Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

IK, DIE OP HET LAND WOON

Home

DICK VAN HALSEMA

De Nieuwe mens. Zo noemde Albert Verwey de Afrikaander Boer, die in de Anglo-Boerenoorlog met een kleine groepje mannen een overmacht kon weerstaan. Dat was Idealisme, dat was Geest. Volgens de neerlandicus Dick van Halsema is Verwey niet zo zeer interessant gebleven als dichter of filosoof, maar als dichterspersoonlijkheid die nadacht over woorden als Levensbeweging, Geest, Wereld, Volk. “Ik voor mij had niet gedacht de nieuwe eeuw te zullen ingaan met zulke gelukkige verwachtingen.” Bovenstaande tekst is de bekorte versie van een lezing, gehouden op de studiedag '1900 als breukvlak', georganiseerd door de werkgroep Sassen die zich richt op de geschiedenis van de Nederlandse filosofie.

Al op eenentwintig jarige leeftijd, in 1886, bedient Verwey zich op een cruciale plaats in zijn betoog van de term 'Idealisme'. Hij bedoelt daarmee dat wij niet kunnen weten wat is en in plaats daarvan alleen ons gevoel, onze voorstelling van de wereld kennen. Dat is voor hem een artistiek opwindende gedachte en hij bedient zich van haar in een poging om de dichters van zijn eigen bent te verzoenen met de moderne realisten in proza, die immers ook steeds meer de pretentie laten varen, objectieve werkelijkheid weer te geven, en in plaats daarvan gefixeerd raken op de beweeglijke afdruksels van die werkelijkheid in hun eigen bewustzijn.

Als term blijft dit 'Idealisme' in het kritisch instrumentarium van de jonge Verwey een incident. Verwey zal door een lange fase van experimenteren heen moeten voordat hij rond 1893 het kunstenaarschap ontdekt dat hem past. Tegen die tijd gaat hij zich richten op een serener geestelijke werkelijkheid die achter de zichtbare gelegen is en deze doorstraalt.

Een van de eerste gedichten waarin hij dit inzicht neerlegt, een nogal stijf leerdichtje, begint met de regel 't Leven is in de Idee. Die 'Idee' wordt dan in verband gebracht met een primaire instantie, 'de Geest'. Wat in de dagelijkse wereld veelheid en chaos is, heeft in die 'Geest' zijn 'beelden' en die vormen daar een klare samenhang. In dit sonnet roept Verwey zijn lezer op om de gewone wereld te verlaten en zich te richten op het zojuist door hem ontdekte, van de werkelijkheid afgetrokken vrederijk, dat hij met een zweem van platonisme aanduidt als de 'werkelijke wereld'.

Verwey zal al gauw tot een synthese komen, waarin hij de terugkeer naar de 'gewone' werkelijkheid bepleit, maar dan die werkelijkheid gezien als het toneel waar zich de Idee, de Geest of hoe het verder heet, manifesteert. In dit basisschema is het de taak van de dichter om, met behulp van het dichterlijk vermogen dat Verwey de 'Verbeelding' noemt, de werking van deze 'Geest' in de werkelijkheid te evoceren. En soms gebruikt hij daarbij dan ook de term 'Idee', zoals in het artikel 'Kunst en Idee' uit 1912. Ik citeer, met weglatingen:

“Onder Idee versta ik die naar voren dringende kracht die het wezen van eenig leven is en die alleen in zijn vorm zichtbaar wordt. Kunstenaars van de Idee zijn daarom zij die zich het wezen verbeelden en niet een of ander toevallig voorkomen. Zij maken aanspraak op de hoogste rang in de orde van de Verbeelders.”

Of, in Verwey's particuliere algebra:

Het Leven als Verbeelding = Idee

Daarmee is een andere term geïntroduceerd, die zich, anders dan de term 'Idee', in een schier eindeloze vermenigvuldiging over Verwey's hele oeuvre van na 1893 uitstrekt: het 'Leven', de centrale kracht die alles doordringt, bezielt en beweegt en daardoor individu en heelal in één levende samenhang met elkaar verbindt. Het kan niet geopenbaard worden zoals het is, want het is 'beeldloos'. Het kan enkel indirect geopenbaard worden, zoals het werkt in de wereld. De wereld van de verschijnselen wordt daardoor beeld van het beeldloze en het vermogen van de dichter om de gewone werkelijkheid te transformeren tot een verheerlijkt visioen valt samen met dat wat Verwey 'Verbeelding' noemt.

De kunstenaar dient zich in zijn benadering van de werkelijkheid te richten op het wezen van die werkelijkheid. Zijn plaats is dáár waar in de wereld van de verschijnselen het pulseren van een levende samenhang te bespeuren valt. Het kunstenaarschap dat daarentegen blijft hangen in de ervaring van de oppervlakte van de werkelijkheid - zoals realisme, impressionisme en sensitivisme - ontsnapt niet uit de wereld van de gefragmenteerdheid, de veelheid en het toeval. Ik denk dat het niet te kras is om te stellen dat voor Verwey het ene kunstenaarschap dat van het leven is, het andere dat van de dood.

Wat schiet een mens met zoiets op? Alles wat men over Verwey en de filosofie zegt, moet men nadrukkelijk in het teken plaatsen van Verwey's inzicht dat de filosofie niet het medium is dat de mens het dichtst bij het geheim van de werkelijkheid brengt. De dichter kan zich als de lezer en denker die hij ook is, laten oriënteren door de filosofie, maar de waarde van die filosofie neemt een einde waar de poëzie een aanvang neemt. Pas als de taal van de 'spreker' en 'denker' waartoe ook de dichter zich in zijn doordeweeksheid moet beperken, wordt aangevat door die geheimzinnige ritmering die het wezen is van de poëzie, pas dan komt het weten tot stand waaraan de filosofie nooit kan raken: het Leven zelf wordt gesondeerd. Ik citeer uit het beroemde opstel 'De richting van de hedendaagsche poëzie' uit 1913:

“Dichter is dus hij die levensbeweging, dat is ritme, uit in woorden. Niet het denken, maar het vertolken-van-levensbeweging is het hem eigene.”

Even eerder heeft Verwey dan al gezegd dat de dichter een 'hoogere wetmatigheid' van de menselijke vermogens 'en daarmee van de wereld' tot uiting brengt. De dichter staat helemaal vooraan in Verwey's tableau van de mensheid.

Nogmaals: wat moeten we hier vervolgens mee? Hoe meer je probeert de rubricering van Verwey's begrippenarsenaal te verfijnen, des te meer raak je naar mijn gevoel verstrikt in steeds verfijnder herhalingen en des te verder raak je weg van het inzicht in de ordenende werkzaamheid die dit begrippensysteem in de dagelijkse werkelijkheid van Verwey's dichterschap moet hebben gehad.

Nee, als filosoof is Verwey absoluut oninteressant. Des te interessanter is hij waar dit bescheiden para-filosofische systeem actief werd in de afwegingen die Verwey maakte in dichterlijke, maatschappelijke, levensbeschouwelijke en emotionele aangelegenheden. 'Het Leven', 'de Idee', 'de Verborgenheid', 'de Verbeelding': ze zijn de hamer, de nijptang en de waterpas van het instrumentarium waarmee hij persoonlijk greep trachtte te krijgen op het bestaan.

Dit instrumentarium verschafte hem de flexibele stabiliteit waarin hij kon uitgroeien tot de grote dichterspersoonlijkheid die hij voor velen geweest is. Voor mij is hij dat nog steeds. Een groot dichter is hij misschien niet - “zijn taal is te uitsluitend hulpmiddel, beheerst maar onbevrucht, corpus vile”, schreef Martinus Nijhoff over hem - maar met poëzie en al is hij wel een grote wereld-op-zichzelf, en daardoor op een andere manier toch weer wel een groot dichter.

Een belangrijk woord in een van de subsystemen van zijn voorstellingswereld is 'vroomheid'; vroomheid impliceert voor hem 'geloof in de heerlijkheid van het leven', het is een houding die kontakt zoekt en weet te vinden met de essentie van het leven en als zodanig in scherp kontrast gezien moet worden met haar perverse variant: het religieus dogmatisme. In zijn zucht naar 'verstelseling' negeert het dogmatisme de levende Eenheid waartoe de gevoelsvroomheid als vanzelf toegang weet te vinden en legt in plaats daarvan haar verstarde indelingen op aan het wezenlijk onindeelbare.

Verwey's eigen waarde lijkt me voor een groot deel in zijn vroomheid te liggen. De passages in zijn prozastukken waarin hij het heeft over 'mens', 'wereld', 'heelal', 'samenhang' en 'leven' kun je rustig allemaal achter elkaar lezen zonder erdoor gestoord te worden dat er eigenlijk steeds hetzelfde staat.

Je krijgt dan niet een verdiept inzicht in de stratificaties van zijn filosofische overwegingen; wat dat betreft kan het systeem wel op de achterkant van een sigarendoosje. Maar de cumulatie van prachtige passages waarin hij telkens hetzelfde in telkens andere woorden zegt, maakt iets anders zichtbaar: dat het hier om de vervoerde getuigenissen gaat van een gelovige, en ik zou me een bloemlezing van dit soort passages uit Verwey's werk kunnen voorstellen die de stichtelijke werking heeft - ik bedoel die term niet ironisch - van een post-christelijke equivalent van Thomas a Kempis' Navolging van Christus.

Ik denk dat Verwey ook zichzelf voortdurend 'stichtte' en aanmoedigde door deze, hem beveiligende kring van voorstellingen ononderbroken met zijn taal in leven te houden. Ik zou zo'n bloemlezing zelf vaak even opslaan, denk ik; er gaat iets sterkends uit van deze bezweringen.

Uit het voorafgaande komt een Verwey naar voren die sterk gericht is op het zoeken van het Leven in alle verschijnselen. Dat is een intuïtief proces, bij uitstek weggelegd voor wie over het vermogen beschikt van de dichterlijke Verbeelding. Verwey's dichterlijk denken is een voorbeeld van het omslagdenken zoals dat in Europa zichtbaar wordt aan het eind van de negentiende eeuw. Het causale denken in kaders, het heersende mechanistische maatschappijbeeld van het naturalisme wijkt overal voor de erkenning van een leven als 'verborgenheid', dat alleen intuïtief gekend kan worden.

Hoe werkte dit alles nu bij Verwey? Het is mijn stelling dat verzet tegen het decadentisme een centrale drijfveer is geweest in Verwey's denken. In de décadence maakt het deel zich los van het geheel en gaat zich, ten koste van dat geheel, ziekelijk vergroten. De kenmerken van het decadentisme structureren Verwey's aanvallen op wat hij afwijst en helpen hem zijn eigen opvattingen te formuleren. Opvattingen die vaak trekken tonen van het decadentisme in spiegelbeeld.

In de visie van Verwey op een wereld die het schouwtoneel is van de strijd tussen decadentisme en anti-decadentisme - enerzijds versplintering, zenuwen en buitenkant, anderzijds, eenheid, geest en diepte - lijkt deze oppositie zich te versmelten met de tegenstelling tussen het mechanische, rationele denken en het Idealisme. Het eerste verkavelt de oppervlakte van de werkelijkheid tot een uiteengevallen veelheid. Het Idealisme is daarentegen gericht op de beweging van de Geest onder of door de wereld van verschijnselen heen. Waar de eerste vorm van denken een voortgaand proces van fragmentatie impliceert, impliceert de tweede een groeiende eenheid.

Met behulp van deze ijzersterke combinatie kon Verwey de wereld aan; het literaire debat van alledag, de problemen van volk en staat, nationalisme en internationale gemeenschap. En dan zien we soms ook even de schim van Hegel, of anders wel Bolland.

Voor Verwey lijkt de geschiedenis een dialectisch voortschakelen te zijn, er is eenheid, er is strijd, er is verzoening en zo gaat het voort. Het wordt niet goed duidelijk of er in dat geheel van bewegingen, zoals Verwey zich dat voorstelt, ook een opgaande lijn zit. Het lijkt soms wel of Verwey's voorstelling die is van een eindeloos doorgaande horizontale beweging. Maar op andere plaatsen is er wel degelijk sprake van een toename van iets in plaats van een lineaire voortgang.

Zo spreekt Verwey ergens van de groei van 't Al, door d'aard aan 't branden - en dat die 'groei' vervolgens 'in 't Volk' blijkt te 'ontspruiten', is een van de vele plaatsen waaruit blijkt dat 'Volk' bij Verwey de met het 'Leven' verbonden formule van menselijke gemeenschap is, waartegenover 'Staat' de verstarde wetmatigheden representeert waarin het leven is ingekapseld en de mens zijn vrijheid verliest. Verwey's idealisme zoekt geen Napoleon, maar een levende gemeenschap van aan het eigen geweten verantwoording schuldige enkelingen.

Een tekst die zijn opvattingen goed weergeeft, is 'Brieven van een landbewoner' die hij in 1901 publiceerde in het Tweemaandelijksch Tijdschrift. De openingszin vestigt direct de aandacht op een thema uit de décadence: '...(ik) die op het land woon, en de jarenlange rust heeft mijn zenuwen onvatbaar gemaakt voor de koorts van de steden'.

Verwey doelt hier op 'de gebeurtenissen die zich in onzen leeftijd op de aarde afspelen en wat ik geloof dat hun verder verloop zal zijn'. Hij zal daarbij ongetwijfeld gedacht hebben aan een politiek gegegeven dat hem in die tijd onophoudelijk bezig hield: de Anglo-Boerenoorlog. In zijn opvattingen over die oorlog komen alle lijnen van zijn denken, juist ook de idealistische, bij elkaar.

Verwey's perceptie van deze oorlog is van meet af aan bepaald geweest door de genoemde versmelting van anti-decadentistisch en idealistisch denken. De strijd van de Boeren ziet hij als de 'wording van een Volk' - een levenseenheid, een republiek -, bestookt door de hebzucht van een staat met een heerser (Engeland), waarin de gemeenschap zoek is en de losgeraakte enkeling het eigen belang najaagt. Dat verbindt hij met het kapitalisme: een decadente fase van de oude nijverheid die het 'verband verloren heeft met de bronnen van het menschbestaan', met het Leven dus.

Tegen de gemeenschap van de Boeren - ieder zijn eigen heer, samen een strijdbare gemeenschap - stelt hij de Engelse goudsteden in Transvaal waar elk voor zichzelf leeft en het kontakt met het alles doorstuwende Leven dus verloren is geraakt. Tussen de bedrijven door lijkt hij de Engelsen te beschrijven in termen van 'Sklavenmoral' tegenover de 'meedogenloze' vrijheid van de Boeren, die daarmee beginnen te rieken naar Nietzsches Uebermensch.

De boer is voor Verwey de 'Nieuwe mens' die het leven van de mensheid impulsen geeft waar dat leven zich elders uit de (blanke) gemeenschappen blijkt te hebben teruggetrokken.

Daar zit een dialectische voorstelling achter van de ontwikkeling van de mensheid. Om de Afrikaander Boer in de voorhoede van de beschaving te kunnen plaatsen moet Verwey eerst een probleempje wegwerken met hun calvinisme. Hij zet zich er toe, het Kuyperiaanse neo-calvinisme - net als het kapitalisme en de negentiende eeuwse wetenschap voor hem een verval-verschijnsel - los te koppelen van het calvinisme van de Boeren. Want dat laatste is eigenlijk alleen maar 'vroomheid' (zoals dat in Verwey's visie ook het geval was in het zestiende eeuwse Nederland), en vroomheid is verrukking over de heerlijkheid van het Leven.

Waar elders het leven verdord is - door oververfijning en de daaruit volgende dadeloosheid, door tot egoïsme omgeslagen vormen van individualisering, door vormen van dogmatisme en rationalisme waarin het denken zichzelf een doel is geworden -, leeft deze gemeenschap direct bij de bron. Vernieuwing - daar gaat het bij Verwey eigenlijk ten diepste om: de door zijn idealistische toekomstconcept gevoede voortdurende en hoopvolle verwachting dat er iets van Leven zal inbreken in een als dichtgeslibd ervaren werkelijkheid.

Het gegeven van de nieuwe eeuw speelt bij deze verwachting een belangrijke rol. De Anglo-Boerenoorlog had voor Verwey op geen beter moment kunnen komen. Ik citeer uit een ontroerende brief van Albert aan zijn broer Chris, geschreven op 14 februari 1900. In die brief - hiernaast in zijn geheel afgedrukt - speelt de tegenstelling materie tegenover 'geest' een hoofdrol bij wat Verwey zegt over de oorlog in Transvaal. De goede kansen van de Boeren - dan nog wel! - zijn voor hem het bewijs dat een klein groepje, levend uit de Geest, een overmacht die leeft vanuit de materie, kan weerstaan.

“Het is heerlijk, op het eind van een eeuw, en terwijl men jaren lang tevergeefs in zooveel verandering naar den hoopgevenden lichtstraal heeft uitgezien, de sneeuwstorm tegen zijn ruiten te hooren aanslaan en dit te schrijven. Ik voor mij had niet gedacht de nieuwe eeuw te zullen ingaan met zulke gelukkige verwachtingen.”

BRIEF VAN VERWEIJ AAN ZIJN BROER CHRIS UIT HET VERWEIJ-ARCHIEF VAN DE UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK AMSTERDAM

Noordwijk aan Zee 14 feb 1900

Beste Chris, Sints onze in de pen gebleven Nieuwjaarsbrieven hebben jij noch ik elkaar iets laten hooren. Cor en Berlage zeiden dat jullie aan de influenza ontkomen en ook overigens wèl waart, en ik hoop dat ze niet gejokt hebben. Wij zijn gezond en leven van dag tot dag in die groote gebeurtenis van Zuid-Afrika. Het is als een berg van gebeurtenissen die over ons heen hangt en waaruit voortdurend hoopvolle bliksems schieten en veelbelovende tafreelen langstrekken. Ik vind het verrukkelijk. Wat daar gebeurt is de nederlaag van het heele brute negentiende-eeuwsche materialisme, de nederlaag van al die wetenschap en die nijverheid en die geldmacht, die dachten dat zij de wereld in hadden, - en de overwinning dus van het zoolang doodgedrukte edeler leven van den innerlijken mensch. Ik geloof dat de beteekenis aan moed en hoop voor een heele kleingehouden menschheid niet te overschatten zal zijn, die een gunstige afloop van dien oorlog geven zal. Een klein volk dat zoò sterk gebleken is alleen door den adel van zijn innerlijk bestaan! Wat wonder dat de reuzenkrachten van onze materialistische eeuw dát niet bevroed hebben.

Een geheel nieuw verschijnsel is: dat de stoffelijke voortreffelijkheid van het moderne leven ons in staat stelt al wat er gebeurt om zoo te zeggen bij te wonen, en dus ons hart en onze gedachten gelijk te voelen bewegen met die voorkampers. Het is die voortreffelijkheid die ons nu dient en ten goede komt. - En datzelfde blijkt ook daarin dat die simpele strijders gebruik kunnen maken van de verfijnde wapens van de nieuwere nijverheid; beter zelfs - geleerd door hun innerlijke levensdeugd - dan hun vijanden.

Treft het je ook dat nu twee keer, eerst in de Dreyfuss-zaak en nu hier, hetzelfde is voorgevallen? - De militaire grootheid, eerst van Frankrijk, nu van Engeland, in dienst van ontgeestelijkte maatschappijen, legt het af tegen een klein aantal van door een idee begeesterden.

Het is heerlijk, op het eind van een eeuw, en terwijl men jaren lang tevergeefs in zooveel verandering naar den hoopgevenden lichtstraal heeft uitgezien, de sneeuwstorm tegen zijn ruiten te hooren aanslaan en dit te schrijven. Ik voor mij had niet gedacht de nieuwe eeuw te zullen ingaan met zulke gelukkige verwachtingen.

Het is waar: sommige verwachtingen kunnen nóg worden teleurgesteld. Maar de daad van het optreden van die Republieken is er geweest, en dat is al veel.

Ziedaar enkel Zuid-Afrika. - Schrijf jij nu eens over jullie gezondheid. Jullie hebben ook blijde verwachtingen: ik weet bij ondervinding dat ook die voor je levensgeluk alles zijn. Alles, of bijna alles, zooals je wilt, hoor!

Hartelijk gegroet Je liefhebbende broer.

Deel dit artikel