al weer, jongen?' 'God vraagt mij dit te doen.' 'O ja.' Ze gelooft in God en is altijd een trouw lid gebleven van de katholieke kerk. Toch heeft God mij, na mijn ontmoeting, niet teruggevoerd naar deze kerk, de kerk van mijn jeugd. Ik begon, tot mijn eigen verwondering en verwarring, te zien dat het licht dat ik had ontmoet mij in deze kerk niet tegemoet kwam en langzaam drong het grote verschil meer en meer tot mij door...''

,,Misschien moet ik je eerst nog iets vertellen over een gebeurtenis die aan mijn bekering vooraf is gegaan. Afke, een vrouw uit onze 'Oosterse' groep, kwam bij een ernstig verkeersongeval om het leven... Er werd in haar portefeuille een briefje gevonden waarop stond: 'Mocht ik onverwacht komen te overlijden, dan wil ik orthodox begraven worden'. Zo ben ik, op haar begrafenis, met de Heilige orthodoxe kerk in aanraking gekomen. Toen ik voor het eerst mijn geestelijk vader, vader Porphyrios, in Athene ontmoette en begon te vertellen over mijn wonderbaarlijke ontmoeting met God, zei hij: 'Stil maar Jozef.' Hij wist hij alles al.

Hoe ik weet dat dit het ware geloof is? Daar denk ik heel veel over na... We zijn geneigd God aan het hoofd van een bonte verzameling van geloven en religies te zetten. Eigenlijk beledig je God daarmee, die toch een God van eenheid is. De Heilige orthodoxe kerk is vanaf het begin af aan de ononderbroken, apostolische, katholische kerk geweest. Er is één kerk, één geloof en één prediking. Ik heb mij die prediking wel eens voorgesteld als het mysterievolle licht van een kaars. Stel dat we op een dag besluiten dit kaarslicht te vervangen door een elektrische kaars? Dan krijg je een andere prediking. En omdat de vruchten van die prediking niet meer kloppen, gaan we op zoek naar een andere, een betere prediking en kiezen dan voor het TL-licht. Wéér een andere prediking, nog verder van de bron, begrijp je? We moeten het licht vasthouden dat Christus door zijn apostelen en hun opvolgende vaders in de wereld heeft gebracht. Het ware licht. Als we dit licht niet omhelzen, zal het steeds donkerder worden op aarde... We moeten bereid zijn alles wat wij denken te weten los te laten. Te volgen. We denken als onszelf gelukkig te zijn, maar dit geluk is o zo wankel. Er is een veel dieper, stabiel geluk: Gods genade. Die moeten we zoeken. Omdat we dat niet doen, strandt ieder vredesproces en zijn alle roadmaps to freedom onleesbaar. Zonder Gods hulp komen we niet verder dan oog om oog, tand om tand, of nog erger.

Wacht, ik gooi nog wat hout in het kacheltje... Zo, da's beter.''

Je vraagt me of ik een profeet ben, of God de wereld wil redden via mij... Eigenlijk moet je nu schrijven: hij zweeg. Je moet een mysterie een mysterie laten. Maar natuurlijk heeft God met dit alles een bedoeling. Hij wil ons op een nieuwe manier ontmoeten, niet via een toneelstuk maar in de werkelijkheid. Het is mijn grote hoop en verwachting dat Hij ons iets zal geven; dat Hij aan de wereld zal laten zien wat mij heeft laten zien. Ik verlang er zo ontzettend naar dat God zich aan iedereen zal laten kennen zoals Hij zich aan mij heeft laten kennen. Dat ze zien dat het waar is. Dat ik niet in de war ben. Je moet denken dat ik nooit op de proef word gesteld. Soms is het zo koud. Soms staat het water mij tot aan de lippen. Maar een echte, diepe twijfel is er nooit. Ik zit hier. Ik leef van wat de mensen mij komen brengen. Ik lees, ik schrijf , ik bid en... ik kan huilen van blijdschap, echt waar. Zo goed als de Moeder Gods voor mij is...''

,,Weet je wat nu zo wonderlijk is? Toen jij besloot dat je vandaag langs zou komen, heb ik de daglezing er alvast op nageslagen. Alle orthodoxe christenen, over de hele wereld, lezen vandaag uit het evangelie een tekst die precies past bij wat wij nu besproken hebben. Dan kun je zeggen: 'Ja, Jozef, dat is gewoon toevallig', maar ik ben ervan overtuigd dat God zich met ons wil bemoeien. Hij zoekt, keer op keer, manieren om zijn kinderen te bereiken. Jij bent hier niet zomaar. Het is Gods hand die ons bij elkaar heeft gebracht. Ik zal mijn bijbel even pakken en je voorlezen wat er geschreven staat. Hier is het, Marcus 12, vers 28 tot 34, luister maar:

'En een der schriftgeleerden, tot hen komende, hoorde, dat zij met elkander redetwistten en overtuigd, dat Hij hun goed geantwoord had, vroeg hij Hem: Welk gebod is het eerste van alle? Jezus antwoordde: Het eerste is: Hoor, Israël, de Heer, onze God, de Heer is een, en gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet. En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt Gij gezegd, dat Hij een is en dat er geen ander is dan Hij. En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers. En Jezus, ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.''

Deel dit artikel