Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ik had het moeten vragen

Home

ADRI VERMAAT

Precies een halve eeuw geleden stierven de weduwe Babs en haar zoon Marcel. Had Adri Vermaat de moordenaar in het vizier?

Zaterdag 8 mei 2010 om 20.41 uur stuurde de mij onbekende man zijn eerste e-mail. "Onlangs kwam ik op internet uw artikel tegen", refereerde hij aan een uit 1993 daterend verhaal in Trouw. Het betrof de onopgelost gebleven dubbele moord die vandaag precies vijftig jaar geleden, in de nacht van vrijdag 8 op zaterdag 9 februari 1963, werd gepleegd aan het Brekelsveld in Rotterdam-Zuid. De slachtoffers waren weduwe Babs van der Hoff en Marcel, een van haar vier zoons.

Ruim een half jaar na de eerste e-mail van de man kreeg ik van een medewerkster van het Gemeentarchief van Rotterdam een potlood in handen gedrukt. Voor mij in het archief, op een van andere bezoekers afgezonderde tafel, lag het persoonlijke dossier dat de Rotterdamse oud-politiechef Jan Blaauw over het onderzoek 'Brekelsveld' had samengesteld. Dat dossier had hij na zijn afscheid van het Rotterdamse korps, in mei 1988, bij het archief achtergelaten.

Er was een formeel verzoekschrift met toelichting nodig geweest om dit dossier met de stempel 'vertrouwelijk' te mogen inzien. Maar in plaats van de gevreesde confrontatie met de bureaucratie gaf het personeel van het archief volop medewerking.

Wel was conform de huisregels het kopiëren van stukken verboden. Uit vrees voor beschadigingen, en misschien ongewenste toevoegingen, was evenmin het gebruik van een balpen toegestaan. Dus schreef ik het dossier vrijwel in zijn geheel over met een van het archief geleend potlood.

Dat ik alles braaf noteerde, was ook om 'in de stemming' te geraken. Zo'n ernstige zaak als deze moorden moet je minimaal een beetje kunnen invoelen.

De geschreven teksten van de recherche, gedetailleerde verslagen en onderzoeksresultaten vooral, lieten weinig aan de fantasie over. De weduwe en haar zoon waren letterlijk afgeslacht. Dat klinkt cru, maar zo was het. De vragen regen zich bij het doornemen van de rechercheverslagen aaneen. Hoe beleefden de slachtoffers hun laatste ogenblikken, hoe angstaanjagend was de blik van hun moordenaar? Of zouden ze niets hebben gemerkt van het moment waarop de dader hen met enorme kracht de hersens insloeg?

Zou de moordenaar, voordat hij met een asbak in zijn hand op de vlucht sloeg, hebben omgekeken naar zijn slachtoffers? Kende hij naderhand wroeging? Heeft hij stilgestaan bij het lot van drie jonge wezen? En het belangrijkste: wie is hij?

Leeft hij nog? Vragen, niet anders dan vragen. De moorden zelf herinnerde ik mij nog uit mijn jeugd, ik was bijna tien. Hemelsbreed op pakweg anderhalve kilometer afstand van Brekelsveld wonend, hoorde ik mijn ouders op gedempte toon over het misdrijf praten.

"Vreselijk, welke onverlaat doet zoiets? Je blijft in de buurt hoor, als je buiten speelt", zeiden zij bezorgd.

Het dossier van superdiender Jan Blaauw over de moorden was heel gedetailleerd en overzichtelijk. Het begon met een gortdroog feitenoverzicht, een deels logistieke schets:

"Brekelsveld heeft een rijtje van vier winkels. De winkels werden aangeduid als 'Brekelsveld' en de woningen van de winkeliers als 'Helmveld', elk met een eigen pandnummering. Babs van der Hoff (38) woonde in pand 3 met Hans (10), Marcel (8), Roelof (7) en Gerard (5). Zij had een goed lopende sigarenzaak. Babs stond in alle opzichten 'gunstig' bekend. Behalve een poging om de sigarettenautomaat eens te kraken, heerste er voor wat betreft de misdaad rust en stilte op het Brekelsveld."

Het rechercheverslag over de memorabele februarinacht kwam snel tot de kern: "Het dichtstbijzijnde politiebureau is aan de Slinge. Daar gaat nachtwaker Evers heen omdat Hans, die hij in de winkel bij de verwarming ziet, blijft huilen. Om 3.08 uur gaat op de politiemeldkamer de alarmlijn 9.4 over. Om 03.10 uur staat een surveillanceauto voor Brekelsveld 3. Later blijkt dat Hans de dokter heeft willen bellen en toen een verkeerd telefoonnummer heeft aangeslagen. De man aan de andere kant van de lijn hoorde, toen hij de telefoon opnam, een kinderstem zeggen: 'Dokter, kom gauw, want mijn moeder en broertje liggen dood in de hal'. Deze burger belde hierop direct de politiemeldkamer. Het is dan precies 03.13 uur als op de meldkamer 'groot alarm' wordt gemaakt. De winkeldeur heeft geen bel. Direct bij het binnenkomen in de hal lag rechts op de vloer de 8-jarige Marcel. Hij lag op zijn rug in een grote plas bloed. Zijn hoofd vertoonde een groot aantal gapende wonden."

Hierna trekken in het dossier details met nog gruwelijker inhoud voorbij. Zij hebben betrekking op de aard van Hans' verwondingen. Het dossier vervolgt: "Enkele passen van Marcel verwijderd lag, eveneens op haar rug, weduwe Van der Hoff. Zij lag eveneens in een grote plas bloed en het hoofd vertoonde tal van grote wonden. Zij was gekleed in een blauwe pantalon, een blauwe trui en laarsjes. Achter het hoofd lag haar bril in een plas bloed."

De man, die mij bijna 48 jaar later ogenschijnlijk vanuit het niets per e-mail aanschreef, vroeg behoedzaam of ik wist of de naam van zijn vader in het politiedossier over deze moorden voorkwam. Nog specifieker wilde hij weten of zijn familienaam in de kaartenbak stond van rechercheur Joop Goudappel, een gerespecteerde oudgediende van het Rotterdamse politiekorps die al lang met pensioen was maar van wie ik wist dat hij zich net als Blaauw uit en te na over het dossier-Brekelsveld had gebogen.

Over de precieze reden van zijn interesse was de man die mij de e-mail stuurde, aanvankelijk vaag. Hij mailde dat hij in zijn jeugd vlak bij Brekelsveld had gewoond. Doelend op de nasleep van de dubbele moord schreef hij: "Mij staat nog zoveel op het netvlies. Wilt u contact met mij opnemen?"

Dat deed ik via de telefoon. Het werd een lang gesprek waarin we elkaar voornamelijk aftastten. Hij dacht, veronderstel ik, ongetwijfeld: is die journalist te vertrouwen? Zelf dacht ik: waarom wil deze man na bijna vijftig jaar alles over deze moorden weten?

Enige illusie dat er licht, laat staan een doorbraak zou komen in de dubbele moord had ik niet. Het was vooral een theoretische mogelijkheid. Maar als journalist zou je gek zijn deze kans, hoe minimaal ook, te laten liggen. Vraag vandaag de dag oudere Rotterdammers naar 'Brekelsveld' en je weet hoe groot de impact was van deze moorden.

Daarnaast was mij snel duidelijk dat de man geen querulant was. Ik stelde vast dat hij een uitstekende baan had, waaraan een intensieve studie vooraf was gegaan. Zonder zich ook maar een moment te schamen voor zijn nette maar eenvoudige afkomst had hij zich op eigen kracht aan dit milieu onttrokken. Hij was een openhartige selfmade man. En hij trof het dat ik net als hij de buurt rond Brekelsveld goed kende. Dat schiep een band.

Soms liepen de gesprekken met de man stroef. Dan was hij zuur en mokte hij over mijn vakantieduur. Zelf was ik soms kortaf tegen hem. Ik stak er best een hoop tijd in maar zolang ik niet over enig houvast beschikte, had zijn verhaal wat mij betreft geen grote urgentie. Uiteindelijk ben ik journalist, geen zelfbenoemd rechercheur.

Welke soms onverwachte wendingen onze gesprekken en e-mailwisselingen ook namen, na verloop van tijd hadden zij telkens dezelfde uitkomst: zijn vermoeden, misschien was het fascinatie, dat zijn vader mogelijk betrokken zou zijn bij de dubbele moord aan het Brekelsveld.

Daar lag ook de reden waarom hij zoveel belangstelling had voor het kaartenbakje van oud-rechercheur Joop Goudappel. Dat bakje was binnen de recherche in de eerste jaren van het onderzoek naar de moord tot een soort bijbel verworden. Jan Blaauw, de politieman die kort na de moorden werd betrokken bij het onderzoek, was ervan overtuigd dat de naam van de dader in dit kaartenbakje voorkwam.

Blaauw, die in zijn boeken en in interviews verteld had dat het uitblijven van een doorbraak in de Brekelsveldmoorden hem bijzonder frustreerde, wil er tegenwoordig niet meer over uitweiden.

Helaas is het kaartenbakje van Goudappel niet boven water gekomen. Goudappel vertelde mij desgevraagd dat hij het zelf nooit in eigen bezit had en evenmin wist hij waar het zou moeten zijn. Behoudens het persoonlijke archief van Jan Blaauw zijn alle binnen de politie bekende onderzoekstukken naar de dubbele moord vernietigd. Heel verwonderlijk is dat niet: de moord is allang verjaard en een eventuele bekentenis, van wie ook, zou of zal nooit tot strafvervolging leiden.

Mede hierom leverde een gesprek op 29 juni 2010 met een vertegenwoordiger van het coldcaseteam van de Rotterdamse politie niets op. Er was beleefd aandacht voor mijn verhaal dat er heel misschien een dader van de dubbele moord in zicht kwam, maar gebrek aan menskracht, in samenhang met de verjaring van dit misdrijf, verhinderde concrete stappen. "Voor de politie heeft het geen zin om hierin actie te ondernemen", werd mij verteld. "Het zou zonde zijn van de tijd, energie en het geld dat we erin zouden steken."

Onderwijl werd de onbekende man die mij had benaderd over de moorden aan het Brekelsveld steeds makkelijker in de omgang. Hij vertelde hoe zijn ouders niet lang na het misdrijf besloten te verhuizen naar een plaats buiten Rotterdam. Nadien waren meerdere verhuizingen gevolgd, steeds verder weg van de havenstad. Weg van de plaats delict, weg van het gevaar ontmaskerd te worden, weg van de waarheid, weg uit het geheugen! Dat was in de kern de boodschap van de zoon.

Zijn ouders leefden nog. Zijn moeder was vroeger al een dominante vrouw, vertelde hij. Zijn vader, omschreven als een eenvoudige man met een baan in de techniek, had minder pretenties. Een gelijkwaardige relatie was er volgens hun zoon niet. De moeder verweet de vader dat hij niet steeg op de maatschappelijke ladder. Hij probeerde zich groot te houden onder deze aanhoudende lawine van kritiek.

Deze obsessie zou, werd mij duidelijk, de bron van het kwaad geweest kunnen zijn - hét motief om Babs van der Hoff te beroven en, ingegeven door angst voor herkenning, haar en haar op het gestommel afgekomen zoon Marcel te doden.

De ouders van de man kenden de weduwe, haar sigarenzaak. Zij kwamen er over de winkelvloer, leverden er de voetbaltoto in. De weduwe zou de vader hebben vertrouwd, als hij op een laat tijdstip bij haar had aangebeld omdat, bijvoorbeeld, zijn sigaretten op waren.

De ouders kenden de omgeving, de vaste gewoonten en eigenaardigheden van de winkeliers en de buren. Zij kenden de lichtschijnsels, de straten, alle hoeken en gaten. Zou deze kennis, in samenhang met zijn ontevreden bestaan, de vader soms op het plan hebben gebracht de weduwe te beroven? Een opportunistische daad, die ongewild uit de hand was gelopen?

Intussen zat ik dagen achtereen gebogen over het archief van Jan Blaauw. "Het buurtonderzoek naar de moord in Rotterdam-Zuidwijk strekte zich uit over 25 straten, met flats", noteerde ik.

Melancholiek: "Een van de grootste moeilijkheden in het buurtonderzoek was het niet thuis treffen van mensen. Veelal moest men in de avonduren terugkomen en dan deed zich wel eens een nieuwe moeilijkheid voor, namelijk de televisie. Rechercheurs merkten dat sommige mensen weliswaar alle medewerking wilden geven, mits men maar niet op 'televisietijd' aan de deur kwam."

Al op de zaterdagochtend na de moord waren bij de politie de eerste tips binnengekomen. De publieke belangstelling was enorm, de ontzetting in de omgeving groot, meldde het interne rechercheverslag. En: "De algemene verwachting is dat de dader het geen 24 uur zal uithouden. We zijn op dit punt nu eenmaal verwend. We nemen zonder meer aan dat de dader in een kring is teruggekeerd, waar hij is opgemerkt. We nemen aan dat iemand hem doodgewoon zal aangeven, zoals dat in de praktijk veelal gaat. Zijn vrouw... vader... moeder, broers of goede kennis. Dit keer echter een misrekening. De tips stromen binnen. Er verstrijken 24 uur, 48 uur, en nog geen dader."

Acht uur na de moord op Babs en Marcel van der Hoff had de recherche al geconcludeerd dat de dader op vrijdagavond 8 februari na half negen het pand van de weduwe via het Helmveld was binnengekomen. "Hij kan hierbij gebruik hebben gemaakt van het touwtje of de ketting van het zogenoemde dagslot, danwel gebruik hebben gemaakt van een valse sleutel", vermeldde het politiedossier. "Hij kan tenslotte ook als bezoeker of klant zijn binnengelaten."

Uit de kassa was een onbekend bedrag aan zilveren guldens en rijksdaalders weggenomen en uit de brandkast nam de dader een bruine, leren portefeuille mee. Verder verdwenen een bos sleutels, waaronder die van de brandkast, een asbak en een witte portemonnee. Op zijn terugweg is de dader in de hal nabij de nis onder de trap overlopen of ontdekt door Babs van der Hoff. Marcel werd wakker door het gestommel, ging kijken en werd, mogelijk uit angst voor herkenning, eveneens doodgeslagen.

De man die veronderstelde dat zijn vader met de moorden te maken had, kwam met nieuwe feiten. Spelende jongens hadden zes weken na de dubbele moord bij de meer westelijke en afgelegen Waalhaven-Zuidzijde, ter hoogte van steiger 8, met nog enkele voorwerpen de verdwenen portefeuille gevonden van Babs van der Hoff, gevuld met 96 zilveren guldens, vier zilveren rijksdaalders, een biljet van tien gulden (nummer 3 SN 024157), een muntbiljet van 2,5 gulden (genummerd 1 RM 0682 78) en verder een op naam van de weduwe gestelde kwitantie van de rooms-katholieke Filmkring Zuidwijk.

Nu vertelde de zoon dat de bewuste locatie aan de Waalhaven niet ver was gelegen van het werk van zijn vader. Hij reed de route van huis naar werk met de bromfiets. Als hij de dader van de moord was en zich van de portefeuille van de weduwe wilde ontdoen, zou een korte omweg voor hem voldoende zijn geweest om onopvallend bij steiger 8 de spulletjes in het water te dumpen, aldus zijn uitleg.

De gevulde portefeuille van de weduwe als dwaalspoor in een haven. Eerder, meteen na de moord, was op zeventig meter van het Helmveld, in de struiken van het Brekelsveld, juist in zuidelijke richting, een eerste spoor gevonden: een asbak uit de woning. In de sneeuw die er lag was vanaf de voetstraat duidelijk een 'schuifspoor' te zien geweest, als aanwijzing dat de moordenaar de asbak bewust had weggegooid.

Tot ver nadat het potlood van het Gemeentearchief was opgeborgen, bleef het contact met de zoon gehandhaafd. Er restte strikt genomen één mogelijkheid om aan de onzekerheid een einde te maken: zijn oude vader op de man af vragen of hij de dader was van de dubbele moord aan het Brekelsveld. De zoon draaide eromheen. Ik denk dat hij het te confronterend vond, maar vroeg het hem niet. Je eigen vader op grond van een door jezelf opgebouwde theorie vragen of hij een vrouw en een kind heeft doodgeslagen. Doe je dat?

Als journalist had ik het hem natuurlijk moeten vragen. Maar ik deed het niet. Dat knaagt ook nu nog aan me, maar spijt heb ik niet. Een tachtiger met zo'n impertinente vraag confronteren, zonder enig ondersteunend bewijs, ik kon het niet. En nu kan het niet meer.

De vader is laatst overleden. Het contact met zijn zoon is gestopt.

Deel dit artikel