Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hou nou eens op over Marina!

Home

Peter de Boer

Al veertig jaar houdt Jan Kal het sonnet in ere. Maar zijn oude wrok (geldgebrek, afgewezen liefde) evenzeer. Dat doet afbreuk aan zijn brille.

Jan Kal (1946) heeft alleen sonnetten gepubliceerd. Hij debuteerde beginjaren zeventig als ’neoromanticus’, het klassieke sonnet ironiserend afzettend tegen toenmalige modernere stromingen. Met de neoromantici was het snel gedaan maar Kal sonnettenbakte rustig door, zij het bij steeds vagere uitgeverijen, zodat hij uit het zicht verdween. Dit veranderde met de onverwachte verschijning van zijn verzamelde werk in 1997: ’1000 sonnetten, 1966-1996’ bij Nijgh & Van Ditmar. Critici reageerden welwillend op deze pil, waar men toch zeker wel 100 voortreffelijke gedichten en een veelvoud aan mooie regels in aan meende te treffen.

Intussen heeft Kal eindelijk een nieuwe bundel gepubliceerd: ’Hun zeggen’, die 60 sonnetten bevat. Het productietempo is dus scherp gedaald en Kal blijkt thematisch ook weinig meer aan zijn 1000 sonnetten toe te voegen te hebben. Hij dagboekaniert vrolijk, stekelig of bedroefd voort, vaardig vaak, maar nieuwe paden slaat hij niet meer in.

Feitelijk is Kal nooit een ’neoromanticus’ geweest, maar een lightversedichter en getalenteerd sonnettist voor het leven. En inderdaad kan hij grappige, gevoelvolle en ook wel mooi droevige verzen schrijven. Maar hij kan ook heel schril, gefrustreerd en al te confidentieel uit de hoek komen over privézaken, die bij de lezer al snel een gevoel van plaatsvervangende gêne oproepen. Over zijn gefrustreerde jeugdliefde, Marina van der Kooi (naam en toenaam!) bijvoorbeeld. De 1000 sonnetten bevatten al 56 (!) Marina-gedichten waarin Kal het trauma uit de doeken doet dat hij door de ouders van Marina destijds te min bevonden werd voor hun dochter.

Er zitten een stel mooie liefdessonnetten tussen, maar het meeste is een berijmde scheldkannonade op de abject geachte ouders en de gehoorzame Marina. In ’Hun zeggen’ voegt Kal daar rustig nog de nrs. 57 en 58 aan toe! Tientallen jaren na dato schrijft hij een in memoriam aan Marina’s in 1997 overleden vader (’Minne streken’) dat in deze context zo particulier en lomp is dat ik er als lezer niks van wil weten. En dan wil ik Kal nog wel op zijn woord geloven dat pa Van der Kooi bij zijn leven inderdaad een minne man was. Maar of dat zijn literaire gestalk rechtvaardigt?

Ook Kals ruzie met het Fonds voor de Letteren gaat in de nieuwe bundel vrolijk door, al kun je daar wel weer om lachen. Hier, maar ook elders, blijkt Kals grote trauma zijn eeuwige gebrek aan geld. Over dat gebrek aan penningen heeft hij wat afgepruild, een Calimero gelijk, in zijn veertigjarige dichterschap! Leuk soms. Gênant vaak.

Weinig nieuws, zei ik. Aan de 154 (!!) sonnetten over (songs van) Frank Sinatra voegt hij er weer twee toe. Johan Cruijff, overal in Kals werk aanwezig, mag ook hier weer optreden. De lange reeks ’Supersterren’ uit eerdere bundels krijgt er ook weer drie nummers bij, waaronder één over de in 2001 overleden George Harrison, dat dan toch wel weer gevoelig en grappig transcendentaal begint met: „De stille Beatle, George, is overleden, / na Lennon (alweer eenentwintig jaar?). / Nu wordt er zéker niet meer opgetreden, / al zijn ze voor de helft weer bij elkaar’. Mooie slotregel: ook dat is Jan Kal.

Ziedaar mijn probleem met deze dichter. Hij heeft de techniek van het sonnet geperfectioneerd, vijanden zullen zeggen: tot een glijmiddel, ikzelf zeg liever: tot een machtig instrument. Waar hij niet te persoonlijk wordt, schrijft hij geinige, weemoedige, grappig satirische verzen.

Maar komen Marina, zijn geldgebrek of zijn mislukte studie medicijnen ter sprake dan is hij een volhardende zeur die maar dóórgaat en nooit, nergens, eens relativeert of de schuld bij zichzelf zoekt. Een dichter met een Januskop dus.

Terwijl hij toch zo briljant en los uit de hoek kan komen. Zoals in ’Cruijff 50’, geschreven 10 jaar voor Cruijffs door de media onlangs zo irritant afgelebberde zestigste verjaardag (zie kader). Cruijffs taalfouten en stopwoordjes worden er zonder stiekem intellectueel dedain als eerste kievitseieren in opgepoetst en opnieuw in het nest gelegd, een nest door Kal met respect gevlochten waarin ze mogen schitteren als taalvondsten Hoe zo’n lieve, aardige en toch nooit relativerende zeur en koppensneller te beoordelen? Moeilijk.

Deel dit artikel