Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hoe verbind je opperheerschap met menselijke vrijheid?

Home

Studenten worden altijd wat giechelig wanneer je erover begint: de theodicee. Alleen het woord al. Een rare glijbaan over klinkers waarvan de bochten je een beetje draaierig maken, met aan het einde een koude plons. Misschien is de betekenis ervan wel die plons. Want 'rechtvaardiging van God' is in een religieloos geworden wereld altijd weer een beetje schrikken.

Niet alleen omdat God in de filosofie langzamerhand een vreemde figuur geworden is. Maar vooral omdat de noodzaak van een rechtvaardiging van diens daden nog altijd wat aanmatigend en zelfs blasfemisch lijkt. Alsof het aan óns was aan Gods handelen een kwaliteitslabel te hechten. Vreemd genoeg klinkt dat in een geseculariseerde wereld nog uitzinniger dan daarvoor.

Toch konden filosofen en theologen daar eeuwenlang niet onderuit. Hoe verenig je Gods almacht en goedheid met een schepping waarin het kwaad je van alle kanten bespringt? Anders gezegd: hoe verbind je opperheerschappij met menselijke vrijheid? Augustinus meende op die vraag een antwoord te hebben gevonden, en Leibniz ruim anderhalf millennium later opnieuw. Maar overtuigend bleven ze geen van beiden.

Augustinus' idee dat het kwaad alleen maar een 'gebrek aan zijn' is, en dus niet werkelijk bestaat, viel moeilijk te verdedigen tegenover iemand die het leed ervan aan den lijve ondervond. En Leibniz' suggestie dat God, ondanks alles, de 'beste aller denkbare werelden' had geschapen, hield geen stand tegenover Voltaires verwoestende verhaal 'Candide' en de schokkende ontdekking dat één tsunami volstond om Lissabon weg te vagen.

Sindsdien heeft de theodicee een slechte naam, als misschien wel de meest dwaze onderneming die de filosofie ooit op de been heeft gebracht. Zelfs het (apocriefe) middeleeuwse dispuut over de vraag hoeveel engelen konden dansen op de punt van een naald viel erbij in het niet. Wereldvreemder en hovaardiger kon de menselijke speculatiedrift niet worden.

Toch hadden Augustinus, Leibniz en hun navolgers gelijk. Het vraagstuk is in de afgelopen tien jaar zijn gram komen halen. Dat gebeurde in een vermomming die herkenning soms moeilijk maakte. De oppermacht van God heeft plaats moeten maken voor een wereldlijker heerschappij: die van de staat. Maar de vraag naar de rechtvaardiging daarvan, oog in oog met het kwaad van de wereld, is nog altijd dezelfde.

Want neem het probleem van de publieke veiligheid, waarvoor westerse landen sinds 11 september 2001 alles wat hen heilig was bereid bleken op te offeren. Het rechtssysteem, de democratische orde en zelfs de persoonlijke vrijheid moesten eraan geloven, opdat de staat de mogelijkheid kreeg het kwaad tot in zijn wortels te bestrijden.

Maar ook daarin bleef de strijd onbeslist. Alleen een almachtige heerser kan een veilige wereld scheppen, maar de prijs die ervoor betaald wordt, is de menselijkheid van het (dan niet meer) vrije individu. De enige oplossing is het compromis: een machtige maar niet álmachtige staat, een vrij maar niet volkomen ongebonden individu, en een veiligheid die misdaad en terrorisme nooit helemaal kan uitsluiten.

Theodicee maakte zo plaats voor 'politeiadicee' zou je kunnen zeggen: de rechtvaardiging van een staat die tegenover zijn onderdanen almaar meer macht opeist, maar kennelijk onmachtig is om het kwaad uit te roeien. Of die, om het omgekeerd te zeggen, de burgers voortdurend van zijn welwillendheid tracht te overtuigen, maar wiens handelen hen maar al te vaak van de regen in de drup brengt.

Eén verschil is er wel met de theodicee van vroeger. Terwijl Gods soevereine wil zich principieel aan de menselijke onttrok, beroept de wil van de Staat zich op de soevereiniteit van zijn burgers. Wij zijn het zelf die hem zijn almacht geven - en dat maakt de politeiadicee een stuk ingewikkelder. De huidige politieke debatten zijn daar het beste bewijs van.

Deel dit artikel